|
Ver Heen P.C. Kuiper
SDU, 1998
ISBN: 90-120-6772-3
Het verslag van een ernstige depressie, geschreven door de oud-hoogleraar psychiatrie en ex-psychiatrische patient Kuiper.
Prof. P.C. Kuiper, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam van 1961 tot 1985, overleed in 2002. Hij is voornamelijk bekend geworden vanwege een ernstige depressie die hij doormaakte
|
| |
Professor Kuiper (geboren 1919) was succesvol, gerenommeerd en zich daarvan terdege bewust. Kuiper heeft meerdere wetenschappelijke artikelen en boeken op zijn naam staan. Ironisch genoeg werd hij bij het grote publiek bekend door zijn boek: “Ver heen”. In dit boek schreef hij over zijn eigen depressie. Daarnaast maakte hij de psychiatrie als wetenschap toegankelijker voor een breed publiek door regelmatig mee te werken aan tv-programma’s en interviews.
Op gevorderde leeftijd werd Piet Kuiper, gevierd hoogleraar in de psychiatrie, getroffen door een relatief onschuldige infectieziekte. Plotseling zag hij zich geconfronteerd met de vraag: ‘Heb ik mijn leven wel goed geleefd?’ Dit was de aanloop tot een periode van enkele jaren, waarin hij tegen de toenemende angsten geen verweer meer had, en zijn denken werd beheerst door wanen.
De diagnose luidde ‘psychotische depressie’. Tot twee maal toe was maandenlange opname noodzakelijk. De situatie leek uitzichtloos voor zowel de patiënt als zijn omgeving. Door behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis - een combinatie van psychotherapie, medicijnen en activiteitentherapie (kunstschilderen) - trad gaandeweg verbetering in, wat uiteindelijk leidde tot een volledig herstel.
"Ver heen" is het dramatische en persoonlijke verslag van een psychiater die te kampen krijgt met een aandoening die hij reeds bij vele patiënten behandelde.
In deze bestseller beschrijft hij nauwgezet zijn zoektocht langs verschillende ggz-instellingen. Nadat de eerste opname, in 1983, op niets is uitgelopen, wordt Kuiper, als zijn wanen en angsten thuisblijven onmogelijk maken, opnieuw opgenomen. Deze opname is voor Kuiper “de bodem van de put”: zijn psychose heeft het normale denken weggeslagen en hij leeft nog slechts in een grote angstaanval.
|
|
psychiatrie en samenleving | 10-03-2008 | 13:29 | Link |
Telkens vraag je je af waarom men weetjes over mensen baseert op proeven waarbij dieren, in casu ratten, wreed worden mishandeld. Welke weetjes wil men ons nu weer aanpraten? Niet te verwonderen dat onze Dr. Eric Rosseel gisteravond (voor de zoveelste maal) zelfmoord pleegde.
Alcohol verdrinkt verdriet niet, maar versterkt het
Het gezegde luidt dat men zijn verdriet kan wegdrinken. Maar wetenschappers van de Universiteit van Tokio hebben nu het omgekeerde aangetoond.
Een team onder leiding van professor Norio Matsuki liet vandaag in een communiqué weten dat de ethanol in alcohol niet doet vergeten, maar er integendeel voor zorgt dat herinneringen diep in het geheugen gegrift blijven.
Proeven op ratten
De wetenschappers hadden dit vastgesteld op laboratoriumrratten die gedurende enkele dagen lichte elektrische schokken kregen en dan terug in hun kooi mochten. Telkens die weer openging, kregen ze met de terreur van de schokken te maken. Een deel van de knaagdieren kreeg dan alcohol toegediend en een andere deel een fysiologisch serum, om de reacties van beide proefgroepen te bekijken. Het bleek dat de pijn langer - gemiddeld twee weken - aanbleef bij de dieren die alcohol waren toegediend.

Slechte herinneringen blijven hangen
"Indien wij dit zouden toepassen op mensen, wil dit zeggen dat de slechte herinneringen die we willen kwijtraken, nog langer blijven indien we alcohol drinken, zelfs al zorgt dit op het moment zelf voor enige euforie", aldus de studie. "Om iets negatiefs te vergeten, is het beter het zo snel mogelijk weg te vegen met iets positiefs en van de alcohol te blijven".
De resultaten van de studie verschijnen in het vaktijdschrift Neuropsychopharmacology. (belga)
****************
psychiatrie en samenleving | 01-03-2008 | 07:06 | Link |
Daar is de spektakelwetenschap weer:
Overspel is als spitten in de tuin
Vreemdgaan vergt tot een derde meer energie dan seks met de eigen partner. Vrijen met een andere partner is qua inspanning te vergelijken met spitten in de tuin, terwijl seks in eigen huis overeenkomt met douchen. De Zweedse cardioloog Lars Ryden stelde na onderzoek vast dat het risico op een beroerte of een infarct stijgt als men overspel pleegt.
"Bij vrijen met een vaste partner in een vertrouwde omgeving is die kans zeer klein. Maar bij seks met een andere partner wordt de hartspier extra belast door de psychologische spanning over de geheime verhouding. Zulke vrijpartijen worden bovendien vaak voorafgegaan door een diner met aperitiefjes en wijn, die de hartspier extra belasten." (belga)
Alsof elk vreemdgaan gepland of geheim is !!!
Is deze onderzoeker betaald door het Vaticaan? Of de Zweedse CD&V? Laat de mensen toch hun zin doen.
Dus: in het vervolg, doe niet zo schijnheilig en smijt je vaste partner buiten als je niet genoeg hebt aan hem of haar. Een echtscheiding schijnt ook gezonder te zijn dan een stukgelopen relatie waar de partners elkaar dolken in de rug steken.
En waarom bevelen de onderzoekers simpelweg niet aan om minder in de tuin te spitten?
psychiatrie en samenleving | 22-02-2008 | 16:20 | Link |
Hieronder een recente reëel gevoerde conversatie tussen het Netwerk en Anders Gewoon, een plots opgedoken schimmige organisatie, die ijvert voor een positieve beeldvorming met betrekking tot "mensen met psychische problemen". O.a. via een Publieksdag Geestelijke Gezondheid op 25 april in Gent. Anders Gewoon blijkt een nieuwe falanks te zijn van de Vlaamse Vereniging Geestelijke Gezondheid. Over Anders Gewoon valt dan ook de lange schaduw van het Vlaams monsterverbond psychiatrie + familie + farma-industrie, met Paul Arteel, directeur VVGG, met Mieke Craeymeersch, directrice Similes en met de meer en meer op de voorgrond komende Kristien Hemmerechts, die als bijverdienste graag eens paradeert met de schizofrenie van haar zus.
Netwerk:
Dag Anders Gewoon,
Ons voorstel voor de Publieksdag Anders Gewoon kwam blijkbaar bij Paul Arteel van VVGG terecht. Immers, info@andersgewoon.be wordt blijkbaar onmiddellijk getransfereerd naar paul@vvgg.be. Die man lust ons rauw en zou ons liefst levend verbranden. Ons emailadres is bij hem dan ook geblokkeerd.
Als we daaruit moeten besluiten dat het programma voor de Publieksdag onder de voogdij van Mr. Arteel valt, dan heeft het vermoedelijk geen zin iets in te sturen. We worden daar toch gecensureerd en geband. En als we als spreekster Mieke Craeymeersch van Similes zien, die op het Ministerie Volksgezondheid voorstelt om de patiëntenrechten voor psychiatrische patiënten op te heffen. Tja, dan lijkt deze publieksdag weer zo'n initiatief dat eerder de zorgverstrekkers dan de "geesteszieken" ten goede komt.
Veel succes dus.
Groeten, Netwerk P & S
Anders Gewoon:
Dag N P & S,
Een eerste en kort antwoord. Kort omdat we het ontzettend druk hebben momenteel, naast medewerker bij Anders Gewoon ben ik coördinator van Te Gek!?, een muziekproject rond psychiatrie dat psychische problemen bespreekbaarder wil maken en streeft naar een positieve beeldvorming t.a.v. mensen met psychische problemen, momenteel zijn we op tournee door Vlaanderen met Te Gek!?.
Zelf zijn we al 20 jaar als psychiatrisch verpleger werkzaam geweest en ik geef je voor een stuk gelijk, al te vaak wordt een onderscheid gemaakt tussen patiënten en personeel, worden mensen die worden opgenomen aanzien als 'andere' mensen, enzovoort. Anderzijds hebben we een hele evolutie waargenomen en is er veel verbeterd, maar er is nog veel werk aan de winkel ook.
We hebben ons zelf een hele tijd afgezet tegen de huidige manier van werken in de psychiatrie en we hebben te snel te veel willen veranderen, maar dat haalde uiteindelijk niets uit, we kregen veel mensen tegen ons, dit was niet uit te houden, verandering vraagt immers tijd.
Door nu als uitgangspunt te nemen dat er al veel verbeterd is in de psychiatrie (wat ook zo is), maar dat er moet blijven gestreefd worden naar een verdere evolutie, naar gelijkwaardigheid als houding enzovoort bereiken wij veel meer. In Uw mail merken we een zeer negatieve houding t.a.v. de psychiatrie, we begrijpen die enerzijds maar we schrikken er ook wat van terug, zoals we hierboven vertelden, denken we dat zo'n 'in strijd gaande' houding uiteindelijk niet veel wijzigingen met zich mee zal brengen.
Maar jullie zal het waarschijnlijk oneens zijn hiermee.
Beste groeten en tot ziens,
Anders Gewoon
Netwerk:
Beste Anders Gewoon,
De kwestie is: WIE bepaalt of iemand een psychisch probleem heeft? WIE sluit hem IN ("zorg") door hem UIT te sluiten?
Er is op dat vlak sinds de introductie van de Psychiatrie met de eerste klinieken NIETS veranderd. Het is niet omdat de psychiatrische patiënten nu mogen kiezen tussen aardbeitaart of kersentaart als dessert dat de feitelijkheid dat een ganse massa mensen leeft en zich rijk maakt door iemand anders wijs te maken dat hij of zij "gek" is of een "psychisch probleem heeft" (waarbij altijd gevoegd wordt dat hij of zij "begeleid moet worden", cf. de zin van de advocaat van de beller van Annick Van Uytsel) niet meer reëel zou zijn.
Wat is er "vanzelfsprekend" aan dat hij "begeleid moet worden"? Als onze vrouw tegen ons zegt: "ge zijt zot", geeft ze ons niet het adres van een psychiater of een therapeut. Ze vraagt haar gewoon even na te denken.
Dus als u denkt dat de zaken verbeterd zijn, dan mag u dat denken. Maar dat geeft meteen ook aan dat U er belang bij hebt dat te denken.
Vriendelijke groet,
Netwerk
Netwerk:
Beste Anders Gewoon,
Als ge "klanten" wilt winnen voor de bijzonder deskundige psychiaters en de therapeuten, is het natuurlijk een goede reclame dat de mensen zich niet schamen dat ze naar de psychiater "moeten".
Dus: "positieve beeldvorming": wie is de grote winnaar? Paul Arteel: knap werk, man!
Voor de rest: "Me I just don't care at all" (Lou Reed, Berlin, 1972).
Vr. gr.,
NPS
Scheidsrechter Saartje Van den Bossche:
Beste Netwerk,
Dergelijke projecten stigmatiseren de mensen in problemen nog meer dan het nu al het geval is: ze moeten zich zeker niet meer schamen dat ze “psychisch ziek” zijn (Similes-term tegen de naam en de geest in van hun oorspronkelijke stichtingsopvattingen) of “anders” zijn. VVGG, Uilenspiegel, Similes, VVMD, Zitstil, Liga van de Depressie, enz., enz., doen niet anders dan samen met de farma-industrie mensen zo veel mogelijk stigmatiseren door ze als zieken of anders te beschouwen, U weet wel om welke redenen: 1. veel aan te verdienen; 2. zijn ze van die vervelende sjarels of droevige wijven af; 3. sussen ze hun geweten, want ze doen het voor de anderen ‘hun goed’; 4. kunnen zij zich zelf wél “geestelijk gezond”, niet “zot”, enz. vinden en zijn ze blij dat ze aan de juiste kant zitten. Net hetzelfde als bv. ook een Kristien Hemmerechts, die zich o.i. op een eigenlijk walgelijke manier en zeer hooghartig gedraagt t.o.v. haar ‘geestelijk gestoorde’ (zo komt het toch over) zus.
Tsjonge, wat lopen er in Vlaanderen hooggeschoolde krapulekes en debielen rond die de gewone mens op hun kop kakken!!!
U mag die pipo's, die zich interessant willen maken met in de kijker te lopen met zo’n zottenproject, altijd dit mailtje van ons. Ik denk dat zij in al die jaren psychiatrische verpleging niets geleerd hebben dat een bijdrage kan leveren aan een positieve samenlevingsopbouw. Zij hebben geen enkel inzicht in wat er aan het gebeuren is in onze maatschappij en in de wereld. Misschien hebben zij wel andere kwaliteiten, maar die kunnen ze beter in hun huiskring of in hun kaartersclub realiseren, dan worden er ten minste niet nog meer mensen gediscrimineerd en gedood en tot levenslang gehandicapten of gestigmatiseerden gemaakt!!!
Groetjes,
Saartje
Netwerk:
Juist, Saartje. Heb het doorgestuurd naar die PiPo's. Zoals je een paar maand geleden zei: "Beter is het tegenwoordig zover mogelijk uit de buurt van die psychiaters te blijven." Beter, zot, bizar en "onbegrepen" dan 100% "genezen" of "verklaard en uitgelegd". Of zoals Verhofstadt daarnet op Canvas tegen Rik Torfs zei: "Het is beter dat sommige raadsels niet ontsluierd worden." Hoewel! Maar "hoewel of hoewel niet?": we denken wel niet dat de Arteels en de Rafaëls het niveau hebben om de zin van dergelijke filosofische vragen te begrijpen.
Tot binnenkort,
NPS
psychiatrie en samenleving | 02-02-2008 | 23:45 | Link |
en in ieder geval niet toegepast, toch niet in Vlaanderen. De wijsheid dateert van 2005 (bericht uit Het Laatste Nieuws van 28 april van dat heuglijke niet-schrikkeljaar). Dus ondertussen zal de "ontdekker" van deze psychologische "wet" of "wetenschap" zelf al lang afgedankt zijn en door zijn weldenkende collega's gestopt daar waar hij volgens hen thuis hoort: in het zottenkot vermoedelijk bij de "tien anderen" (zie: sub). Of gewoon bij de open haard met vrouw en kinderen.
Het artikel betrof een onderzoek van een Britse psycholoog, Gill Graham, die tot de bevinding was gekomen dat een beetje goed gek zijn hielp om het ver te brengen in het leven. Succesvolle managers en aanverwanten bleken namelijk beduidend hoger te scoren op de tien klassieke en meest voorkomende persoonlijkheidsstoornissen dan de gemiddelde psychiatrische patiënt die met deze etiketten in psychiatrische ziekenhuizen was verzeild geraakt. Die tien "ziekten" waren: paranoïde personen, schizoïde individuen, ten derde theatrale ("hysterische") persoonlijkheden, vervolgens antisocialen (psychopaten en perverten), "borderliners", "schizotypische" individuen, "afhankelijken", "sociaal angstigen", "narcisten" en tenslotte obsessief-compulsieve personen ("dwangneurotici").

Gill Gragam bleef ook volkomen consequent. Hij adviseerde de bedrijven om werknemers te recruteren die een zekere graad van één of meerdere van deze "stoornissen" vertoonden, om zo zeker te zijn dat hun zaak zou bloeien. Eén en ander is ook aannemelijk en logisch: managers met deze onhebbelijkheden bekleden dikwijls machtsfuncties en kunnen elk pretentieus psychiatertje die hen gek wil verklaren gewoon wandelen sturen. M.a.w. als je een diploma en opleiding hebt die je al direct in een machtspositie brengen op je werk, dan kan je je zottigheden aanwenden om handig andere mensen te benaderen op basis van je kennis van hun kwaliteiten en zwakheden. Een ongeschoolde kan dit natuurlijk niet en zal bij een ietwat overdreven exhibitionisme m.b.t. zijn "ziektes" en bizarreries al snel afgevoerd worden naar één der oorden van de Broeders van Liefde of een andere congregatie of naar een universitaire experimenteel-psychiatrische setting met het label "kwaliteit" en "modern-vooruitstrevend", gewoon omdat men daar één of ander ten goede of ten kwade uitprobeert. Een professionele setting waar "gekken" goed gedijen zijn uiteraard universiteiten en bureaucratieën, al heeft de algemene nivellering van de jongste decennia en het medicamenteus indijken van elke zweem van psychopathologie of 'crisis' bij het jonge meisje of de jonge man heel wat creativiteit en idiote genialiteit (of geniale idiotie) verhindert tot bloei te komen. Vandaar dat wij Vlamingen zo'n harde werkers zijn, maar nooit Nobelprjzen winnen.
Eén troost: als we deze onrechtvaardige behandeling van de "gekken" op basis van hun opleiding als werkelijke wereld moeten aanvaarden, zij het maar als uitvalsbasis. Het zijn doorgaans de middelmatigen, de mediocere gevallen die het meest kans hebben in de psychiatrie "op te lossen". Een ongelikte boer is te koppig om zich zo maar wat door een meneertje met een diploma wat aan te praten in termen van woordjes met Latijns-Griekse wortels; en hooggeschoolden kunnen de psychiater doorgaans retorisch en qua mensenkennis de baas. Terwijl de psychiater zich veertien jaar verdiepte in boeken over neurotransmitters en ganglioncellen, ontnam hij zichzelf zo uiteraard ook de kans iets over anderen en over zichzelf "uit het leven zelf te kunnen grijpen". Kortom: wie noch uitmunt in handenarbeid noch in geestelijke arbeid, maar van beide eigenlijk hooguit een heel klein beetje geproefd heeft (bv. een website kunnen maken maar niets te zeggen hebben om die website inhoudelijk te vullen, of boekhoudingen kunnen invullen zonder begrotingen te kunnen of mogen opmaken, of de tennisballen van Justin Henin te mogen terughalen, maar nooit zelf een tornooi te mogen spelen), dat zijn de prooien van de psychiatrie en van de zorgverstrekkers, van de goeroes en de anesthetici van allerlei slag.
psychiatrie en samenleving | 03-01-2008 | 16:54 | Link |
Het ergste wat de geesteszieken de vorige eeuw overkomen is en in de 21ste eeuw hersteld zal moeten worden:
dat ze dom geworden zijn!
Ze verknippen (op commando, niet eens onder bedreiging van een pistool) kranten, praten mensen na die de pretentie hebben zich übermensch te noemen (een woord dat ze nooit begrepen hebben, die psychiaters in hun leer over het doel van het bestaan) en slaan als een groep apen op een plastic emmer. Dat noemen ze, gesubsidieerd door federale en regionale overheden, CREATIEVE THERAPIE, "zich zelf zijn". Omwille van een invaliditeitsuitkering en de toegang tot "normale" menselijke gevoelens,
zien ze af van hun recht bij de goden gedachten te stelen. En ze betalen 1.000 euro voor hun toekomstige grafzerk met, in een ultiem besef, als inscriptie: "Ze zeiden me dat ik onnozel was, maar eigenlijk was ik eerlijk gezegd gewoon dom!"
psychiatrie en samenleving | 22-12-2007 | 04:06 | Link |
Mijmering en bezinning voor de Eindejaarsdagen:
"Il nous faut alors considérer le sujet comme un champ de tensions dont les pôles antithétiques sont Genius et Moi. Le champ est traversé par deux forces conjuguées mais opposées, l'une qui va de l'individuel vers l'impersonnel, l'autre qui va de l'impersonnel vers l'individuel. Les deux forces cohabitent, s'entrecroisent, se séparent, mais elles ne peuvent ni se diviser totalement ni s'identifier pleinement. Quelle est alors pour Moi la meilleure manière de témoigner de Genius?
***
Vivre avec Genius signifie, en ce sens, vivre dans l'intimité d'un être étranger, se tenir constamment en relation avec une zone de non-connaissance. Mais cette zone de non-connaissance ne correspond pas à un refoulement, elle ne consiste pas à déplacer et à disloquer une expérience de la conscience vers l'inconscient, là où elle se sédimente comme en un passé inquiétant prêt à affleurer en symptômes et en névroses. ... Genius est notre vie même en tant qu'elle ne nous appartient pas."
Giorgio Agamben "Profanations", Paris, Rivages, 2005.
psychiatrie en samenleving | 16-12-2007 | 01:05 | Link |
Het pre-individuele, het pre-persoonlijke (kortom de "geboorte") gaat niet vooraf aan het individu of de persoon, maar als de mens een doel heeft, dan is het precies het pre-individuele, de geboorte, die ons ons ganse leven vergezelt en doorheen onze woorden spreekt. Emoties zijn de manier om met het pre-individuele weer in contact te treden, om de brokken die men van ons gemaakt heeft, weer te lijmen.
Daarom dat de brokkenmakers gevoelloos zijn!
psychiatrie en samenleving | 15-12-2007 | 22:30 | Link |
Zieken en zwakkelingen worden in de samenleving, in elke samenleving, enkel geduld als:
a) ze zichzelf ziek en zwak verklaren, terwijl ze hooguit ongesteld zijn.
b) ze tot profijt kunnen dienen voor ziekenzorgers allerhande (van chirurgen tot moraalfilosofen) en zich door deze ziekenzorgers hun geld afhandig laten maken zodat hun heelmeesters zo snel mogelijk op de bahamas kunnen gaan rentenieren.
De schizofreen wordt pas schizofreen als hij een gediplomeerde specialist van de menselijke ‘geest’ smeekt hem van zijn wanen te verlossen. En de ongestelde vrouw wordt pas ziek als ze de tovenaar gelooft die beweert dan de maan ziekteverwekkend is.
De zwakke is pas zwak wanneer hij erop rekent en eist dat de sterkere met hem solidair zou zijn; wanneer hij, in de hoop zijn zwakte ten gelde te kunnen maken, blind blijft voor de realiteit dat de sterke in die solidariteit alleen zich zelf verrijkt en de zwakke nog zwakker maakt. De zieke of zwakke die zegt: “ik pak zelf mijn lijden aan”, is niet ziek of zwak maar gezond en sterk. En de arme die in het paleis van de rijke baron de gouden kandelaar gaat stelen, is rijker dan die baron, zelfs als hij met lege handen thuis keert. En de rijke is al even arm wanneer hij bang is dat een sukkelaar uit een sloppenwijk erop uit is zijn gouden kandelaren te komen stelen. Terwijl de arme sukkelaar rijkelijk droomt, ligt de rijke de ganse nacht armtierig wakker.
psychiatrie en samenleving | 11-12-2007 | 05:38 | Link |
Zeker reeds driemaal heb ik (in de Engelse vertaling) Giorgio Agamben’s L’Aperto: L’uomo e l’animale (Torino, Bollati Boringhieri, 2002) met grote vertwijfeling gelezen. Het werk “Het Opene: Mens en Dier” bestaat niet in Nederlandse vertaling - wel in het Engels “The Open: Man and Animal” (Stanford California, Stanford University Press, 2004), het Frans “L'Ouvert: De l'homme et de l'animal” (Paris, Rivages, 2002) en ook in het Duits “Das Offene: Der Mensch und das Tier” (Frankfurt am Main, Suhrkamp Verlag, 2003). Agamben (1942- ), één der grootste filosofen van deze tijd, maakte eerst naam op diverse eerder gespecialiseerde terreinen zoals de Middeleeuwse esthetica, maar hij heeft zich sinds 1990 vooral ontpopt als politiek filosoof en criticus van wat tegenwoordig politiek aan de orde is (zo zegde hij zijn speciaal hoogleraarschap aan de universiteit van New York op uit protest tegen de nieuwe "veiligheidsmaatregelen" van de regering Bush: vingerafdrukken en irisscans voor alle passagiers die het territorium van de USA betreden). Hij is een groot kenner van Martin Heidegger (hij volgde in zijn jonge jaren diens seminaries) en Walter Benjamin, maar hij beheerst eigenlijk het ganse spectrum van wat de laatste decennia filosofisch aan de orde is in Frankrijk, Duitsland en Italië. Misschien kunnen we zijn denken best zien als geconcentreerd niet op het “zijnde”, maar op de “potentialiteit”, kortom op de “mogelijkheid”.
In “Het Opene: Mens en Dier” vertrekt Agamben van een Joodse miniatuur uit de 13de eeuw waarbij de Rechtvaardigen op de Dag des Oordeels afgebeeld staan als mensenlichamen met dierenhoofden, om zich te bezinnen over de vraag of de “mens” bij het Einde der Tijden, als de Geschiedenis is voltooid en de mensheid haar historische opdrachten heeft volbracht, weer “dier” zal worden. Hij eindigt dan met een magistrale analyse van Heidegger’s opvattingen over het wezensverschil tussen mens en dier zoals Heidegger die in zijn filosofiecursussen en in honderden pagina’s wereldkundig maakte. Voor Heidegger blijft de wereld voor het dier gesloten, hij is in de “ban” van zijn Umwelt, erdoor geboeid (in de boeien), maar deze Umwelt openbaart zich niet aan het dier, ze opent zich niet voor het dier: “zelfs de leeuwerik kent de openheid van de hemel niet”. De mens daarentegen heeft toegang tot het verborgene en het gesluierde (het Griekse filosofische woord voor ‘waarheid’ is alètheia, d.i. zonder sluier): hij heeft een wereld die zich aan hem openbaart. Vanuit deze visie van Heidegger poogt Agamben in zijn boek dan een perspectief te bieden op de toekomstige verhouding tussen het dierlijke en het menselijke in de “mens”.
Nu, bij deze derde of vierde herlezing van L’Aperto schreef ik vóór het aanvatten van de twee slothoofdstukken volgende bedenking:
“De ganse gezondheidsindustrie en welzijnszorg herleiden onze menselijkheid tot haar dierlijke grond. Wij zijn "geboeid" (in de boeien beslagen) zoals de mot, geboeid, zich verbrandt aan de vlam waar ze geen weet van heeft of zoals vliegen die rond een lamp cirkelen. Zo ondergaan wij geboeid onder verdoving een chirurgische ingreep op ons lichaam als dierlijk leven; evenzeer verdooft de therapeut al wat “van nature” menselijk in en aan ons is, hij "boeit" ons als hulpeloze hulpvragers om ons als een dier terug de wildernis in te sturen. En net zo verdooft de globale wereldeconomie ons tot werkers die geboeid zijn door wat ze voortbrengen maar er tegelijk geen weet van hebben, zoals dwaze koeien, geboeid door de melkmachine, geen weet hebben van de kaas die met hun melk wordt gemaakt.
We vliegen allemaal als muggen tegen een lamp die haar wezen niet openbaart.”
Maar Giorgio Agamben is niet zo pessimistisch als wij hier. Hij biedt in zijn conclusies twee scenario’s aan. Hij gaat uit van de stelling dat in onze cultuur het doorslaggevende politieke conflict dat alle andere conflicten overheerst, dat is tussen de dierlijkheid en de menselijkheid van de “mens”. Of met andere woorden: in zijn oorsprong is de Westerse politiek in wezen wat Michel Foucault biopolitiek noemde. Biopolitiek slaat op de toenemende verwikkeling van het natuurlijke leven in de mechanismen en de berekeningen van de (soevereine) macht. Praktisch kunnen we in ons hypertechnologisch tijdperk de biopolitiek misschien best omschrijven als de beheersing van het verborgen onuitspreekbare “mysterie” van het leven en de omvorming ervan tot een logisch-rationeel gekende, “volledig open” en voorspelbare machine. We merken inderdaad dat met de moderne tijden alle wetenschap politiek is geworden. Foucault gaf zelf het voorbeeld van de seksuologie die niet is opgezet om het seksuele te begrijpen maar om het te beheren en te beheersen. Zo ook is de psychologie verworden tot een reeks dressuurtechnieken waarbij de doelen voor de gedresseerden verzwegen worden. De biologie en de geneeskunde nemen steeds meer de allure aan van een ontwerp van het lichaam op basis van anorganisch materiaal en zuiver mechanische implantaten. En de sociologie heeft steeds te horen gekregen dat ze weinig meer was dan de waan van een elite die hoopte een samenleving of beter een "maatschappij" op te bouwen zonder dat haar ordeningsprincipes doorzichtig waren voor de samenlevingsleden. Kortom: wetenschap is (bio)technologie, en een wezenlijk onderdeel van een biopolitiek die greep wil krijgen op het leven en dat leven compleet voorspelbaar wil maken door elk “toeval”, elk “accident” uit te sluiten.
Agamben formuleert dan twee scenario’s:
1. de posthistorische mens (posthistorisch in die zin dat de mensheid na het nationalisme en het imperialisme, i.e. de globalisering, geen historische taak meer heeft) behoudt zijn dierlijkheid niet langer als een niet te onthullen en onopenbaarlijk gegeven, maar beoogt het tegen deze dierlijkheid op te nemen en deze zo door middel van de technologie te beheersen doorheen een totale bemeestering en onderwerping van de Natuur.
2. de mens, als schaapherder van al het zijnde, neemt zijn natuurlijke verborgenheid en zijn dierlijkheid in zich op, zodanig dat deze dierlijkheid niet langer voor hem gesloten en verscholen blijft. En in dit perspectief herleidt de mens zijn dierlijkheid niet tot een voorwerp van bemeestering, maar denkt en aanvaardt haar als dusdanig, zoals ze werkelijk is. Zijn dierlijkheid wordt prijsgegeven, is "open en toegankelijk", m.a.w. krijgt toelating (Italiaans “abbandonamento”; Oud-Frans “à bandon”= prijsgegeven, voor ieder toegankelijk, "vrij", met permissie). De mens laat zijn dierlijkheid toe: let it be!
Walter Benjamin, de Joodse-Duitse marxistische cultuurfilosoof (1892-1940), die met dezelfde problematiek worstelde, bekeek de zaak nog anders en kwam tot het idee van de Geredde Nacht. Hij ziet zoals Heidegger de natuur als de wereld van de geslotenheid (Verschlossenheit) en van de “nacht”, terwijl hij de geschiedenis daartegenover stelt als de sfeer van de “openbaring” (Offenbarung). Maar tot deze gesloten wereld rekent Benjamin ook ideeën en kunstwerken. Kunstwerken omschrijft hij als: “modellen van een natuur die niet wacht op de dag, en dus ook niet wacht op de Dag des Oordeels; zij zijn de modellen van een natuur die noch het theater van de geschiedenis is noch de woonplaats van de mens. De geredde nacht [Die Gerettete Nacht]."
Maar uit Agamben en Benjamin leren we hetzelfde: om een menselijke toekomst als mens veilig te stellen moet “iets” gered worden uit de handen van de biopolitiek die het levende leven dreigt om te vormen tot dood leven, zonder dat we echter terug moeten vallen in de staat van motten die zich verbranden aan de vlam!
psychiatrie en samenleving | 27-11-2007 | 00:54 | Link |
[Bron: NRC-Handelsblad 30/10/2007]
Illustratie Lobke van Aar
Schrijvers maken de taal en daarmee het leven
Zonder Jan Wolkers bijvoorbeeld, zouden we nauwelijks een zinnig woord over seks kunnen wisselen
Gepubliceerd: 30 oktober 2007 00:00 | Gewijzigd: 30 oktober 2007 10:37
Wie de taal kan veranderen, verandert ook de mens en de wereld zoals die door mensen wordt waargenomen. Zonder schrijvers zou veel onbespreekbaar blijven.
Door Arnold Heumakers
Wie zouden we zijn geweest zonder Jan Wolkers? Misschien hadden we dan wel geleken op Florence en Edward, de hoofdpersonen van On Chesil Beach, de beeldschone kleine roman waarmee Ian McEwan twee weken terug de Man Booker Prize niet won – het was een week van verliezen.
McEwan beschrijft hun eerste huwelijksnacht, die zo rampzalig verloopt dat het huwelijk meteen wordt ontbonden, ongeconsumeerd, als we Edwards fatale ejaculatie even niet meerekenen.
Natuurlijk is niet iedere vrouw een Florence, die al gruwt van woorden als ‘binnengaan’ en ‘penetreren’ en die na Edwards voortijdige hoogtepunt vol walging het strand op rent. Maar hun grootste probleem, daar laat McEwan geen misverstand over bestaan, is dat ze er met elkaar niet over kunnen praten. De taal om hun seksuele mismatch (haar afgrijzen, zijn onhandige gretigheid) ter sprake te brengen zonder het probleem te vergroten moest nog worden uitgevonden.
In Nederland is Jan Wolkers een van de uitvinders geweest. Niet omdat hij een literaire propagandist van de NVSH was of omdat het in zijn werk alleen maar om seks ging (de typisch calvinistische doodsdoem is veel belangrijker), maar omdat seks op een vanzelfsprekende manier bij de wereld van zijn personages hoorde. En omdat hij er woorden voor vond, woorden die nu heel gewoon klinken, maar destijds de jonge lezers rode oortjes bezorgden.
‘Herman sloeg haar rok omhoog, deed haar broekje naar beneden en trok met zijn tong een slakkespoor over haar billen’ (Serpentina’s pettycoat) of ‘Langzaam ging hij heen en weer door die warme vochtige voor tussen dat haar’ (Kort Amerikaans). Zo deed je dat dus, zo sprak je erover. Net als bij Jan Cremer (die raadselachtige ‘flipstand’) en G.K. van het Reve (‘geheime opening’, ook al zoiets) hebben zulke ‘schuine’ passages in het werk van Jan Wolkers hun effect niet gemist.
Dat effect wordt sindsdien ook wel de ‘seksuele revolutie van de jaren zestig’ genoemd, een omwenteling die pal op de huwelijksnacht van Florence en Edward (gesitueerd in 1962) volgde. Ze waren net te vroeg, dat is hun pech. Hun lot bewijst hoe belangrijk het moment in de geschiedenis kan zijn – in hun geval beslist het over een heel leven. Vandaar dat bijna alle aandacht in het boek uitgaat naar die huwelijksnacht, terwijl de rest (het vervolg van Edwards leven vooral; Florence sluit zich op in een ijspaleis van klassieke muziek en daar valt blijkbaar veel minder over te melden) in een paar snelle bladzijden wordt afgehandeld.
De seksuele revolutie was vanzelfsprekend niet alleen een zaak van de literatuur. Minstens zo belangrijk waren de toegenomen welvaart, de pil en de in een stroomversnelling geraakte ontkerstening. Niets en niemand staat helemaal op zichzelf. Iedereen is een kind van zijn tijd, maar schrijvers en dichters kunnen er soms ook bovenuit stijgen en hun tijd richting geven. Dat dit juist voor schrijvers en dichters geldt, geeft het belang aan van de taal voor onze identiteit. Ervaringen worden, zonder dat we daar veel erg in hebben, geleid door woorden; zelfs gevoelens hebben taal nodig, zodra we ze articuleren of zelfs maar tot ons bewustzijn laten doordringen. Wie wij zijn wordt in verregaande mate bepaald door de taal. Dus wie de taal kan veranderen, verandert ook de mens en de wereld zoals die door mensen wordt waargenomen.
Zo’n verandering was de grote ambitie van de twintigste-eeuwse avant-garde, die met een nieuwe literatuur (die geen ‘literatuur’ meer mocht heten) een nieuwe mens en een nieuwe wereld hoopte te creëren. Het ging erom ‘het leven te veranderen’, zoals Rimbaud al in de negentiende eeuw had geschreven. Maar lees je nu de vaak verbluffende teksten van futuristen, dadaïsten of surrealisten, dan blijft het eerlijk gezegd een raadsel hoe iemand ooit heeft kunnen geloven dat hieruit een nieuwe mens en een nieuwe wereld zouden voortkomen. De breuk met het gangbare taalgebruik is te groot en wat de avant-gardisten schrijven blijft – onbedoeld – te ‘literair’ om buiten de kring van ingewijden diepe indruk te maken. Zou iemands leven zijn veranderd door een klankgedicht van Hugo Ball of een staaltje écriture automatique van André Breton?
Er is geen reden om iemand daar een verwijt van te maken, dichters noch publiek. Veranderingen hebben doorgaans niet zo’n revolutionair, apocalyptisch verloop. De verandering die de literatuur wel degelijk bewerkstelligt door steeds nieuwe woorden, nieuwe beelden, nieuwe verhalen de wereld in te sturen, is minder spectaculair, maar des te effectiever. Zie Jan Wolkers en de zijnen.
Maar Ian McEwan herinnert eraan dat er toch altijd ook een beslissende grens bestaat, iets wat Florence en Edward tot hun verdriet mogen ondervinden. Had hun bruiloft een paar jaar later plaatsgevonden, dan waren ze misschien nog altijd getrouwd geweest. Met dank aan de Britse Wolkersen. On Chesil Beach beschouw ik als een originele apologie van de literatuur en haar maatschappelijk belang – niet doordat McEwan de lof van een nieuwe taal zingt, maar doordat hij laat zien wat er kan gebeuren als die taal ontbreekt.
De avant-garde geloofde niet alleen in de revolutionaire komst van een nieuwe mens en een nieuwe wereld, maar ook dat daarna alle problemen van de moderne beschaving zouden zijn opgelost. Op die pretentie kunnen schrijvers als Wolkers geen aanspraak maken en dat hebben zij ook nooit gedaan. Het is de vraag of problemen ooit opgelost worden – voor hetzelfde geld zouden Florence en Edward na een paar jaar kunnen scheiden. In elk geval hebben oplossingen de vervelende neiging bijna altijd nieuwe problemen in het leven te roepen. Het houdt nooit op.
Dezer dagen is de vreugde over de seksuele revolutie omgeslagen in bezorgdheid over de ‘seksualisering’ van de samenleving. Om daarin verandering te brengen zijn weer nieuwe woorden nodig. Van Jan Wolkers zullen ze niet meer komen, andere schrijvers moeten de fakkel overnemen. Ook dat houdt nooit op. Alleen de hoop en de verwachting van de avant-garde zie ik niet zo snel terugkeren. Haar grote vergissing was te denken dat literatuur de problemen oplost. Soms lijkt zij dat inderdaad te doen, zoals in de jaren zestig. Maar Ian McEwan suggereert, door er achteraf een roman over te schrijven, hoe de verhoudingen op de langere termijn liggen: literatuur lost problemen niet op, zij leeft ervan.
psychiatrie en samenleving | 30-10-2007 | 17:03 | Link |
Tana Dineen (doctor psychologie; http://tanadineen.com/) was één der eerste psychologen die, op basis van haar eigen beroepservaring, de groeiende verstikkende en meer en meer totalitaire impact van de als wetenschap voorgestelde psychologie aankloeg. Dat deed ze reeds in 1996 in haar provocatief boek, waarin ze als 'dissidente psycholoog' zowel het openlijke als meer subtiele machtsmisbruik van psychologen bloot legde:
Manufacturing Victims:
What the Psychology Industry is Doing to People
(Robert Davies Multimedia Publishing, Montreal-Toronto-Paris, 1996; herziene editie 2001).
Hier een introductie:
Introduction to Manufacturing Victims
| It is not news to say that psychology has become an influential force in our culture, or that our society is becoming more and more filled with people who consider themselves victims of one sort or another.
No matter where we turn, we find the effects of a psychology industry. Its influence extends into all aspects of our lives, telling us how to work, to live, to love and even to play. We are confronted by psychologists expounding their theories on the endless list of programs from Oprah and Larry King, to the news journals and tabloids, to the 're-caps' of celebrity trials or to the discussions of post traumatic stress disorders after disasters.
Meanwhile, people who are anxious, a bit unhappy or just bored are turning more and more to psychology services. Some do this through weekly appointments; some do it by frequenting seminars and workshops; some do it by endlessly buying books on 'abuse,' 'adult children,' 'trauma and stress,' and 'recovery;' all in the pursuit of an elusive experience held out, like a candy or a pot of gold, by the psychology industry.
What is news is that psychology is manufacturing most of these victims, that it is doing this with motives based on power and profit, and that the industry turns these people into dependent 'users' with no escape from their problems.
The Recovered Memory/False Memory controversy which now rages is only the tip of the ice-berg of a far larger business in fabricated victims. While we have become used to hearing about all sorts of victims, from those of sexual harassment and verbal abuse, to those of 'dysfunctional families', divorce, academic discrimination, even vacation cancellation and home renovation, we have not yet paid attention to the psychological techniques which are being used to create and cater to these 'victims.' Nor have we noticed how it is the psychologists who are benefiting in the end from this victim-making, while the industry grows in power and affluence, as it creates a market dependent on its services.
Psychologists present themselves as concerned and caring healers working for the good of their clients, but the effects are damaged people, divided families, distorted justice, destroyed companies, and a weakened nation. This book describes the psychological industry: its sales and marketing, its public image and private motives, its power and weakness, as it manufactures victims.
Manufacturing Victims is a "must read" for anyone who is a 'victim'; a friend or relative of a 'victim'; someone blamed or accused by a 'victim'; or interested in or considering psychotherapy. Find out what the Psychology Industry won't tell you and doesn't want you to know.
|
psychiatrie en samenleving | 29-10-2007 | 12:31 | Link |
Dat ouders zich zonder veel kritische zin maar laten vervangen door een "expert-mensenkenner" waarbij een gratis gesprek ouders-kind plots een commerce wordt, mag ook blijken uit onderstaand artikel uit De Volkskrant Nederland van vandaag.
Zelf inkopen zorg: 1,5 miljard
Van onze medewerkster Jet Bruinsma
Amsterdam - De uitgaven voor het persoonsgebonden budget (pgb), waarmee burgers zelf een hulpverlener kunnen inhuren, zijn in een jaar tijd met meer dan 30 procent gestegen, van 1,1 miljard euro begin dit jaar naar 1,5 miljard euro nu. Dit blijkt uit gegevens van het College voor zorgverzekeringen (CVZ). In totaal krijgen 80 duizend personen (ouderen, gehandicapten, chronisch zieken) een pgb.
De stijging van 350 miljoen euro is volgens de vereniging van budgethouders (die het geld ontvangen) mede te verklaren doordat steeds meer ouders van kinderen met psychiatrische stoornissen een pgb krijgen voor thuisbegeleiding. Zo willen ze voorkomen dat hun kind terechtkomt op de lange wachtlijst bij een instelling voor jeugdggz (ggz: geestelijke gezondheidszorg).
Om te voorkomen dat kinderen op de wachtlijsten belanden, wijzen Bureaus Jeugdzorg en de jeugdggz de ouders op het pgb. Ouders vinden ook vaak zelf de weg via een van de vele pgb-adviesbureaus. Deze zogeheten ondersteunende begeleiding kost 45 euro per uur.
Het persoonsgebonden budget werd in 1995 ingevoerd door Erica Terpstra, de toenmalige staatssecretaris voor Volksgezondheid.
Het geld komt uit de kas van de AWBZ, de volksverzekering voor langdurige zorg, zoals verpleeghuizen en (jeugd)ggz, waar 22 miljard euro in omgaat.
Wie een pgb aanvraagt, moet daarvoor een indicatie hebben van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) of het Bureau Jeugdzorg. De zorgverzekeraar, die het budget uitkeert, stelt dat als voorwaarde. Over de eerste 2.500 euro van het pgb hoeft geen verantwoording te worden afgelegd aan de verzekeraar, over het meerdere wel.
De populariteit van het pgb groeit snel, mede doordat er geen limiet voor geldt. Voor de hulp door instellingen, zoals verpleeghuizen en de jeugdggz, geldt wél een financiële grens. Ondersteunende begeleiding is een van de typen zorg waarvoor burgers een pgb kunnen krijgen; maar ook een logeerhuis kan ermee worden betaald.
Staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid is voorstander van het pgb, maar ze maakt zich zorgen over de stijgende kosten van de AWBZ. Binnenkort komt ze met voorstellen.
psychiatrie en samenleving | 09-10-2007 | 11:13 | Link |
"Zwarte homo's mentaal sterker"
De mentale gesteldheid van zwarte homo's is beter dan die van blanke homo's of latino's. Dat blijkt uit een onderzoek van de Colombia Universiteit in New York waarover The Times zondag berichtte.
De studie onder honderden Amerikaanse homo's toont aan dat homoseksuelen met een donkere huidskleur aanzienlijk minder last hebben van geestelijke problemen dan blanke gelijkgeaarden.
Volgens dr. Illan Meyer, die het onderzoek leidde, komt dit doordat zwarte homo's over het algemeen eerder leren om te gaan met vooroordelen en discriminatie dan de blanke geïnterviewden. De studie toonde aan dat vooral jongere zwarten minder last hebben van geestelijke problemen. Die komen juist het meest voor bij blanke homo's van 45 tot 59 jaar.
De volledige resultaten van het onderzoek worden volgende maand in de American Journal of Public Health gepubliceerd. (anp/dm)
psychiatrie en samenleving | 09-10-2007 | 01:00 | Link |
De Zevende Dag. Nog eens dat verhaaltje dat anorexia het gevolg is van het schoonheidsideaal dat meisjes "via 250.000 beelden voor hun 16de" ingelepeld krijgen. En Dove die een gat in de markt voor haar zeep en andere producten vindt door de zwaarlijvigen te charmeren, ruikt ook toch maar in de eerste plaats geld. Wat een zielige ondeskundige bedoening. Er is op de VRT nog nooit één ernstig programma over anorexia geweest. En gewis heeft die Séverine van Dove geen enkele vriendin die anorexia is of geweest is, anders zou ze wel anders praten. En het is overigens pas sinds een paar jaar dat een bende lelijke vrouwen gehoor hebben gevonden, vooral in Vlaanderen, om hun jaloerse pijlen te richten op cat walk mannequins. Alsof alle vrouwelijke schoonheidsidealen, neem maar Claudia Schiffer, zo graatmager zijn!
En de hypocrisie komt er natuurlijk wanneer men een uur later gaat afgeven op mensen die zich met hamburgers obesitas eten. Hoe dan ook, zwaarlijvigheid is even gevaarlijk als anorexia en het aantal obesitaslijders en de maatschappelijke kost die ze betekenen, is 1000 maal hoger dan het aantal anorexiameisjes en de ellende en sociale kosten eraan verbonden. En hoe dan ook zich wijsmaken dat vrouwen en ook mannen moeten ophouden zich mooi te maken, is niet alleen irrealistisch, je zou ook snel de VRT-omroepsters horen afgeven op al die meisjes die hun haar niet kammen.
Vlamingen kunnen het nu eenmaal niet laten aan zedeprekerij te doen, zeker nu we als Vlamingen bijna "onafhankelijk" zijn. Anorexia is simpel weg veroorzaakt door Elio di Rupo en de PS! Of sinds 10 juni door de graatmagerigheid van Joëlle Milquet.
psychiatrie en samenleving | 07-10-2007 | 12:04 | Link |
Franse filosoof-journalist André Gorz pleegt zelfmoord (24-09-2007)

De 84-jarige Franse filosoof, socioloog en journalist
André Gorz, medestichter van het tijdschrift
Le Nouvel Observateur, heeft zich samen met zijn chronisch zieke 83-jarige echtgenote Dorine maandag van het leven beroofd in hun woning te Vosnon (departement Aube).
Gorz, wiens echte naam Gérard Horst luidt, werd geboren in februari 1923 in Wenen, als zoon van een joodse postzegelhandelaar en een katholieke moeder. Hij werd in 1954 tot Fransman genaturaliseerd. Gorz bewoog zich lange tijd in het vaarwater van Jean-Paul Sartre, en verwierf bekendheid als existentialistisch marxist, voor wie de individuele autonomie een hefboom betekende tot maatschappijverandering. Tot zijn bekende boeken behoren
Le Traître,
Ecologie et politique,
Ecologie et liberté en
Métamorphoses du travail, waarin hij fel van leer trok tegen de uitwassen van het kapitalisme en pleitte voor een radicale ecologie. Gorz was ook sterk beïnvloed door de denkers van de Frankfurter Schule. Hij debuteerde als journalist bij
Paris-Presse, waarna hij in 1955 onder dak werd genomen door Jean-Jacques Servan-Schreiber bij
L'Express. In 1964 stichtte hij onder de naam Michel Bosquet en samen met Jean Daniel
Le Nouvel Observateur. Gorz was een van de denkende boegbeelden van mei 1968, al betekenden de gebeurtenissen ook een ruptuur in zijn filosofische premisses. Hij behoorde eveneens langdurig tot de redactie van het sartriaanse tijdschrift
Temps Modernes. Later nam hij geleidelijk meer afstand van het marxisme, onder andere met het ophefmakende
Adieux au prolétariat uit 1980. In het ontroerende
Lettre à D. Histoire d'un amour sloeg Gorz vorig jaar een heel ander register aan en betuigde hij op een aparte manier zijn liefde voor zijn toen al zwaar zieke echtgenote, een boekje dat uitgroeide tot een geheimtip. Enkele dagen voor zijn zelfmoord had Gorz in een brief aan een vriendin zijn verdriet over de verslechterende gezondheidstoestand van zijn echtgenote, die ook aan kanker leed, nogmaals geëxpliciteerd. Na de zelfmoord werden ook brieven aan nabestaanden aangetroffen.
psychiatrie en samenleving | 30-09-2007 | 05:41 | Link |
Das Elend der Psychologie
Wij moeten ons eerst en vooral realiseren dat de moderne studie van de mens als levend wezen in wezen zijn vlucht heeft genomen in de anatomische studie van lijken, doorgaans van opgehangen vogelvrijverklaarde misdadigers. De anatomie, met onze Andreas Vesalius (16de eeuw) als pionier, heeft het heersende mensbeeld even diepgaand gerevolutioneerd als Copernicus dat deed met betrekking tot ons beeld over de plaats van de aarde in het zonnestelsel en het heelal. De anatomie introduceerde het beeld van het levende wezen als een verzameling mechanisch verbonden organen, een mechaniek, een radersysteem zoals een uurwerk (dat in de vroege Moderniteit als designproduct een bijzonder hoge culturele status genoot), zoals de fysica van Newton het heelal als een mechaniek voorstelde. Voor de atheïstische materialisten van de 18de eeuw hoefde aan deze mechaniek zelfs geen ordenend principe (‘God’) meer ten grondslag te liggen en Marquis de Sade verwoordde zelfs een universum waarin de lichaamsorganen kunnen ‘bewerkt’ en gefolterd worden zonder dat de ‘rest’ van het lichaam daarvan enige hinder ondervindt (laat staan zoiets als de ‘geest’). Het levende lichaam werd een object zonder enige subjectiviteit, een volledig op zichzelf besloten systeem. Zag de Oosterse filosofie de ademhaling nog als organiserend principe van het lichamelijke metabolisme en bevestigde zij daarmee de eenheid tussen lichaam (als binnenruimte) en het Al (als allesomvattende ruimte), dan doken met de Moderniteit beelden op van puur interne centraliserende principes die bovendien ook nog hiërarchisch werden opgevat: eerst de bloedsomloop met het hart als ‘chef’ en later het zenuwstelsel met het brein als ‘chef’. Het paradigma van de anatomie veroverde snel het geheel van onze mensvoorstellingen: de geest werd beschreven als een verzameling van geïsoleerde vaardigheden (indertijd faculteiten genoemd) en kenniselementen. Verder vond de anatomie haar weerspiegeling in de decompositie van de lichaamshouding en de beweging tot een stel elementaire spiersamentrekkingen. Het 20ste fabriekstaylorisme en de analyse van de arbeid in haar meest elementaire gedragsonderdelen (de ‘therbligs’ in de time-and-motion studies van het Amerikaanse ingenieursechtpaar Frank en Lillian Gilbreth – ‘zoek’, ‘grijp’, ‘hou vast’, ‘voeg samen’, ‘til op’, ‘zet neer’, enz.; ontworpen plusminus 1910-1930) vormen hiervan nog een dramatische echo.
De tegenwoordige middle-of-the-road breinwetenschappers (en hun epigonen van de biologische psychiatrie) bekijken de hersenen nog steeds vanuit dat anatomische paradigma en zijn nog nauwelijks ‘besmet’ door het nieuwe (het woord avant-garde bestaat niet meer in het Westers denken) schuim- of mousseparadigma dat zowel in de natuurwetenschappen (astronomie, biologie) als in de sociale wetenschappen aan het oprukken is. Schuim (of mousse) is een niet-hiërarchisch en centrumloos stelsel met een veelheid van eenheden, dat ontstaat wanneer lucht binnendringt in vaste en vloeibare stoffen waarvan de cellen verbonden én tegelijk gescheiden zijn door filmachtige wanden: dit geldt zowel voor het schuim van de zee en voor badschuim als voor schuimrubber, piepschuim en metaalschuim. De voorstelling van levende systemen, samenlevingseenheden, politieke structuren en artistieke creaties op basis van deze schuimmetafoor bevindt zich nog in het stadium van de prototypes, maar diverse fenomenen gaande van klimaatgereguleerde ruimtes, stadswijken, eigentijdse poëzie, multimediale creaties, de relaties tussen reizigers in een metrostel, muziekfestivalgemeenschappen en terroristengroeperingen kunnen als schuim bekeken en ontworpen worden. Hier en daar wordt de 21ste eeuw al omschreven als de century of foam (‘de eeuw van het schuim’). Het hoeft geen betoog dat in een beschrijving van bewustzijns- en handelingsstromen of van samenlevingseenheden in schuim-wetenschappelijke of afrologische termen (Grieks aphros = schuim; cf. Aphrodite = de uit het schuim geboren godin) taal als verbindende én scheidende ‘wand’ een centrale rol zal spelen. Een begrip zoals solidariteit (dat verwijst naar een vaste solide substantie) zal bij voorbeeld in een substantieloze schuimconceptie een volledig nieuwe invulling en verwoording krijgen. Ik kom daar nog uitvoerig op terug. Laten wij nu terugkeren naar ons verhaal over de moderne psychologie als een wetenschap gestoeld op de liquidatie van het sprekende subject.
Het anatomisch en analytisch zoeken naar de kleinste eenheid die zich in het geheel waarvan het een deel vormt zou weerspiegelen (quarks, gluonen en andere subatomaire partikels in de fysica, genen in de biologie, het egoïstische ‘autonome’ individu van de liberaalburgerlijke maatschappijopvatting in de sociologie en politicologie) is uitgemond in een arrogant denken dat ‘wetenschappelijk’ wordt genoemd, maar elke poging tot vatten van het geheel afdoet als middeleeuwse religie en zelfs prehistorisch animisme. Weliswaar heeft het ‘opensnijden’ van alles wat open te snijden viel op vele vlakken uitzonderlijke successen behaald (in de geneeskunde, meer bepaald de chirurgie), op andere vlakken heeft het model totaal gefaald. De preventieve geneeskunde is in wezen een fiasco geworden en nog nooit waren er zoveel ‘ziektes’ als vandaag: elke afwijking van de ‘anatomische’ norm wordt tegenwoordig als ziekte geduid en navenant behandeld. Last hebben met overgewicht is Body Dysmorphic Disorder (BDD) geworden en er teveel en te langdurig geil bijlopen (maar wat is teveel? en wie beslist daarover?) staat momenteel geboekstaafd als Persistent Sexual Arousal Syndrome (PSAS). In het bijzonder de psychiatrie heeft de mensen met meer iatrogene (d.i. door de behandeling zelf teweeggebrachte) gezondheidsproblemen opgezadeld dan ze opgelost heeft. De heelkunde (het maken en het realiseren van een ‘geheel’) is geneeskunde geworden. ‘Genezen’ betekent etymologisch ‘terugkeren naar het punt van waar men vertrokken is, herstellen, repareren’, de terugkeer naar de status quo ante, de toestand vóór de ziekte. In het psychische domein is zo’n terugkeer natuurlijk logische idiotie: de ‘psyche’ kan nooit terugkeren, tenzij men deze ‘psyche’ opsluit in een soort gevangenis en deze ‘psyche’ belet te leven, zich te ontwikkelen, zich te bevrijden.
De Moderniteit gestoeld op het opensnijden, verdelen en vierendelen van gehelen, is al snel verzand in het moeras van een in filosofische termen vruchtbare en boeiende dialectiek tussen nihilisme en fascisme, een dialectiek die in geschiedkundige en gewoon-menselijke termen echter de vorm heeft aangenomen van een bijzonder wrede permanente wereldoorlog die nu al twee eeuwen duurt (al heeft Europa nu zelf wel vijftig jaar lang zijn oorlogen naar andere continenten kunnen exporteren), van burgeroorlogen en nooit geziene criminaliteit in al zijn vormen. Het nihilisme van de anatomie, van de ontbinding en desintegratie van alles wat een samenstel of samenspel vormde, dit hyperindividualistische nihilisme schiep een wereld waarin een fragment geen fragment meer is, maar een vrij zwevend volmaakt ding; waarin een blad van een plant niet langer een plantenblad is maar als een stuk tot conceptuele kunst verheven Das Ding aan de verbijsterde goegemeente wordt gepresenteerd; waarin een pagina van een boek een los vel papier wordt met wat streepjes en krullen op; waarin de enkeling zich als een van de boom geplukte appel in een mand naar de markt laat brengen en zich aan de meestbiedende verkoopt als een energie- en arbeidsreservoir, enzovoort. Dit nihilisme leverde ons wel prachtige kunstwerken waarvan enkele als dode trofeeën opgehangen worden in al even doodse musea en de meeste in eenzelfde steriele sfeer in de kantoren van bankiers en andere magnaten om daar de status van hun eigenaar op zijn afgunstige bezoeker af te laten stralen. In deze nihilistische wereld is spreken echter zinloos en absurd: de ander zal je toch nooit begrijpen en evenmin kun jij de ander begrijpen. Tussen twee in zichzelf opgesloten wezens die elkaar dan nog als voorwerpen behandelen, kan elk gesprek slechts uitlopen op een misverstand. Op vormen van wat men tegenwoordig intrafamiliaal geweld zou kunnen noemen.
Dat ware nog geen echte ramp indien dat nihilisme zijn schaduw niet creëerde in de vorm van een totalitair fascisme (inbegrepen de stalinistische hertekening van het emancipatorisch marxisme) dat als een tegenpool van het nihilisme de rechten van het deel, van het enkelvoudige, van het eenmalige, van de enkeling dus, totaal ontkent en alles opoffert aan de megalomane totaalidee van Ras, Natie, Volk en Staat (of Goddelijke Orde, Partij, Socialistische Idee en nog meer van dat verbaal fraais dat met een hoofdletter wordt geschreven). Dat fascisme zuigt nu nog altijd bij elke maatschappelijke crisis grote delen van wat wij tegenwoordig de christen- en sociaal-democratie noemen in zich op. Wat het nihilisme kunst noemt, noemen de fascisten ontaarding en degeneratie van ras en volksgeest. En ook in het fascisme is spreken niet aangewezen: je wordt zo goed begrepen dat je onmiddellijk wordt gemolesteerd of geëxecuteerd. En wat de Führer en de Grote Leiders doen, kun je nog amper spreken noemen. Het spreken is verworden tot een geritualiseerd Befehl ist Befehl! De vragen die de Leider aan zijn Volk stelt, beantwoordt hij steeds zelf, liefst van op een balkon. Dit fascisme zou het nihilisme een lesje leren. En zoals gezegd de meedogenloze gevechten tussen nihilisten en fascisten onder en tegen elkaar hebben omzeggens geen morzel grond van deze planeet onaangeroerd gelaten en al wat op aarde leeft de stuipen op het lijf gejaagd, van de bladeren aan de bomen tot het ijs op de Noordpool.
U zult zeggen: wat heeft die historiek van nihilisme en fascisme met psychologie te maken en de wijze waarop ze in haar onderzoek en beroepspraktijk al of niet rekening houdt met de spraakvaardigheid van de onderzochte of de cliënt? Wel, heel veel eigenlijk. Wat aan de orde is, is niet meer en minder een crisis van het humanisme dat doorheen de Verlichting vorm kreeg en waarbij zich sinds het fin de siècle van de vorige eeuw (sinds ongeveer 1880) een verraderlijk antihumanisme heeft ontwikkeld. Dit Verlichtingshumanisme is niet meer houdbaar, maar wat deze onhoudbaarheid als tegenkrachten heeft opgeroepen in steeds nieuwe en verfijnde vormen is evenzeer onhoudbaar want mens- en wereldvernietigend. Dit humanisme ging uit van een dualistisch onderscheid tussen het dierlijke en het menselijke, een kloof tussen het animale en het goddelijk/geestelijke, niet als een ontologisch onderscheid tussen wat het is te leven en te spreken maar als een onoverbrugbaar moreel dilemma tussen duivel en God. Het humanisme stelde dat het Ego, ons ‘Ik’ of ons Zelf (niet Onze Vader zoals in het christendom), als goddelijke uitdrukking van een atoomachtig individu, onze dierlijke driften zou temmen: als psychologie in de vorm van het Ik dat als moreel geweten ons handelen zou sturen en in overeenstemming zou brengen met natuurwetten en alle andere denkbare wetten; politico-sociologisch als de politieke elite die met de beste bedoelingen de maatschappij zou regelen en beheren; in de geneeskunde het brein dat als een eenzame afgezonderde generaal in zijn hoofdkwartier de lichamelijke troepen in slagorde brengt. Dit humanisme is nu zichtbaar uitgemond in een failliet van de geneeskunde (van de psychiatrie dan toch), van de psychologie en van de sociologie. Er zijn nooit zoveel dokters, psychologen en sociologen geweest als vandaag: en toch zijn binnen onze Westerse beschaving zowel ons lichaam, onze ‘ziel’ en ons samenleven al meer dan anderhalve eeuw in permanente crisis.
Blijkbaar hebben het spreken van de enkeling en het politieke overleg in de parlementen (‘parlement’ komt van het Franse woord voor ‘spreken’, parler) onze persoonlijke en maatschappelijke problemen niet kunnen oplossen. Al snel dook in de nasleep van de industrialisering en verstedelijking een antihumanisme op dat de enkeling op een nieuwe manier opnam in het Al, namelijk door zijn subjectiviteit te ontkennen. De psychoanalyse, als theorie dan toch, introduceerde de gedachte dat het Ego geen baas is in eigen huis (al blijft het freudiaanse psychotherapeutisch motto ‘Waar Het is, zal Ik worden’ fundamenteel humanistisch). In die zin waren bepaalde oorspronkelijke psychoanalytische visies (en vooral de wijze waarop ze als gemeengoed werden gepopulariseerd) slechts een pendant van het Amerikaanse behaviorisme, dat de studie van het bewustzijn en dus van het ‘Ego’ overbodig en irrelevant noemde en volledig focuste op waarneembaar gedrag. Ik misken hier ongetwijfeld de veelzijdigheid van de psychoanalyse, maar zeker in de USA leverden een zekere psychoanalyse en het behaviorisme samen de aanzetten voor een academische psychologie waarbij de studie van de mens werd herleid tot de studie van een louter biologisch dierlijk wezen (zoals tegenwoordig in de evolutionaire psychologie) of van een machine (zoals nu in de cognitieve psychologie). Deze Amerikaanse psychologie (zowel haar mensbeeld als haar wetenschapsmethodologie) heeft zich in de 2de helft van de 20ste eeuw kunnen opwerpen tot de officiële leer van het psychologiebedrijf aan omzeggens alle universiteiten over heel de wereld. Zij stelde zich voor als een objectieve wetenschap in de zin dat de onderzochte een sprakeloos voorwerp werd en de onderzoeker al evenzeer een neutraal en belangeloos instrument. De biologische psychiatrie komt dan over als een mix van deze ‘animalistische’ en ‘machinalistische’ tendensen. Deze tendensen hangen samen met het reële gegeven dat wij Westerlingen in de loop van de voorgaande eeuw ook effectief verdierlijkt en gemachinaliseerd zijn gaan leven. Dat op het terrein van de psychotherapie psychoanalyse en cognitieve gedragstherapie dan met getrokken messen tegenover elkaar staan moet ons daarbij misschien niet meer verbazen dan het feit dat twee kruideniers in dezelfde straat elkaar het licht in de ogen niet gunnen, al is de situatie wel iets ingewikkelder door het feit dat belangrijke ‘fracties’ van de psychoanalyse sinds Freud steeds hebben gepoogd het humanisme hoog te houden of gepoogd hebben een nieuwsoortig humanisme te ontwikkelen waarin telkens het spreken van de enkeling centraal staat.
Het diskrediet van het Ego als handelingscoördinerend principe leidde ook in de psychologie tot een soort anatomische manie: de analyse van het psychische geheel tot los van elkaar functionerende elementen. Zoals het analytische paradigma in de wetenschap in het algemeen leidde tot een onbespreekbaarheid van elk perspectief op een synthese (ondanks het academische gezwaai met inter- en multidisciplinariteit), zo ontbreekt het in de psychologie ook aan elke poging tot synthetische visie. Neem maar een handboek psychologie voor eerstejaarsstudenten: je herkent er amper je partner, vriend, buurman of collega in, laat staan jezelf. Elk oog voor een synthetische visie op de mens als een geheel, als een zinvolle samenhang blijkt er te ontbreken. Het ergst is nog de toestand in de persoonlijkheidspsychologie: de persoonlijkheid wordt er opgevat als een serie naast elkaar staande kenmerken die alle afzonderlijk gemeten kunnen worden via gestandaardiseerde questionnaires.
Ik stelde in het begin van deze paragraaf dat de moderne studie van de mens een aanvang nam met het opensnijden van dode lichamen, van de lijken van opgehangen of onthoofde(!) misdadigers. Lijken spreken niet, en ze bewegen ook niet. De wetenschappelijke methodologie culmineerde aldus in een aanpak waarbij het levende en het sprekende werden bestudeerd door de analyse van dood en zwijgend ‘materiaal’, m.a.w aan de hand van hun negatie. Zo kunnen wij ook gemakkelijk zien dat onze begrippen over gezondheid historisch niet steunen op een onderzoek naar het gezonde, maar op een analyse en anatomie van het ongezonde, het overledene. Dit geldt zowel voor de geneeskunde, de psychologie als de sociologie: de studie van de gezonde mens steunde op de studie van de zieke en de waanzinnige en de sociologie baseerde zich op de analyse van de ‘ongezonde samenleving’. Uit de explicitering van het ongezonde (als product van een manier van zijn of van een samenlevingswijze) volgde de ‘hygiëne’ als levensregel voor een gezond bestaan of voor een gezonde samenleving. Zo baseerden b.v. het wetenschappelijk socialisme en het fascisme zich op een analyse van het kapitalisme als een mens- en zedenbedervend systeem in die zin dat de maatschappelijke ontwrichting die kapitalisme en industrialisering met zich meebrachten, niet als een vanzelfsprekend gegeven werd aanvaard zoals de lucht die wij inademen vanzelfsprekend is (nu niet meer!), maar als een kunstmatige en immorele toestand. In de mate dat deze toestand kunstmatig was, kon men er zich ook tegen verzetten en voor een andere maatschappelijke inrichting kiezen (desnoods, zoals in het socialisme, voor een even kunstmatige en onnatuurlijke maar betere).
Wij zien dus dat de mens- en maatschappijwetenschappen nieuwe oplossingen voorstellen op basis van de verwerping van een leven of samenleven dat als verwerpelijk wordt ervaren (het dode, het zieke, het waanzinnige, het sociaal ontwrichtte). Dit leven wordt in zijn feitelijkheid niet als een ontologisch (bestaat het of bestaat het niet?) maar als een ethisch gegeven ervaren (is het goed of is het slecht?). Net zoals wij nu de opwarming van de aarde niet kunnen aanvaarden als een andere ethisch neutrale meteorologische conditie, als een natuurlijke manifestatie: zij bedreigt immers ons ‘evenwicht’. Zoals de geneeskunde en de psychologie leidden tot een nieuwe kunstmatige mens (de bionische mens of de cyborg), zo zal de strijd tegen de opwarming van de aarde uitmonden in de creatie van een artificieel klimaat. De vraag is: welke kunstmatigheid? En wie zal daarover beslissen? Dit zijn geen wetenschappelijke vraagstukken meer, maar wezenlijk politieke. Het lijkt ons dat in een situatie waar in principe de hele mensheid in volstrekte mondigheid aan dit politieke debat zou kunnen deelnemen, bepaalde krachten er alle baat bij hebben dat enkel een elite (een economisch-politiek-wetenschappelijke elite) deze vraagstukken beslecht en ons het zwijgen oplegt. Het mensbeeld dat de psychologie uitdraagt, speelt hierin een niet onbelangrijke rol.
De psychologie is in de nasleep van de renaissance en het humanisme van de 15de-16de eeuw op het toneel verschenen als een studie van de beleefde innerlijke ruimte van gevoelens en kenniseenheden (wat men tegenwoordig ‘cognities’ noemt). Deze innerlijke ruimte werd ‘bijeengehouden’ door een organiserend principe: de Rede, de ‘ziel’ of de ‘psyche’. Naarmate de psychologie rond 1900 verwetenschappelijkt en vermaatschappelijkt (een maatschappelijke functie krijgt) komt dit organiserend principe meer en meer te vervallen, terwijl in de kritische theorie juist meer en meer duidelijk wordt gemaakt dat dit principe huist in de Taal, in het spreken van een subject dat zich min of meer zelfbewust is en over zichzelf en zijn wereld ‘iets te zeggen heeft’. In het behaviorisme van een Skinner (ongetwijfeld de invloedrijkste psycholoog van de 20ste eeuw) is de psychologie al omgeturnd tot een gedragschirurgie (het ‘wegsnijden’ van ongepast gedrag en het aanleren van gepast gedrag als een soort prothese). Wat de persoon over zichzelf te vertellen heeft wordt terzijde geschoven: wat telt zijn de toegediende prikkels of stimuli waarop hij of zij met gepast of ongepast gedrag reageert. Deze gedragschirurgie kan alleen begrepen worden in het kader van een pseudo-marxistische realisatie van de arbeidsmaatschappij van de 20ste eeuw waar de klemtoon lag (en ligt: wij leven nog niet volledig in de 21ste eeuw) op de opvoering van de efficiëntie van de door een waarnemer (ploegbaas, chef) waarneembare prestatie. Of de persoon zich goed of slecht voelde was alleen van belang in de mate dat zijn of haar economische of maatschappelijke productiviteit er al of niet door werd aangetast. De korte succesvolle episode van verzet die wij doorgaans als Mei 68 aanduiden (‘humanistische’ psychologie, kritische psychologie, antipsychiatrie, etc.), werd snel gebroken. En in 1980 stond de psychologie alweer klaar met nieuwe weinig humanistische denkbeelden. Telkens blijkt dat in deze nieuwe denkbeelden bruggen worden gebouwd naar het menselijke ‘beneden’ (biologie, genetica) terwijl deze met het menselijke ‘boven’ (sociologie, recht, geschiedenis) totaal worden opgeblazen: beroep doen op het spreken van de mens wordt als onderzoeksmethode zoveel mogelijk vermeden.
psychiatrie en samenleving | 22-02-2007 | 01:15 | Link |
Geestelijke gezondheidsberoepsbeoefenaars buigen zich over de geestelijke gezondheid van de bevolking. Maar hoe is het met hun eigen geestelijke gezondheid gesteld?
Wereldwijd behoren psychiaters tot de beroepsgroep met het hoogste zelfmoordcijfer. En naar onze eigen inschatting ligt in België (en elders) het percentage psychologen en psychotherapeuten dat zelf in therapie is of is geweest, beduidend hoger dan het percentage bij de totale bevolking.
psychiatrie en samenleving | 15-02-2007 | 02:40 | Link |
het probleem is dat in de jaren 1960 de eerste en totnutoe enige golf van de emancipatie van de "geestezieke" gebeurde in een klimaat van toenemende sociale gelijkheid, verzachting van de kloof tussen arm en rijk (nationaal en mondiaal) en aanvaarding van het anders-zijn van de andere.
nu moeten we het doen in een situatie van toenemende sociale ongelijkheden (nationaal en mondiaal), met een sterke fobie voor de "andere" en met een sterke middenklasse die de sukkelaar (terecht eigenlijk) ervaart als de afval die ze zich zelf heeft geproduceerd, als de stront die ze zelf heeft gekakt in een toilet met roze tegeltjes aan de muur, een stront waar ze zeer vies van is.
psychiatrie en samenleving | 30-11-2006 | 03:02 | Link |
tekst naar aanleiding van het Similes-symposium
STOP STIGMA
Maak plaats voor kwetsbaarheid
Symposium over psychiatrie en positieve beeldvorming
Wanneer:
Zaterdag 9 december 2006, gans de dag
Daar spreekt Kristien Hemmerechts over
"Luisteren naar de psychiatrische patiënt"
terwijl op het ganse symposium geen enkele patiënt het woord krijgt.
als ik de zus van Kristien Hemmerechts was, zou ik ook schizofreen worden - uit diepe overtuiging en met volle borst. we moeten naar de patiënt luisteren dreunt ze met brede heupen, als een zuil van zout beneemt ze op haar podium de patiënt elke kans om zelfs maar zijn of haar lippen te roeren. te gek ben ik, zegt ze zelf: dus, waarom zou iemand die rare dingen ziet ook nog eens ten gehore van een zaal blinden rare dingen moeten zeggen. en iemand die halfdood is geëlektroshockt en nog amper een geheugen heeft, welke spraakkunst beheerst die nog?
waar is de tijd van les enragés? "sous les pavés la plage": onder Rilatine en Seroquel schuilt monddood gemaakt leven. en de hoeren in Antwerpen zijn ook al uit Holland ingevoerd: ook daar valt niet meer mee te spreken. ze dragen nu namen als Enneke en Lil: hier en daar vindt je nog een vlaamse Sabine. die hollanders, dat is algemeen geweten, praten doorlopend maar zeggen nooit iets, en zeker niet in een bordeel. nu, dat ligt de Vlaamse hoerenloper wel. we leven hier in die rand rond Brussel die in het westen tot Wenduine, in het noorden tot Loenhout en het oosten tot Maaseik reikt. een rand die gelukkig geen cirkel is, zodat door een kleine corridor in St-Genesius-Rode nog een schare putains respectueuses de in Brussel werkende Vlamingen te woord kan staan, zij het voor een dovemansgesprek. ja, we leven zus en zo in een wereld waar zwijgen een eindterm van het secundair onderwijs is geworden, waar zelfs stamcellen voorbereid worden op een leven in een hiernamaals.
is het nog leuk zot te zijn? die psychiaters die jaloers zijn op de geneugten der zotheid, worden door de zotten zelf "therapeutisch bekwaam" verklaard: dat was twintig jaar geleden wel even anders. en Similes zorgt er nog altijd voor dat je het gezinsfortuin niet kunt verbrassen in de Brusselse Aarschotstraten of het Casino van Dinant. en vroeger mocht je als mens die zich Napoleon waande nog vrij rond lopen in het veld, nu zit je acht uur per dag in de klas: twee uur mandjes vlechten, een uur kooktherapie (en dan moet je dat eten nog zelf opeten ook), een uurtje zwijgend praten of luidop liegen in een cirkel rond een gebrilde therapeute die nog niet eens de moeite doet de behoeftige patiënten een blik te gunnen op haar lingerie, en in de vrije tijd georganiseeerd tafeltennis of badminton spelen. nee, dat is geen menswaardig leven meer. zo wisten ook de nazi's: wat geen menswaardig leven had, zo redeneerden ze eigenlijk heel logisch, hoort gewoon niet te leven.
psychiatrie en samenleving | 07-10-2006 | 23:19 | Link |
Kennis betreft altijd de verhouding van een deel tot een geheel.
De actuele Wetenschap betreft echter de verhouding van een deel tot een ander deel.
Daarom is ze verworden tot mensenvernietigende Technologie.
psychiatrie en samenleving | 04-09-2006 | 07:18 | Link |
er is misschien één iets goeds aan die vermenigvuldiging van het aantal diagnoses en het steeds uitvinden van nieuwe syndromen. dat we op de duur zullen erkennen dat er voor elke 'geestesziekte' maar één zieke bestaat die eraan lijdt. dat de 'ziekte' van mieke stamsnijder gewoon mieke stamsnijder heet.
psychiatrie en samenleving | 15-04-2006 | 14:39 | Link |
We zijn een bijzonder interessant, leerrijk maar niet echt boeiend boek aan het lezen van Mark Olms & Oliver Turnbull The Brain and the Inner World: An Introduction to the Neuroscience of Subjective Experience (New York, Other Press, 2002). De auteurs zijn én klassiek freudiaans (niet lacaniaans) psychoanalytisch getraind én ervaren neurowetenschappers. Zij leggen in hun boek verbanden tussen hersenstructuren en neuronale mechanismen aan de éne kant en psychoanalytische begrippen zoals het Onbewuste, Verdringing, e.d. aan de andere kant. Zo weten zij aan te geven waar en hoe psychoanalytische verschijnselen zich in de hersenen afspelen. Echt leerrijk.
Maar wat mij bijzonder tegenvalt is dat zij fenomenen die we kunnen vaststellen bij mensen zonder hersenbeschadigingen zoals b.v. roekeloos gedrag en het nemen van beslissingen zonder de consequenties in acht te nemen voor henzelf en voor anderen (typisch b.v. voor bepaalde vormen van manische psychosen), voortdurend illustreren aan de hand van cases van mensen met ernstige hersenbeschadigingen (door een ongeluk of een organische ziekte). Psychologische 'pathologieën' worden hierbij dus impliciet en eigenlijk ook expliciet teruggebracht tot hersenbeschadigingen en neurologische lesies. Bijvoorbeeld: aan de hand van studies waaruit blijkt dat beschadigingen van de frontale cortex leiden tot irrealistisch gedrag, stellen zij dat een 'normale' werking van de frontale cortex vereist is voor het ophalen (retrieval) van het geheugen in een realistische, rationele en geordende manier. De woorden 'realistisch', 'rationeel' en 'geordend' komen ons te normatief over. Een kunstenaar die zich laat gaan, een verkwister die zijn geld aan de hoeren spendeert, e.d., hebben doorgaans geen hersenbeschadigingen en ook bij manische patiënten kunnen in principe geen hersenbeschadigingen worden vastgesteld. We kunnen uit het bestaande onderzoek enkel afleiden dat kunstenaars, verkwisters en maniakken op het moment van hun 'abnormaal' gedrag tijdelijk een andere hersenactiviteit gaan vertonen die 'lijkt' op deze van een persoon met een bepaalde hersenbeschadiging. Maar bij deze hersengezonde mensen kan dit anders functioneren van de hersenen geen oorzaak zijn van het 'irrealistisch, etc.' gedrag. Het anders functioneren van de hersenen moet immers zelf verklaard worden vanuit zekere psychologische gegevens (zoals drang tot artistieke prestatie, zich laten gaan in zijn verbeelding, voorrang van de onmiddelijke gedragsresultaten op de lange-termijn consequenties) en is dus hoogstens een bijverschijnsel (epifenomeen) of correlaat van het psychisch proces. Het anders functioneren van de hersenen moet dan o.i. verklaard worden vanuit de specifieke eigenzinnige wijze waarop het Subject zijn gevoelens en handelingen organiseert.
Kortom, Solms & Turnbull's boek leert ons veel over de plaats in de hersenen waar psychische verschijnselen (emoties, onbewuste en bewuste herinneringen, enz.) kunnen worden gelokaliseerd, maar weinig over de dynamiek van het psychische en het neurobiologische en hun onderlinge samenhang. Daarvoor is het boek te klassiek en beschouwt het de menselijke persoon teveel als een wezen behept met een hersenorgaan en met een reeks hersenregio's en te weinig als een georganiseerd subject verbonden met een gegeven situatie en binnen een gegeven episodisch perspectief (in de zin dat zijn gedrag een onderdeel vormt van een zinvolle sequentie of episode: b.v. geïrriteerd remmen voor een voetganger die de straat oversteekt is maar begrijpbaar binnen het feit dat we ergens naar toe rijden en of we daarbij al of niet gehaast zijn e.d.). Het boek leert ons veel over nieuwe inzichten in de neurobiologie maar bitter weinig over nieuwe inzichten in de psychoanalyse: op dat vlak is het boek eng en archaïsch freudiaans.
Erg interessant is wel het hoofdstuk over dromen: het boek maakt komaf met de al een kwart eeuw heersende mythe dat dromen en zogenaamde REM-slaap synoniemen zijn en dat dromen dus bijverschijnselen zijn van een puur fysiologisch, cyclisch in de slaap terugkerend patroon. De inhoud van de dromen, zo stellen Solms & Turnbull, doet er dus wel degelijk toe en dromen hebben inderdaad een betekenis, zoals ze laten zien aan de hand van de gekende functie van de hersendelen die bij dromen actief zijn. Op dat vlak is het boek inderdaad bijzonder didactisch en in een verstaanbaar Engels geschreven: het geeft gemakkelijk assimileerbare informatie over wat er zich bij één en ander in de hersenen afspeelt zonder vulgariserend te werk te gaan. Het is een aanrader over wie meer wil weten over de relatie tussen subjectieve verschijnselen zoals emoties, dromen, geheugen en de ermee verbonden hersenactiviteit.
psychiatrie en samenleving | 09-04-2006 | 01:10 | Link |
I.
De rouwende droeg vroeger een paar weken een zwart lintje op de revers van zijn jas. Dat lintje zei: ‘Oordeel me niet, ik ben in rouw'. De rouwende kreeg maar één of twee dagen om
vrij te zijn, buiten de Wet te staan. Het zwart lintje bracht hem in een staat van onbeslistheid, een schemerzone. Hij viel onder de Wet, was subject van de Wet en tegelijk niet. Hij was in een toestand tussen Wet en ‘zuiver geweld' (
reine Gewalt, Walter Benjamin). Hij viel onder de maatschappij en viel er tegelijk niet onder.
De rouwende is vrij, hij heeft vrije tijd. Hij is zoals Marx zei een
Gattungswesen, een soortwezen maar geen maatschappijwezen. De burgerlijke Wet ontnam hem die vrijheid, lijfde zijn puur geweld in binnen het lichaam van
law and order. De vrouw van de arbeider die niet uit werken moest, kon een maand rouwen, in zwarte kleren rondlopen en zich onttrekken aan de huwelijksplicht. Zij was ontheven van de plicht tot seksualiteit, zij stond buiten de maatschappij. Ook haar is het nu ontnomen, zoals in de psychiatrische instellingen allerlei peuten (van therapeuten tot zogenaamde vrijetijdsconsulenten en stagiaires in de agogiek) de vrije tijd aan de inwoners ontnemen en hen inlijven in de Wet van de georganiseerde tijdsbesteding, de vrijetijdsbesteding die juist de vrije tijd opheft.
Karnaval is ook zo'n tijd waarin de Wet wordt opgeheven. Het Feest is de uitzonderingstoestand waarin we ontheven worden van de plicht ons te schikken naar de Wet. Feest en rouw zijn in wezen hetzelfde: vrije tijd. Puur geweld. Maar karnaval is herleid tot een avondje-uit, voor de rest een bezienswaardigheid voor toeristen. Het feest is een geregeld feest geworden, een feest volgens de letter van de Wet. Gedisciplineerd dansen, geregelde hofmakerij. Spektakel voor de ogen van de Wet, de
Big Other, de fantasmatische Ander.
Deze mens is nooit thuis en dus ook nooit in de wereld. Hij is nooit naakt en dus ook nooit gekleed. Hij is een uiteengehaalde, een uit-genomene, een discipel - dis-capere = uit-nemen, uiteen-nemen; capulus = kist, kast, (hand)vat..
Deze mens weet dat hij niet mag rouwen, dat hij in zijn vrije tijd niet vrij mag zijn. Hij is geregeld. Ziek naar lijf en leden. Hij is subject en object. Onderdanig in zijn meesterschap. Hij vraagt: waar is het goed voor? Het is nergens goed voor. Gelukkig maar, want het leven is een middel zonder doel. Althans, zo zal het ooit zijn, als deze ellende voorbij zal zijn. Niet meer te zijn
om zichzelf te moeten zijn of om een Ander te moeten zijn. Niet meer leven om te werken, niet meer werken om te leven. Middel, puur middel (zonder doel). Zuiver leven, zuiver sterven. Noch martelaar noch held. Op reis zonder bestemming, met acht voor de bomen onderweg. Niet voor de ogen van een Ander. Niet voor het venster van je ziel.
Il s'agit d'arriver à l'inconnu par le dérèglement de
tous les sens. (Arthur Rimbaud)
Rouw, rauw (‘gestold bloed'), ruw (‘pels').
[Deze tekst is geschreven halfweg het lezen van Giorgio Agamben's State of Exception, net vóór het hoofdstuk ‘Feast, Mourning, Anomie']
II.
Er waren oorspronkelijk twee chaotische vormen van leven die de organisatie van de samenleving (ver)hinderden: tumult en rouw (Feest) We zouden nu spreken van ‘agressie' (of ‘opwinding') en ‘depressie'. Beide stonden dichter bij elkaar dan we nu vermoeden: zoals we nog kunnen zien in veel landen gaat rouw gepaard met veel luidkeels geklaag en geschreeuw, b.v. bij een aanslag, ramp of overlijden van een groot leider. Ook in familiekring gaat de begrafenis van een dierbare overledene met een feest gepaard (de begrafenismaaltijd). Tumult en rouw werden maar in een bepaalde mate getolereerd: er kwamen wetten. Wetten regelen het leven, transformeren het tot gewoonte (= gezamenlijk ‘wonen'). Het leven krijgt een nieuwe maatschappelijke vorm op basis van de Wet, een Wet die de mensen in eerste instantie zichzelf opleggen en die ze dus kennen. Nu nog is iedereen verondersteld de Wet te kennen. (Ignorantia non est argumentum, Spinoza: Onwetendheid is geen argument!)
Tumult werd geregeld door het strafrecht: de amokmakers werden gestraft. Bij overdreven tumult werd de Wet opgeheven en de uitzonderingstoestand of noodtoestand uitgeroepen (in Rome eerst door de patres, de vaderen, i.e. de Senaat, later door de soeverein - de Keizer). De uitzonderingstoestand geschiedde op basis van het gezag, de vordering van de vaderen - auctoritas, autoriteit, vordering, gezag (‘vorderen' is naar voren gekomen uit de volksvergadering en spreken). De Wet kwam tot stilstand (iustitium; ius-stitium). Heel eigenaardig: Justitie (Rechtspraak) betekent oorspronkelijk de opschorting van de Wet: in de rechtsvergadering mocht het volk tumult maken, mocht een aangeklaagde die schuldig werd bevonden worden gedood. Zo werd in de opschorting van de Wet precies mogelijk wat bestreden moest worden: het vermoorden van een naaste, het maken van tumult. Charivari (volkse optochten met ketelmuziek) en karnaval zijn oorspronkelijk vormen van volksjustitie waarbij de huizen van misdadigers werden verbrand, hun familieleden gruwelijk werden gedood. Het tumultueuze karakter van charivari en karnaval verklaart waarom men zich maskerde: bij charivari en karnaval gedraagt men zich ‘juridisch' als een non-persoon, heeft men geen gezicht en geen naam. Het tumult van charivari en karnaval (het Feest dus) werd getolereerd als de dubbele negatie (in hegeliaanse zin) van een maatschappijloze oertoestand die eerst door de Wet was genegeerd: in het Feest werd dan weer de Wet genegeerd. Het Feest is dus niet zomaar een terugkeer naar de chaos van een natuurlijke oertoestand, het is een transgressie van de Wet. Deze transgressie van de Wet werd geduld bij bepaalde gebeurtenissen (zoals nu als een Belg de Ronde van Frankrijk wint) maar in zijn geheel genomen aan bepaalde dagen van het jaar toegewezen en voor een korte periode zoals b.v. de kermisweek of een periode van ‘nationale rouw'. Dan was de Wet opgeschort en heerste de uitzonderingstoestand: wetsovertredingen werden niet bestraft.
Ook bij overdreven tumult (oproer, burgeroorlog, oorlog) werd de Wet opgeschort en opgeheven: de noodtoestand (état de siège, staat van beleg). De oproerkraaiers, het volk dus, konden door de autoriteiten ongestraft afgeslacht worden. Later onder het Romeinse keizerrijk werd er ook tumult voorzien bij de dood van de Keizer, op basis van de rellen die ontstonden na de moord op Julius Caesar. Het tumult werd omgezet in openbare rouw. We zien hier hoe agressie en rouw samenhangen, twee keerzijden zijn van dezelfde medaille.
Ook individuele rouw verstoorde het openbare leven, de Wet dus, als deze te lang duurde of te hevig was. Daarom diende een rouwperiode in acht genomen te worden, zoals nu nog een werknemer drie dagen verlof neemt als een nabestaande van de eerste graad overleden is. Oorspronkelijk was de in acht te nemen rouwperiode veel langer, minstens een maand. Duurde de rouw te lang en kwam er geen tumult aan te pas, dan was er geen reden (geen Wet) die toestond de betrokkene te doden. De rouw werd behandeld door de geneeskunde (en haar voorgangers zoals sjamanisme, tovenarij, enz.). Geneeskunde en recht staan in die zin dicht bij elkaar. De geneesheer ziet van in den beginne toe in hoeverre er niet van tumult sprake is en in dat geval werd de juridische autoriteit opgeroepen, zoals nu in het geval is bij een gedwongen opname van een geesteszieke waarbij de vrederechter bevoegd is. De geneesheer stelde voor de te langdurig rouwende een hygiëne in - Grieks voor bevordering van de gezondheid (van geest). De langdurige rouw was ‘abnormaal', de betrokkene was ‘ziek'. De ziekte werd openbaar uitgesproken door de geneesheer en de Wetten werden voor de zieke in die zin opgeheven verklaard. Zowel rouw als ziekte (overdreven rouw) waren dus maatschappelijk gesanctioneerd, toegestaan of behandeld via een ‘hygiëne'. De beleving van de ziekte, de pijn en smart, werden door de gemeenschap van de betrokkene gedeeld.
De kapitalistische maatschappij heeft zowel de periodes voor tumult (opwinding) als rouw ingekort. Of dit een goede of slechte zaak is, doet hier niet ter zake. De mobiliteit van de werknemers zorgde er verder voor dat de gemeenschap geïndividualiseerd geraakte,en zich opsplitste in afzonderlijke en van elkaar min of meer geïsoleerde enkelingen. Tumult en rouw worden nu meer en meer in eenzaamheid beleefd. De druk om zich te laten integreren in de maatschappij neemt toe. Tumult en opwinding slaan om in angst- en paniekstoornissen, rouw in depressie. Zoals de Wet het tumult negeerde (in de hegeliaanse zin), zo negeerde de hygiëne de rouw. En de depressie negeerde de hygiëne. De geestesstoornis (angst, depressie) is zo ook een dubbele negatie van de oorspronkelijke opwinding en rouw.
psychiatrie en samenleving | 23-03-2006 | 11:00 | Link |
Er was vroeger veel te doen over N=1. N is in de statistiek het steekproefeffectief, dit is het aantal elementen in een steekproef. Een steekproef wordt gebruikt om iets te onderzoeken bij wat men een populatie of een bevolking noemt. Bijvoorbeeld om de bevolking van de schizofrenen te onderzoeken, selecteert men een aantal schizofrenen (men ‘trekt' een steekproef). Het moet dan wel zo zijn dat die steekproef representatief is en een juiste weergave vormt van de bevolking. N=1 is dan een steekproef die maar uit één element bestaat, een steekproef dus die geen bevolking vertegenwoordigt. N=1 is de studie van het individuele geval, zo typisch voor de psychoanalyse of bijvoorbeeld ook voor het psychiatrisch onderzoek van een misdadiger waarbij het onderzoek moet uitwijzen of die misdadiger toerekeningsvatbaar is en al of niet geïnterneerd moet worden. Het individuele geval is wat men noemt een singulariteit, een single case, wat staat tegenover een universaliteit.[1] Vrouw is bijvoorbeeld een universaliteit, een soortnaam (generische naam). Marie-Christine Cordier (een bepaalde particuliere vrouw met die naam) is een singulariteit, een individueel geval. N=1 betekent dan dat men de persoon op zichzelf beschouwt, los van zijn toebehoren tot één of andere klasse of categorie (b.v. de categorie van de vrouwen, de homoseksuelen, de terroristen, enz.). Wat men over de persoon wil te weten komen, wordt niet afgeleid uit wat we weten over zijn ‘identiteit' zoals zijn geslacht, zijn geografische afkomst, zijn cultuur of wat dan ook. Is de persoon b.v. een arbeider, dan wordt afstand genomen van wat we weten over arbeiders en wordt gekeken naar wat de persoon zelf is onafhankelijk van zijn ‘lidmaatschap' van één of meerdere categorieën.
M.a.w. de persoon wordt als uniek beschouwd, enkel identiek aan zichzelf. De persoon wordt bekeken in zijn eigen-zinnigheid, in de wijze waarop hij zich onderscheidt van anderen en wat hem een apart geval maakt. We kunnen ook zeggen: de persoon wordt bekeken in de wijze waarop hij afwijkt van anderen, als een afwijking. Vandaar dat de ‘wetenschappelijke' gevalstudie, de studie van het individuele geval oorspronkelijk werd gereserveerd voor misdadigers. Daarnaast hadden we min of meer wetenschappelijke biografieën van beroemde personen (staatsmannen, schrijvers, kunstenaars, enz.). ‘Genieën' en ‘misdadigers' (genie en misdaad, genie en waanzin werden al vanaf het midden van de 19de eeuw met elkaar geassocieerd) werden dus afgezonderd als eigen-zinnig: ze waren aparte gevallen die afweken van de gemiddelde ‘normale' mens. Kortom, ze waren abnormalen. Zo heet onze bekende wet over het Sociaal Verweer eigenlijk de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers: deze gevallen werden bij wet apart bestudeerd door gerechtspsychiaters (tegenwoordig forensische psychiaters genoemd) en in hun eigenheid onderzocht. Wijzen we erop dat Dostojewski's Idioot helemaal geen stompzinnige of subintelligente mens was maar een man die zich verbaast en uit de toon valt, een eigenzinnige dus.[2] Het Oud-Griekse woord idiotès betekent een bijzonder karakter, een eigenaardig persoon en idiootès betekent simpelweg een particulier individu, een individu dat geen staatsambtenaar is en zich dus kan wenden tot de rechtsorganen. Het had reeds bij de Grieken de bijbetekenis van ‘ongeschoold en onvakkundig' en vandaar van ‘onbenullig', wat getuigt van de minachting die de staatsambtenaren en ambachtslui er hadden voor de mensen die op hun diensten beroep deden. Zo kreeg idioot eerst de betekenis van een mens die ‘anders' is, apart en bizar maar tegelijk van minderwaardig (dom). En vandaar dus: abnormaal, zwakzinnig. Nu is idioot officieel de laagste categorie van de subintelligenten, na de imbecielen en debielen.
In een steekproef worden alle elementen als gelijk beschouwd, zij hebben dezelfde identiteit, behoren tot dezelfde klasse: b.v. een steekproef van 35 vrouwen bestaat uit 35 elementen die met elkaar gemeen hebben dat ze vrouw zijn, waarbij hun andere kenmerken als niet terzake doend worden beschouwd. Op basis van die steekproef meent men dan iets te kunnen zeggen over vrouwen of dé vrouw. Dit impliceert natuurlijk dat er zoiets als dé vrouw bestaat. En kunnen we op basis van een steekproef of op basis van wat we weten over de vrouwelijke bevolking iets zeggen over een individueel geval, b.v. Marie-Christine Cordier? Vermoedelijk wel: we mogen vermoeden dat ze borsten heeft en een baarmoeder. In die mate dat Marie-Christine een vrouw is, mogen we dus besluiten dat ze de kenmerken heeft die vervat zit in de definitie van een vrouw. Maar dan moet die definitie natuurlijk juist zijn. Definities van psychiatrische aandoeningen zijn doorgaans niet zo zuiver en we kunnen ons dan ook afvragen of de psychiatrische categorieën wel ‘bestaan'. Bestaat er zoiets als dé depressie, dé schizo-affectieve stoornis? Kunnen we dus op basis van wat we weten over ‘dé' depressie iets afleiden met betrekking tot een particulier depressief iemand die zich hinc et nunc vóór ons bevindt? Een bijzonder geval is zoiets als een voorbeeld. Een voorbeeld, zoals Giorgio Agamben fijn analyseert, is dan iets dat noch particulier (bijzonder) noch algemeen is, noch individueel noch universeel of generisch. Of ook: het voorbeeld is én particulier én algemeen is, individueel én generisch. Het is een afzonderlijk geval en tegelijk verwijst het naar een klasse, een categorie. Het voorbeeld presenteert en toont zichzelf in zijn singulariteit. Het is wat Agamben noemt een ‘whatever singularity'.[3] Whatever staat hier voor het Latijnse quodlibet ‘wat je belieft', ‘wat je maar wil'. De ‘wat je belieft singulariteit' is de singulariteit van de mogelijkheden, niet die van de vaste identiteit die je overal met je meesleept. De singulariteit van de mogelijkheden om iets te zijn maar evengoed om iets niet te zijn. En dat soort wat-je-belieft singulariteiten zou de gemeenschap van de toekomst vormen. Singuliere wezens zijn mensen die zich niet presenteren in termen van identiteiten (geslacht, nationaliteit, beroep, enz.), het zijn wezens zonder identiteit, zonder tot een klasse te behoren. Wat mensen van zo'n gemeenschap gemeenschappelijk hebben, is dat ze niets gemeenschappelijk hebben behalve die whatever singularity. Als voorbeeld geeft hij de Chinese studenten die in 1989 vreedzaam protesteerden op het Tiananmen-plein in Peking: daar ontstond een gemeenschap die geen enkele door de ganse gemeenschap gedeelde concrete eis stelde en zich aldus ook niet als een ‘identiteit' presenteerde. De protesterenden waren geen exemplaren van een verzameling met een bepaalde naam, maar wat-je-belieft singulariteiten. Zelf schreven wij onlangs: ‘Als mensen zijn we allen éénmalig en universeel'.[4]
We zijn dus allen in dubbele zin uniek:
-
we presenteren allemaal wel iets bizars, iets eigenaardigs dat ons verschillend maakt van anderen
-
daarnaast zij we een vat van mogelijkheden, van ‘dingen' die nog niet hebben plaatsgevonden, die mogelijk nooit zullen plaatsvinden.
Dikwijls zeggen psychoanalytici dan ook dat ze tegen gelijkheid zijn. Daarmee bedoelen ze dan vooral dat één individu nooit identiek is aan een ander, dat elke geval apart bekeken moet worden. Lacaniaanse psychoanalytici komen zeer expliciet op voor het recht op verschil, het recht verschillend te zijn van anderen.[5]'[6] De nadruk die psychoanalytici leggen op de subjectiviteit van een persoon, op de subjectivering als basisproces in de individuele ontwikkeling, verklaart hun blijvende aandacht voor het bijzondere, een traditie die in Frankrijk al bestaat sinds de ‘pataphysique van de satiricus Alfred Jarry: ‘patafysica is de wetenschap van het éénmalige, het accidentele en de uitzondering, in tegenstelling tot de gangbare wetenschap die zich bezighoudt met het algemene. [7]
Is de tijd van de gevalstudie weer aangebroken? Van 1970 tot het einde van de 20ste eeuw, tot nu dus, zijn de psychologie en de psychiatrie voornamelijk gebaseerd geweest op vergelijking van groepen, waarbij de individuen een identiteit hadden. De individuen behoorden tot een klasse (vrouw, Marokkaan, schizofreen, enz) en ze waren niets meer dan dat: het individu was maar een exemplaar van een universele categorie. De psychiatrie bekeek geen geval meer maar een representant van een soort: een depressieve, een schizofreen. Het individu werd bvb. via de DSM gevat in een taal die naar groepen verwees, hij of zij werd toegewezen aan een groep, een diagnose. En men onderzocht die groepen via steekproeven die men vergeleek met steekproeven van andere groepen (bv. Prozac- of Zoloft-gebruikers vergeleken met een steekproef die een placebo kreeg en vergeleken met een steekproef die niets krijgt). In de praktijk trachtte de psycholoog/psychiater aan de hand van wat de persoon vertelde uit te maken tot welke categorie hij of zij behoorde en op basis van de kennis van die categorie werd dan een behandeling ingesteld. Vóór 1970 was de kennis in de psychologie en de psychiatrie veelal gebaseerd geweest op de studie van individuele gevallen. Op basis van individuele gevallen veralgemeende men. Het resultaat is in wezen hetzelfde: het individu wordt beschouwd als een element van een verzameling, een exemplaar van een soort en de aanpak van een nieuw individueel geval is gebaseerd op kennis van de soort. Zo gebruikt ook de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie nogal misleidend het n=1 behandelingsverslag: dit n=1 behandelingsverslag beoogt na te gaan of de stappen van het gedragstherapeutisch programma wordt gevolgd, m.a.w. of het probleemgeval ingepast wordt in een algemene procedure m.b.t. een bepaald gedragsprobleem. Anders gaat het er aan toe bij veel ervaren en breed denkende psychologen of psychiaters: zij beschouwen kennis van andere gevallen (van de ‘soort') maar als een invalshoek voor de aanpak van het nieuwe geval dat zich bij hen aanbiedt. Kennis is ‘maar' een inspiratiebron om tot kennis van het nieuwe individuele geval te komen. De biologische psychiatrie en de cognitieve psychologie hebben volgens de psychoanalytici tot een desubjectivering geleid: de referentie naar algemeen-menselijke gedragspatronen of naar het normaal-functionerende brein maakt dat de eigenheid van de cliënt/patiënt niet meer als een positief gegeven wordt beschouwd, erger: die eigenheid wordt ontkend. Het heeft er ook toe geleid dat de psychiater zich minder betrokken voelt bij zijn patiënt, dat hij afstand neemt.[8] Maar ook de meeste psychoanalytici pakken de individuele cliënt in: zij vangen de cliënt in algemene universalistische freudiaanse of lacaniaanse schema's. Veel patiënten lopen dan ook met het gefrustreerd gevoel rond dat ze als een nummer worden behandeld. Er is dus zeker ruimte voor een réveil van de studie van het individuele geval. Alleen is zo'n studie omslachtig en tijdrovend: maar misschien minder tijdrovend dan de lijdensweg die veel patiënten nu vruchteloos afleggen in hun zoektocht naar een geschikt psychiater of hun verhuis van hospitaal naar hospitaal.
Als het socialisme gevestigd zal zijn, zal het liberalisme zegevieren, schreven we in het reeds geciteerde manuscript. We bedoelen natuurlijk niet dat als de sociaal-democratische SP.A aan de macht zal komen, daarna snel de liberale VLD zal overnemen. We bedoelen dat als mensen in hun gelijkheid zijn erkend voor wat betreft hun fundamentele mensenrechten op een menswaardig bestaan, dan snel de eigenheid en eigenzinnigheid van de individuen hun rechten zullen opeisen.
[1] Van Langenhove, Luk, De Waele Jean-Marie & Harré, Rom Individual Persons and their Actions: In Honour of Jean Pierre De Waele. Brussel, Pers van de Vrije Universiteit Brussel, 1987.
[2] Dostojewski, Fjodor M. De idioot. Amsterdam, Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1960.
[3] Agamben, Giorgio The Coming Community. Minneapolis, University of Minnesota Press, Londen, 1993 (Oorspronkelijk Italiaans 1990).
[4] Rosseel, Eric Gedwongen Copulatie: Natuur en Cultuur in de Evolutionaire Psychologie. Ongepubliceerd manuscript, 2006.
[5] Verhaeghe, Paul Pleidooi tegen gelijkheid. Tijdschrift voor Cliëntgerichte Psychotherapie, 2005, vol.43, 2, p.101-110.
[6] Miller, Jacques-Alain (ed.) L'anti-livre noir de la psychoanalyse. Paris, Seuil, 2006.
[7] Jarry, Alfred Gestes et opinions du docteur Faustroll, pataphysicien. Paris, Editions Cartouche, 2004. (Oorspronkelijk gepubliceerd in 1911, maar geschreven in 1898: Dr. Faustroll is op 63-jarige leeftijd gestorven in 1898, maar evenzeer op 63-jarige leeftijd geboren in datzelfde 1898). Alfred Jarry was op zijn Collège leerling van Henri Bergson (1859-1941), filosoof van het vitalisme. De invloed van Jarry op Dada en het surrealisme van André Breton was aanzienlijk.
[8] Bakker, Bram Te zot voor woorden: een kritische kijk op de psyche en de psychiatrie. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2005.
psychiatrie en samenleving | 12-03-2006 | 16:28 | Link |
het hoekje jean-pierre de waele is bedoeld voor onaffe teksten, probeersels en kladwerk. jean-pierre de waele was een genie die nooit aan zijn trekken is gekomen omdat hij te arrogant en te autoritair was en éénieder tegen zich in het harnas joeg. hij leefde in een liefde-haat verhouding tot de wereld en liet dat met zijn buitengewoon redenaarstalent zeer opzichtig blijken. hij was psychiater en antropoloog, professor persoonlijkheidspsychologie aan de vrije universiteit brussel en hoofdpsychiater bij de gevangenis van st-gillis, waar hij bekend stond om zijn goede omgang met de verschoppelingen in deze samenleving. met bizarre mensen en buitenissige moordenaars kon hij omgaan en goed opschieten, met gewone 'middelmatigheden' niet. jaloers als hij was op freuds succes ontwikkelde hij een eigen methode voor gevalstudies die het zonder de psychoanalyse kon doen of meende te kunnen doen. hij stond zeer kritisch tegen de zgn. wetenschappelijke en statistische methodes in de psychologie, maar zijn eigen psychologie van de enkeling bleef puur wetenschappelijk gegrond. zijn project voor een autobiografische psychologie bleef in de startblokken steken omdat hij een hekel had aan reizen en zelden internationale congressen bijwoonde. hij was ook enige jaren voorzitter van het centrum voor marxistische studies aan de vub. hij combineerde dus een bijzondere aandacht voor de enkeling met een scherpe kritiek op maatschappelijke wantoestanden. reden waarom wij hem hier als monument dit 'hoekje' geven.
psychiatrie en samenleving | 07-03-2006 | 21:59 | Link |
N.a.v. een studie over het ontstaan van de concentratiekampen schrijft de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (Means without End: Notes on Politics. Minneapolis, University of Minnesota Press, 2000):
Het kamp is de ruimte die zich opent wanneer de uitzonderingstoestand de regel begint te worden!
In een uitzonderingstoestand, m.a.w. in tijden van oorlog, worden mensen die denken zoals de vijand opgepakt en afgezonderd. Wanneer dit ook in 'normale' tijden gebeurt, krijgen we een kamp. In het kamp gelden de wetten niet die elders in het land de rechten en plichten van de burgers regelen. Alles is er mogelijk.
Zijn psychiatrische inrichtingen kampen? Is de psychiatrische patiënt iemand die meeheult met één of andere 'vijand'? Een inwendige 'vijand'? Tenslotte ging men er vroeger van uit dat de gek en de waanzinnige bezeten waren door demonen en demonen waren vijandige krachten. Een 'burgeroorlog' dus?
Wat is dan de naam van de 'vijand'?
De eerste concentratiekampen ontstonden omstreeks 1900. Deze periode was ook het begin van de systematische 'wetenschappelijke' psychiatrie en de min of meer systematische aanpak van de behandeling van geesteszieken. Voorheen waren de inwoners van een gesticht of inrichting relatief vrij, althans zij die niet bedlegerig waren en niet gevaarlijk waren. Zij deden op hun tempo landarbeid en wandelden vrij op en zelfs buiten het domein. Rond 1900 begint dat te veranderen. Men begint met van alles te experimenteren: de psychiatrische patiënten werden onderworpen aan dwangmatige behandelingen die een vrij burger zich nooit zou moeten laten welgevallen. Inspuitingen met insuline, elektrische schokken, enz. Alles was (en is) mogelijk. De psychiatrische patiënt was een rechteloze en is het in se nog steeds. Nog steeds kunnen behandelingen opgelegd worden.
De tijdsbesteding van de patiënten werd alsmaar minutieuzer geregeld. De eerste arbeidsateliers deden hun intrede ('arbeidstherapie'). De tijdelijke patiënten werden meer en meer bedolven onder allerlei steeds meer uitgebreide therapie-uren die men lijdzaam onderging: crea, sport, muziektherapie, groepsgesprek, enz. De patiënt verzet zich niet, maar is doorgaans ook niet echt betrokken op al deze activiteiten. Voor de meerderheid van de patiënten vormen deze therapieën een gezellige bezigheid, zonder verdere therapeutische waarde. Cruciaal bleef de interactie tussen de patiënten onderling in hun 'vrije tijd'.
En nu gaan vrijetijdscoördinatoren en 'tijdsconsulenten' ook nog die 'vrije tijd' van de patiënt gaan inpalmen. Behalve bezigheid is aan deze georganiseerde vrijetijdsactiviteiten meestal weinig therapeutische waarde verbonden: wie erin slaagt er niet aan deel te nemen, verlaat even snel de kliniek als de gewilligen.
Is de psychiatrische patiënt dan zo gevaarlijk dat hem en haar zelfs zijn 'vrije tijd' moet worden ontnomen? Veel regimes in instellingen voor psychotische of verslaafde jongeren zijn echte arbeidskampen: vóór het ontbijt al bed opmaken en vijf minuten dag-bezinning. Allemaal dingen waarvoor een vrij burger zijn neus zou ophalen en terecht. Te-recht. Dat recht heeft de vrije burger. Maar precies dat recht heeft de psychiatrische patiënt verloren. Hij of zij is 'naakt leven', zoals Giorgio Agamben dit noemt. Bij een vrij burger is in principe het feit een leven te hebben, als arbeider of bediende of zaakvoerder, niet gescheiden van het feit dat men biologisch 'naakt' leven is. Wat betreft zijn of haar rechten, ondanks alle patiëntenvertegenwoordigingen, is de psychiatrische patiënt nog altijd puur 'naakt leven' zonder verdere vorm of inhoud. Men kan hem of haar dwingen zijn of haar medicijnen te nemen wat voor geen enkele andere zieke het geval is. Men kan hem of haar zonder dat hij of zij veel misdaan heeft, dagenlang in een isoleercel opsluiten zonder dat hij of zij beroep kan aantekenen. In het 'gewone' leven kan dat allemaal niet zo maar.
We zien dat steeds meer en meer kategorieën van probleem-mensen in instellingen wordt opgenomen, zei het dat men nu vooral kiest voor dagcentra. Een werkelijke evaluatie van de activiteiten van deze dagcentra die qua inhoud overeenkomen met de therapieën in de residentiële instellingen, in vergeljking met zelfgekozen activiteiten is er nauwelijks: toegegeven dit is moeilijk 'meetbaar'. Maar zo worden wel steeds meer mensen ondergeschikt aan een regime waarin ze hun rechten de facto afstaan aan een macht die niet echt kan bewijzen dat ze de betrokkenen voordeel brengt.
We herhalen: Is in de psychiatrische inrichting alles mogelijk?
psychiatrie en samenleving | 04-03-2006 | 12:39 | Link |