Gratis muziek?
Luister nu gratis naar muziek!
www.nl.fm
Date Spotter
Nog geen date gespot?
www.datespotter.nl
Pagina maken?
Deel je kennis met anderen!
www.startspot.nl
StartVriend.nl
Maak een eigen website!
www.startvriend.nl

Kind-zijn: een ziekte, een stoornis ??

De Hoge Gezondheidsraad (het wetenschappelijk adviesorgaan van de Federale OverheidsDienst Volksgezondheid, vallend dus onder het ministerie van Sociale Zaken & Volksgezondheid van Laurette Onkelinx) bereidt een expertenrapport voor rond "gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten". De daarin gehanteerde benadering is echter zeer eenzijdig. Eigenlijk wordt beoogd elk gedrag van een kind of jongere dat niet past bij gewenste waarden en normen (gewenst door wie?) als “probleem” en “stoornis” aan te duiden. Erger nog: elk “afwijkend” gedrag zal ervan verdacht worden mogelijk de voorbode te zijn van delinquent gedrag op latere leeftijd. Door het vroegtijdig opsporen én corrigeren van gedragsafwijkingen bij kinderen zou “men” via een combinatie van gedragstherapie en medicatie in staat zijn om effectief aan preventie van later delinquent gedrag te doen. Andere bestaande zienswijzen op de ontwikkeling van kinderen en op de aanpak (“therapie”) van probleemkinderen komen in het rapport niet of nauwelijks aan bod. Tegen deze eenzijdige visie die politiek van aard is (ze moet uitmonden in aanbevelingen voor de overheid) neemt het weerwerk toe. Op initiatief van het Collectief van ForumPsy wordt op 14 juni in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel (BOZAR) van 10 u. tot 18u. een tweetalige Nationale Meeting gehouden. Een petitie werd reeds ondertekend door een 2.000-tal verenigingen en praktijkmensen, therapeuten, jeugdconsulenten, sociale werkers maar ook intellectuelen en politici, uit alle delen van het land (http://www.forumpsy.be/).

***

Ondanks onze Westerse welvaart zitten steeds meer mensen in de problemen, niet enkel financieel (door de toegenomen kloof tussen rijk en arm) maar ook met zichzelf, ze hebben “psychische problemen”. De geestelijke (on)gezondheid is dan ook onderwerp van grote bezorgdheid, zowel bij de mensen zelf als bij deskundigen en beleidsmakers: depressies, drugsverslaving, zelfmoord, agressie op het openbaar vervoer, etc. De “activering”, de toegenomen prestatiedruk op school en de werkstress bij volwassenen, het opzetten van mensen tegen elkaar: het ganse maatschappelijk klimaat leidt tot een toenemende geestelijke druk. Velen gaan er onderdoor, bij anderen slaan de stoppen door. Vooral onze kinderen krijgen het moeilijk. Opvoeding en onderwijs worden volledig en uitsluitend gestroomlijnd op de inpassing van jongeren in de markteconomie. In de praktijk, op school, op het werk, in het gezin, betekent dit dat elke vorm van niet gepast gedrag een probleem wordt of kan worden (bv. wat valt onder stalken, pesten op school of het werk, of seksuele intimidaties, wordt steeds breder en ruimer zodat op de duur over iedereen wel kan geklaagd worden). Zodra kinderen thuis of op school uit de toon vallen (bv. emotioneel heftig reageren, wat opstandig of ongehoorzaam zijn, kattenkwaad uithalen, eens een week minder zin hebben om te studeren of hun huiswerk te maken, enz.), maken ouders zich zorgen dat er iets met hun kind aan de hand is. Of het kind riskeert door de leerkracht naar de psychologen van het Centrum voor Leerlingen Begeleiding (CLB) gestuurd te worden.

Jeugddelinquentie, dat zal niemand ontkennen, is zeker een ernstig probleem. Voor de publieke opinie en de overheid gaat het daarbij niet enkel om individuen die een ander vermoorden voor een mp3-speler (de zaak Joe Van Holsbeek) of een sigaret (Oostende, februari 2007) of scholieren die met een mes naar school gaan, maar ook om jongerenbendes die zorgen voor overlast of rellen zoals in Anderlecht. Groepsverkrachtingen van meisjes door jongerenbendes kunnen uiteraard niet getolereerd worden. Maar het lijkt erop dat een aantal uitzonderlijk spectaculaire misdaden worden uitvergroot om de jeugd in zijn geheel repressief aan te pakken: hier en daar wordt al geroepen om jongeren te verbieden  eens een pintje te pakken. In de grote meerderheid van deze gevallen is het totaal onduidelijk of het delinquent gedrag te wijten is aan het feit dat er iets “psychisch” scheelt met de dader of dat de oorzaak moet gezocht worden in maatschappelijke problemen (armoede, discriminatie, achterstelling van minderheidsgroepen, de benarde situatie van alleenstaande ouders, etc.). Het is logisch dat als de delinquentie een sociale oorzaak heeft, een medische of psychologische begeleiding (door medicatie of therapie) niet veel zal uithalen wanneer de maatschappelijke levensvoorwaarden niet worden verbeterd. Daar wringt hem uiteraard het schoentje. Want om de privileges van de rijken te beschermen betaalt de overheid graag de prijs van de jeugddelinquentie, zeker als die delinquenten armen en minder begoeden zijn. Ze levert ook jobs aan politie en allerlei deskundigen: psychiaters, psychologen, therapeuten, etc. Ondertussen laten die spectaculaire misdaden gepleegd door minderjarigen toe een klimaat te scheppen waarbij media en politici eisen formuleren voor het oprichten van heropvoedingskampen, de bouw van jeugdgevangenissen en gesloten inrichtingen, meer kinderpsychiatrie etc. We weten ondertussen wel dat als je als kind in een instelling geplaatst wordt, als je zelfs voor een tijdje in een psychiatrische afdeling wordt opgenomen, dit in veel gevallen betekent dat je ganse verdere leven om zeep is. Enkele maanden geleden klaagde UNICEF-België nog aan dat minderjarigen in de psychiatrie dikwijls zonder echte aanleiding en als “straf” opgesloten worden in isoleercellen of op hun bed vastgebonden worden (www.unicef.be/MFiles/Hopital2.pdf). Het is uiteraard ook duidelijk dat een repressieve aanpak vooral en zelfs uitsluitend kinderen van arme gezinnen zal treffen.

Om de sociale aspecten van probleemgedrag en delinquentie te verdoezelen wordt de ganse kwestie dan maar “gemedicaliseerd” en “gepsychologiseerd”: een zaak voor dokters, psychiaters en psychologen dus. Men maakt ons wijs dat al deze mensen die ongewenst of misdadig gedrag vertonen, iets verkeerd hebben aan hun genen, dat ze erfelijk belast zijn of dat hun hersens niet goed functioneren. Het probleemgedrag zou dus wijzen op een “ziekte” of een “stoornis” en zou dus in de eerste plaats met medicijnen of met individuele gedragstherapie kunnen worden aangepakt. Wat het kind zelf te zeggen heeft over het hoe en waarom van zijn gedrag, speelt dan geen rol meer. Vandaar de plannen van sommigen om alle kinderen te onderzoeken naar tekenen van afwijkend gedrag dat volgens deze deskundigen later zou verworden tot delinquent gedrag.

Plannen om alle kinderen te “screenen” op “afwijkend” of “antisociaal” gedrag om zo die kinderen te detecteren die geacht worden te eindigen als de “rotte appels in de mand”, liggen niet alleen klaar in België. Bij de Bush-administratie in de Verenigde Staten zijn deze plannen al jaren geleden uitgewerkt door “specialisten” van de American Psychiatric Association (de beroepsvereniging van psychiaters). Alle kinderen van 3 tot 6 jaar zouden met psychologische tests gescreend worden op “voorbestemdheid” tot antisociaal gedrag en wie slecht scoort zou aan “speciale behandelingen” (van therapie tot plaatsing in een instelling) onderworpen worden. Loic Wacquant’s boek “Straf voor de armen” (EPO, 2006) laat zien hoe sinds 1995 in de USA, maar sindsdien ook in Europa, budgetten voor welzijn en educatie (bv. voor alleenstaande moeders) overgeheveld worden naar justitie en jeugdpsychiatrie. Het rapport en de screening van kinderen die in België door de Hoge GezondheidsRaad zullen worden voorgesteld, lijken dan weer een getrouwe kopie van het werkstuk “Trouble des Conduites chez l’enfant et l’adolescent” dat in 2005 in Frankrijk werd gepubliceerd door de INSERM (Institut National de la Santé et de Recherche Médicale). Daarin wordt gepleit om “gedragsstoornissen” reeds op te sporen bij kinderen onder de 36 maand. Daar lezen we: “het is geweten dat agressiviteit, ongehoorzaamheid en zwakke emotionele controle tijdens de kindertijd gedragsstoornissen in de adolescentie voorspellen" (zie ook www.pasde0deconduite.ras.eu.org/). In deze context is het niet onvermeldenswaardig dat Sarkozy stelde dat de jongeren die de voorbije jaren rellen veroorzaakten in de Parijse banlieues “biologische afwijkingen” vertoonden; kortom: een medisch en geen maatschappelijk probleem!

Het Collectief ForumPsy dat de meeting van 14 juni organiseert, benadrukt een viertal punten.

1. Het begrip “gedragsstoornis” is een vreemde diagnose die de noties van “psychisch lijden” en “afwijkend gedrag” op één hoop gooit. Een kind dat eens een woedeaanval heeft of ongehoorzaam is, lijdt niet en misschien is zijn opstandig gedrag niet eens negatief maar heeft het kind gegronde reden. Het begrip “gedragsstoornis” wordt dan voor de deskundigen van de HGR een passe-partout voor de meest uiteenlopende situaties en problematieken. Blijkbaar gaat men ervan uit dat al die problematieken dezelfde oorsprong hebben. De ideologie hierachter herleidt elk persoonlijk of sociaal onbehagen tot een strikt gedragsmatige of biologische oorzaak. Al geeft men en passant wel toe dat sociale- en onderwijshervormingen nodig zijn, toch gaat alle aandacht naar het in de prilste kindertijd opsporen van de eerste tekenen van een soort “voorbeschiktheid” tot later onaangepast gedrag. Ter preventie hiervan zal men dan maatregelen op gedragsmatig én medicamenteus vlak voorstellen. Deze benadering wil ons doen geloven dat het mogelijk is wetenschappelijk en vroeger dan ooit te voorspellen dat een kind dat op zijn eerste of tweede jaar opvallend “raar” doet, later in aanvaring zal komen met de wet. Op deze wijze wordt een opvoeding gepromoot die niets meer is dan een zuivere dril en wordt de ouder-kind-verhouding een eenvormig en strak gedragspatroon. Dat de “psyche” van een kind bijzonder complex is en meer is dan wat oppervlakkig aan zijn gedrag valt waar te nemen, wordt niet meer in rekening genomen. De bijzonderheid van elk kind en van elk probleem, zoals die naar voren kan komen in niet-gestandaardiseerde ontmoetingen en gesprekken waaraan degene die “lijdt” zelf ook actief deelneemt, gaat volledig verloren. De “gedragsmatige” benadering kan dus hoogstens leiden tot een uitgekiende combinatie van conditionering én medicamenteuze controle van het gedrag. Een controle die, zoals elke controle, het gevaar inhoudt uit de hand te lopen, met catastrofale gevolgen, niet alleen voor de gezondheid van het kind, maar ook voor de sociale relaties in het algemeen, voor het sociale weefsel dus.

2. De impasses van een over-medicalisering van het psychisch lijden bij kinderen. De eenzijdige nadruk op het opsporen van ongewenst gedrag bij kleine kinderen en dit aanduiden als een “stoornis” brengen vrij automatisch met zich mee dat dit gedrag zo snel mogelijk uit de wereld moet geholpen worden, hetzij door gedragstraining (“gedragstherapie”), hetzij met behulp van medicamenten. En dit laatste is in wezen het “goedkoopst”. Het vaststellen van ongepast gedrag bij kinderen zal er dus onvermijdelijk toe leiden dat nog meer kinderen omwille van eerder banale problemen een medisch-psychiatrische diagnose krijgen en behandeld worden met psychofarmaca waarvan de werking en de nevenwerkingen op de verdere ontwikkeling van het kind, van zijn hersenen en andere organen en van zijn gevoelsleven en zijn intellectuele groei, nauwelijks bekend zijn, zeker niet op de lange termijn. Ongetwijfeld denkt u daarbij aan de gulzigheid waarmee geneesheren kinderen het ADHD-medicijn Rilatine voorschrijven, maar ook het toedienen van zware antipsychotica grijpt om zich heen, zelfs als die middelen niet geregistreerd zijn als geschikt voor kinderen. De marketing van de farma-industrie speelt hier handig in op de ongerustheid van ouders en op de wens van dokters om aan de ouders de indruk te geven dat ze “echt iets doen aan het probleem”. In de Verenigde Staten lopen nu reeds een tiental processen van Staten die de farmaceutische bedrijven voor de rechter hebben gedaagd wegens onverantwoorde praktijken en misleiding van geneesheren en consumenten. Hierbij worden kinderen opgezadeld met zware antipsychotica (zoals Risperdal van “onze” Janssen Pharmaceutica) voor “aandoeningen” waarvoor het geneesmiddel niet is goedgekeurd. De farma-firma’s zoals Eli Lilly hebben de laatste twee jaar al miljarden dollars betaald om rechtszaken minnelijk te schikken. De situatie is nu zo dat in de USA 60 op 10.000 kinderen antipsychotica gebruiken (wat nog maar één soort van de groep van de psychofarmaca is); in Groot-Brittanië is dit 10 à 15 op 10.000. Bedenken we daarbij ook dat de meeste “dolle schutters” die in scholen schieten op alles wat beweegt, psychofarmaca nemen (Rilatine of antidepressiva). Bij ons loopt het nog niet zo uit de hand: en we laten dit best zo!

3. De ontsporingen waartoe het “voortijdig opsporen” van onaangepast gedrag zal leiden. Uit het voorgaande kan u reeds zekere gevaren en mogelijke ontsporingen afleiden. Het nodeloos opsolferen van kinderen met een psychiatrische diagnose, waardoor ze het gevaar lopen door vriendjes, familieleden en kennissen als “zotten” behandeld te worden (de zogenaamde “stigmatisering”) en riskeren in instellingen opgenomen te worden; het overmatig en dikwijls volkomen nodeloos medicijnengebruik met haar impact op de sociale zekerheidsbudgetten; ongerustheid bij ouders dat hun kind als misdadiger kan of zal eindigen; enzovoort.

4. De ideologie van de mens als machine. De benadering om op basis van gedragsuitingen van kinderen die als het ware pasgeboren zijn, jeugddelinquentie af te leiden en te voorspellen en de aanpak om deze delinquentie door een soort gedragsdressuur te verhinderen, ziet kinderen blijkbaar als een soort machines waarvan het goed functioneren kan verzekerd worden met wat smering met de juiste olie. De geschiedenis leert ons dat mensen als machines behandelen steeds met mislukkingen en rampen is geëindigd. Kinderen zijn een vat vol mogelijkheden: laten we hen de ruimte geven om hun mogelijkheden zo goed en zo veel mogelijk te ontplooien in plaats van hen in te perken op manieren die hun mens-zijn niet meer respecteren.

Het zijn vooral de psychoanalytici die op de meeting van 14 juni weerwerk bieden, maar zeker niet alleen zij. Wel al wie meent dat een “afwijkend” i.e. “ongewenst” gedrag voor het kind zelf zeer veel betekenissen kan hebben en niet zo maar als “ziekelijk” kan worden geïnterpreteerd. Gedragstherapie en medicijnen hebben het “voordeel” op psychoanalyse en andere dieper werkende therapieën dat zij snelle resultaten beloven, omdat zij zich enkel richten op het detailgedrag en niet op de hele persoon van de cliënt of patiënt. Gedragstherapie krijgt daarom uit progressieve hoek dikwijls de kritiek dat ze de mensen alleen zo snel mogelijk oplapt zodat ze zich terug kunnen laten “uitbuiten”. De ganse kwestie doet me soms denken aan de vertwijfeling die me overviel wanneer ik ergens in 1968 als 17-jarige in mijn dorp naar een lezing van een dokter van de Derde Wereld Beweging ging luisteren, die in de jaren 1960 in Congo in de Katangese mijnen werkte: “Als ik de zieken niet help, kreperen ze. Als ik ze genees, moeten ze terug naar de mijn en staan ze hier een maand later terug met dezelfde ziekte want met hun loon kunnen ze geen degelijk voedsel kopen en velen die ik verzorg, gaan uiteindelijk toch dood.”

Kortom, de discussie over de aanpak van moeilijke jongeren, is geen thema waar enkel psychiaters, dokters en andere kinderdeskundigen zich moeten over buigen. Het gaat niet alleen om een wetenschappelijke kwestie, maar in wezen in de eerste plaats om een politieke kwestie van sociale rechtvaardigheid en verdeling van de welvaart: want dan zouden ook de oorzaken weggenomen zijn waarom kinderen moeten gaan stelen, met of zonder gebruik van geweld en waarom kinderen door gebrek aan opvoedingsmiddelen van hun ouders of van de scholen waar ze school lopen, ontwricht raken en ontsporen. Het komt er niet op aan zoveel mogelijk blauw op straat te hebben, maar de voorwaarden te scheppen waarbij zo weinig mogelijk mensen (terecht of ten onrechte) de straat opgaan met misdadige bedoelingen. En dit is geen zaak van alleen maar psychiaters, psychologen of politiedeskundigen. Zij verbergen zich alleen achter de wetenschap om in wezen als belanghebbende burger (behorende tot de begoede klasse) politieke uitspraken te doen over hoe mensen horen samen te leven. Wel: daar hebben in een democratie niet alleen deskundigen iets over te zeggen.

De aanpak gebeurt nu feitelijk volgens het marktprincipe. De geestelijke en morele miserie van de bevolking vormt een basis voor allerlei privé-initiatieven om winst te maken. De ene verkoopt pillen, de andere bewakingscamera’s, nog een andere slaat winst uit de bouw van gevangenissen, en nog anderen door het propageren van allerhande therapieën waar soms een jaar later al niet meer over gesproken wordt. De éne maakt winst met “genezende” maatregelen, de andere met preventieve. Uiteraard kan een sociale en preventieve aanpak niet betekenen dat grove misdaden gepleegd door jongeren niet “genezend” worden aangepakt. Maar een evenwicht tussen al deze initiatieven kan pas bereikt worden door een beleid dat niet bepaald wordt door de markt maar dat door de overheid onder gemeenschapscontrole wordt uitgewerkt, met nadruk op het wegnemen van de voedingsbodem van armoede en achteruitstelling van zekere bevolkingsgroepen, die de oorzaak zijn van de ontwrichting van de geestelijke en persoonlijke ontwikkeling van kinderen en jongeren. Kortom, een socialistische aanpak.

Zeker Weten dat Wij Tolero zijn

Holebi of hetero? Tolerantie telt

Kathleen Van Brempt acht de Tolerocampagne meer dan ooit noodzakelijk

Kathleen Van Brempt is minister van Gelijke Kansen, Sociale Economie en Mobiliteit.

[Vrije Tribune in de krant De Morgen]

De Tolerocampagne, die ik lanceerde in samenwerking met Wel Jong Niet Hetero en verschillende jeugdbewegingen en die jongeren oproept om toleranter te zijn tegenover verschillen in seksuele voorkeur, kan niet overal op tolerantie rekenen. De vzw Actie Gezin is zopas een tegencampagne gestart, waarin holebi's onder meer verweten wordt geslachtsziekten te verspreiden.

Onze sensibiliseringsactie wil aan jongeren verduidelijken dat het niet uitmaakt of je holebi dan wel hetero bent, maar dat tolerantie belangrijk is. Die boodschap werd vertaald in de slogan 'F*ck holebi's en hetero's, ik ben tolero'.

Sinds kort circuleert er op het net een briefschrijfactie tegen de Tolerocampagne, georganiseerd door de Actie Gezin, een 'pluralistische' vereniging die beweert op te komen voor het gezin. De organisatie liet zich eerder al horen met campagnes tegen de adoptie van kinderen door holebi's en tegen medisch begeleide voortplanting bij holebi's.

De vereniging Actie Gezin verduidelijkt dat ze opkomt voor het "natuurlijke gezin", waarmee meteen gezegd is dat er ook "onnatuurlijke gezinnen" zouden bestaan. Dit soort biologisch taalgebruik mondt al snel uit in ziektemetaforen, althans dat leert de ervaring. Volgens Actie Gezin zou de Tolerocampagne bijdragen tot de "verontrustende toename van geslachtsziekten".

Vooral de toename van hiv schrijft Actie Gezin op het conto van de holebi's. We weten inmiddels dat niet de seksuele voorkeur, maar het gebrek aan een degelijke bescherming de verspreiding van hiv in de hand werkt, en dat de hiv-epidemie zich vooral doorzet in continenten waar homoseksuele contacten niet echt de gangbare praktijk zijn.

Maar de onderliggende boodschap van Actie Gezin is duidelijk. Bovendien wordt homoseksualiteit in verband gebracht met vrije seks, alsof holebi's niet, net als andere koppels, naar een warme en liefdevolle relatie verlangen.

De eerste mails van 'bezorgde mensen' arriveerden de afgelopen dagen al op mijn kabinet en bij de organisaties en jeugdverenigingen die meewerken aan de Tolerocampagne, zoals de Holebifederatie en Wel Jong Niet Hetero, de Katholieke Landelijke Jeugd (KLJ), de Kristelijke Arbeiders Jongeren (KAJ), Jeugd Rode Kruis en Chiro.

De toon van die mails is soms opmerkelijk. Ik geef enkele passages mee. Een briefschrijver die pleit voor meer fatsoen heeft het over "de f*cking campagne van minister Van Brempt. (Als er een sterretje tussenstaat mag je toch zeggen wat je wilt)". Een andere briefschrijver vindt dat holebi's "bewust in de kijker willen lopen met wansmakelijke, arrogante acties die de normale mens uitdagen en uitlachen". Volgens nog iemand anders zegt de Bijbel dat God "homoseksualiteit haat en de steden Sodom en Gomorra zijn twee prachtige voorbeelden van wat er met een stad, die deze dingen praktiseert of tolereert, kan gebeuren".

Ik krijg ook voorlichting van mensen die me melden dat God "niet voor niets de vrouw van een spleetje en de man van een piemelke heeft voorzien. En nu wilt u de mensen doen geloven dat het abnormale normaal is. Ik geloof dat het duizend keer beter zou zijn mocht u dat geld gebruiken om jongeren die met een onduidelijk rolpatroon opgegroeid zijn psychisch bij te staan om 'normaal' te leren denken".

Mocht ik niet zo verbaasd en geschokt zijn over deze reacties, dan zou ik de initiatiefnemers danken. Zij tonen immers kristalhelder aan dat acties die oproepen tot meer tolerantie absoluut noodzakelijk blijven. Dat is ook de reden waarom in mijn ontwerpdecreet 'Gelijke kansen en gelijk behandelingsbeleid', dat de Vlaamse regering in februari goedkeurde, discriminatie op grond van seksuele voorkeur opgenomen is.

De Tolerocampagne is nodig. Recent onderzoek wijst immers uit dat 43,5 procent van de Vlaamse jongens en 23,5 procent van de meisjes een negatieve houding heeft tegenover holebi's. Discriminatie op grond van seksuele geaardheid komt in heel Europa nog vaak voor.

Ze staat in de Europese top drie, na discriminatie op basis van afkomst en van handicap. Ook bij het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding staat het aantal klachten over discriminatie op basis van seksuele voorkeur op de derde plaats. Ruim 50 procent van de Europeanen is volgens de Eurobarometer van 2007 van mening dat homoseksualiteit een negatieve impact heeft op iemands maatschappelijke positie. Vooral de nieuwe EU-landen hebben het moeilijk met gelijke rechten voor holebi's.

In België, zo dachten velen, is de strijd allang gestreden. Ons land vervulde een pioniersrol in de wereld, samen met Nederland en Denemarken, toen het huwelijk ook mogelijk werd voor holebi's.

Ondertussen krijgt ons voorbeeld navolging in vele landen. Dat is een goede zaak, omdat we zo alle gezinnen gelijke kansen geven om zich ten volle te ontplooien. Vandaag zijn de gezinsvormen uitermate divers geworden, gaande van klassieke gezinnen over eenoudergezinnen, nieuw samengestelde gezinnen en kinderloze gezinnen tot holebigezinnen. Er is geen enkele reden om de ene gezinsvorm te bevoordelen of een andere te benadelen.

Iedereen heeft recht op waardigheid en geluk, en heeft het recht dat te delen in de warmte van een gezin, met of zonder kinderen. Een progressief gezinsbeleid moet de voorwaarden creëren die deze gelijke kansen garanderen.

De praktijk leert ons echter dat sommige gezinsvormen minder kansen krijgen dan andere - ik denk aan eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen - en dat sommige gezinsvormen zelfs te kampen hebben met al dan niet verdoken vormen van discriminatie.

Als minister van Gelijke Kansen is het mijn opdracht om daarover te waken en indien nodig maatregelen te nemen. Omdat vooral holebi's het soms knap lastig kunnen krijgen, zette ik de Tolerocampagne op touw. Ze heeft nu al haar nut bewezen. Ik wil daarom ook de organisaties en de jeugdverenigingen die aan de campagne deelnemen hartelijk danken. Hun steun getuigt van moed en warmte. En dat is, zo blijkt nu uit de kille reacties, absoluut noodzakelijk.

Patiënten of Masochisten ???

De vraag of geestesziekten bestaan hebben we altijd met "nee" beantwoord. Iemand die dingen ziet die "er niet zijn", iemand die het niet meer ziet zitten en zich laat gaan in de melancholie, iemand die beurtelings enthousiast en daarna van de vermoeidheid een week lang in bed blijft, is niet "ziek" in de medische zin van het woord. Mensen met dit soort eigenschappen wiens leven natuurlijk niet gemakkelijk is omdat hun omgeving hun eigenheid afstraft, zijn dan eigenlijk ook geen patiënten.

De vraag of sommige "patiênten" in wezen masochisten zijn die ervan genieten zich te laten vernederen, te laten mishandelen en zelfs te laten folteren, moeten we echter wel met JA beantwoorden. En een paar van die lieden willen dan nog twee vliegen in één klap vangen. Ze komen ook nog bij je klagen over de vernederingen die ze ondergaan, zodat je je inzet om voor hen mogelijkheden te zoeken opdat hun miserie zou eindigen: ze genieten dan nog eens extra van hun zelfbeklag, van de aandacht die ze krijgen en van het plezier vast te stellen dat anderen zich voor hen uitsloven. Kortom, bij de psychiater en de verpleging gedragen ze zich als genietende masochisten en naar mensen toe die zich op hun vraag voor hen willen inzetten, ontpoppen ze zich als al even hard genietende sadisten.

HET NETWERK HEEFT DAN OOK BESLIST OM VOORLOPIG GEEN INDIVIDUEN MEER BIJ TE STAAN DIE BIJ ONS KOMEN KLAGEN OVER "MISBRUIK".

Verleden maand hadden we al iemand de wettelijk voorziene oplossing aan de hand gedaan om aan zijn mishandeling door de psychiatrie te ontsnappen: het had ons twee dagen werk gekost. Maar meneer liet weten ons advies toch maar niet te volgen, uiteraard zonder reden op te geven. Twee weken hebben we niets meer van hem gehoord, terwijl hij voorheen elke dag mailde of belde. Na twee weken belde hij terug om te janken: "Ik word weer mishandeld!". We hebben hem geantwoord: "Je verdiende loon. Ga maar in de kapel van het ziekenhuis bidden en brand een kaarsje aan het altaar van de Heilige Rita." En we hebben neergelegd. Patiënten moeten zich niet gedragen als mensen die denken dat ze zich alles kunnen veroorloven.

We hadden ons toen al (en vroeger ook reeds) de bedenking gemaakt dat in het katholieke Vlaanderen (stel u voor dat Nietzsche ooit in Vlaanderen had gewoond, wat zou hij dan niet over het christendom geschreven hebben!) de machtspsychiatrie zo welig tiert in de eerste plaats omwille van de oerchristelijke, bekrompen en slaafse mentaliteit van de patiënten zelf: ze genieten van hun lijden, hun schuldgevoelens, hun boetedoening, hun statuut van slaaf, zoals het een vrome christen betaamt. En daarin verschillen ze uiteraard niet van de doorsnee Vlaming.

De laatste twee weken hebben we er ons echter weer toe laten verleiden om voor dat slavenvolk in de bres te springen. We hebben ons weer de voeten van onder het lijf gelopen voor twee ernstige gevallen van schending van de mensenrechten in de psychiatrie, op vraag van de betrokkenen zelf die ons vroegen na te gaan hoe een einde kon worden gesteld aan de mensonterende "behandeling" die ze ondergingen. We zijn dag en nacht bezig geweest: nachecken van de informatie, opzoekingen, alarmeren van bevoegde instanties, politici gevraagd brieven te schrijven, telefoneren naar links en rechts, etc. Uiteindelijk toen ze kregen wat ze hadden gevraagd, lieten ze weten dat een leven onder het veilig onderdak van de psychiatrische machtswellustelingen toch te verkiezen was boven een leven in vrijheid met al zijn risico's en onzekerheden.

Wat denken dat soort lieden eigenlijk? Dat patiënt zijn hen het recht geeft met de voeten van anderen te mogen spelen omdat er zelf met hun voeten wordt gespeeld?

Met dit soort patiënten is het niet moeilijk dat er zoveel misbruiken zijn in de psychiatrie. Ze vragen er als het ware om vernederd en mishandeld te worden, ja zelfs om mentaal en fysiek gefolterd te worden in de letterlijke zin van het woord. En in ieder geval: ze verdienen niet beter.

Patiënten, patiëntenverenigingen, psychiaters, farma-industrie, overheid, KBC die de rekeningen van de ziekenhuizen beheert, Vaticaan en haar congregaties van nonnen en paters die eigenaar zijn van de psychiatrische inrichtingen: allemaal mensenhandelaars in anderen of in zichzelf!

We zullen morgen via onze contacten op de ambassade de Iraniërs vragen om hun eerste kernbom niet op Israël te droppen maar op dat stomme Plat Pays Bas, liefst op Scherpenheuvel: dan ligt zowat gans Vlaanderen onder de nucleaire fallout.

Bah!

Psychiaters: folter ze dus maar, die patiënten! Ze genieten ervan. En ze hebben al zo weinig in het leven waarvan te genieten valt. Psychiaters zijn weldoeners voor masochisten. Paus Benedictus XVI kan straks het hele gilde van die sadisten zalig verklaren.

Ja, inderdaad ...

... het wordt een KLUCHT. Met op de eerste rij: kruideniers waarvan de houdbaarheidsdatum al weken verstreken is.

We gaan in  West-Vlaanderen maar beter terug met de "marbels" gaan spelen. Of "katjedran"!

Gaan jullie maar onder psychologische begeleiding en met een psychiatrisch veldhospitaal ten oorlog naar Afghanistan! Het Generatiepact geldt gelukkig niet voor ons! En indien wel: ik liet me als bouwvakker van het 10de verdiep vallen. Zo deden we het destijds toch allemaal om niet te moeten gaan werken?

Sorry kids: maar het Netwerk heeft niets meer te zeggen. En we waren te stom om een patent te nemen op alles wat we gezegd hebben.

Het kan ons gewoon geen ballen meer schelen!

ON N'EST PAS SÉRIEUX QUAND ON A DIX-SEPT ANS

On n'est pas sérieux quand on a dix-sept ans
Un beau soir, foin des bocks et de la limonade,
Des cafés tapageurs aux lustres éclatants !
On va sous les tilleuls verts de la promenade.

Les tilleuls sentent bon dans les bons soirs de juin !
L'air est parfois si doux, qu'on ferme la paupière ;
Le vent chargé de bruits, - la ville n'est pas loin, -
A des parfums de vigne et des parfums de bière...

Voilà qu'on aperçoit un tout petit chiffon
D'azur sombre, encadré d'une petite branche,
Piqué d'une mauvaise étoile, qui se fond
Avec de doux frissons, petite et toute blanche...

Nuit de juin ! Dix-sept ans ! On se laisse griser.
La sève est du champagne et vous monte à la tête...
On divague, on se sent aux lèvres un baiser
Qui palpite là, comme une petite bête...

Le coeur fou robinsonne à travers les romans,
Lorsque, dans la clarté d'une pâle réverbère,
Passe une demoiselle aux petits airs charmants,
Sous l'ombre du faux-col effrayant de son père...

Et, comme elle vous trouve immensément naïf,
Tout en faisant trotter ses petites bottines,
Elle se tourne, alerte, et d'un mouvement vif...
Sur vos lèvres alors meurent les cavatines...

Vous êtes amoureux. Loué jusqu'au mois d'août.
Vous êtes amoureux. Vos sonnets la font rire.
Tous vos amis s'en vont, vous êtes mauvais goût.
Puis l'adorée, un soir, a daigné vous écrire !...

Ce soir-là,... vous rentrez aux cafés éclatants,
Vous demandez des bocks ou de la limonade...
On n'est pas sérieux quand on a dix-sept ans
Et qu'on a des tilleuls verts sur la promenade.

Poème d'Arthur Rimbaud

Entertainment voor Psychotici die ...

op aanraden van hun psychiater:
1.  hun ganse menselijkheid (of gebrek eraan) hebben verschrompeld tot hun psychose; die uit eigenbelang schapen van de Heer zijn geworden;
2. zich hebben wijsgemaakt dat ook hun hart en darmen geregeld worden door dopamine van Amerikaanse of evangelische makelij;
3. zich door hun opvoeders, psychotici van beroep, gewillig hebben laten onderwijzen in de psychose;

4. zich voorhouden dat de tyrannieke krachten die (met hun toestemming) bezit hebben genomen van hun "geest", en van hun doen en laten, alleen te bestrijden zouden zijn door zelf de rulers te worden van deze wereld en de kosmos in zijn geheel;
5. eigenlijk niet in de ware zin psychotici zijn, maar gewoon dommeriken, die niets anders rest dan met de veinzerij van een psychose de gemeenschap wat aandacht (i.e. geld) af te troggelen, maar uiteraard te dom zijn om te beseffen dat ze die aalmoes maar krijgen als ze bereid zijn zich te vernederen tot slaven van de Macht.

Hier wat entertainment voor deze fanatici, sekteleden, groupies van de Wetenschap, en misdienaars in witte, zwarte en indigo kerken:

* de film Zeitgeist waarvan u diverse fragmenten kunt zien op You Tube, bv.
http://nl.youtube.com/watch?v=Mzciu8HvfwA&feature=related

of:

* de film Endgame waarvan u eveneens op You Tube voorsmaakjes kan zien, bv.
http://nl.youtube.com/watch?v=pkgGOFXuYPw

Wij daarentegen, wij zijn hysterici, wij zijn "gek" maar zonder ons vermogen voor gevoelens en ons verstand te verliezen.
Wij spreken liever met gewone mensen in plaats van ons oor te luisteren te leggen bij zij die de éne New World Order willen vervangen door een andere New World Order, de "slechte" elite door de "goede" elite, de Antichrist door Christus of vice versa.
En wij vinden onze entertainment in het vallen van de bladeren in de herfst, in het gespin van onze kat en in de warme hand van een gelijke.

Ni Dieu, Ni Maître!
Weg met de Leiders én met hun volgelingen, handlangers en trawanten, zijnde de Onderdanen, de Idealisten (altijd gevaarlijke lieden geweest) en de Armen van Geest!

Goed, beter, best, beestig !!!
Back to Basics. VIVE LES ENRAGÉS!

"Sous les pavés, la plage!"

Manifest

  1. De samenleving, het samen-leven vernietigt zichzelf als de éne mens de andere moet wantrouwen, als de angst heerst en elkeen zich moet laten beschermen en beveiligen door een macht gewapend met pistolen en kogelvrije vesten (de “politiestaat”) of een macht die ons bezweert dat het Kwaad in ons zelf zit (de “psychotherapie”).
  2. Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid zijn pas mogelijk als ik me kan openbaren aan de ander, zonder schrik door hem of haar op de Grote Markt van mijn handtas of portefeuille beroofd te worden, zonder schrik dat morgen mijn job door hem of haar zal ingenomen worden, zonder schrik dat mijn kinderen mijn bankrekening plunderen. Zonder de zekerheid dat ik de ander kan vertrouwen is geen samenleving mogelijk en uit te bouwen. Zonder die zekerheid ben ik wel gedwongen me over te geven aan mensen die zich aandienen als “experts” die er alleen op uit zijn winst te maken op mijn miserie of de belastingen die ik betaal opdat de overheid scholen en hospitalen zou bouwen of wegen te onderhouden, af te leiden van die bestemming waarvoor wij de overheid aanvaarden als wettelijke vertegenwoordiging van onze behoeften en verlangens.
  3. Die latente burgeroorlog waarbij kinderen en ouders elkaar wantrouwen, waarbij collega’s elkaar op het werk als spionnen in het oog houden, aandeelhouders en beleggers hopen dat de anderen wedden op de verkeerde fondsen, etc., dit is niet de samenleving die wij willen. Wij willen niet beschermd worden tegen het overal heersende Kwaad, maar een samenleving waar de mogelijkheden optimaal zijn om ons in onze menselijkheid te openbaren zonder schrik te moeten hebben dat die uitnodiging tot openbaring een valstrik is die men ons spant om ons te verwijzen naar gevangenis, instelling of één of ander Kamp. Wij willen als het ons goed zint, “uitzondering” kunnen zijn, i.e. ons eigen te kunnen zijn, gelijk aan niemand anders en dus gelijk aan iedereen, zonder gevaar te lopen dat dit uitzondering-zijn betekent dat we afgevoerd worden als “ziek”, “crimineel” of “immoreel”. En waarbij niemand verplicht is elke dag uitzondering te zijn, waar uitzonderlijkheid dus geen pose of masker of veinzerij is.
  4. Wij willen leven zonder vijanden, noch Chinezen die het speelgoed van onze kinderen zouden vergiftigen, noch Russen die de aardgaskraan zouden dichtdraaien, noch moslims die zelfmoordaanslagen zouden plegen, noch Afrikanen die op gammele bootjes onze kusten zouden bestoken. En zeker niet met een vijand in ons zelf, dat “ergens anders” in ons zelf (“Natuur”, “God”, “Onbewuste” etc.) dat men ons wil aanpraten als de “Schurkenstaat”, “Antichrist”, “Elio di Rupo” of dwazer nog de “moordenaar van Annick Van Uytsel” of de “ontvoerder van Maddie Mc Cann”.
  5. Kortom, wij willen onbevangen kunnen leven, werken, nuttig zijn voor ons zelf en voor anderen, op veel momenten zelfs doelloos zijn en gewoon genieten en beseffen dat het leven kort is en de dood eeuwig.

Psychologie als Christelijk Geloof

Het is een cliché te beweren dat de psychiaters en de psychologen de opvolgers zijn van de priesters en de christelijke zielzorgers. Het is inderdaad een cliché - maar een waar cliché.

Zoals de priesters over de mensen heersten door hen wijs te maken dat ze in zonde leefden, dat al wat ze dachten en deden mogelijk zondig was, zo maken de psychologen en de psychiaters ons wijs dat we mogelijk en vermoedelijk tot hoogstwaarschijnlijk lijden aan een syndroom, een stoornis, aan stress of low self-esteem, dat we depressief zijn, ziekelijk verlegen of psychotisch verliefd, lijden aan posttraumatische stresstoornis, dat onze angst voor spinnen het topje van een ijsberg aan trauma's is, dat we si en la moeten 'verwerken' (van een kind dat in Portugal is ontvoerd, een bomaanslag of een gaslek tot het morsen van wat koffie op de grond of het vergeten zijn de vuilniszakken op straat te zetten), etc.

Zoals de priesters leren al deze psychologen-zielenherders ons voortdurend naar binnen te kijken, in ons zelf (in ons 'ware' zelf) zodat we op de duur ons wel ongelukkig, angstig en beschaamd moeten voelen! Zoals de macht van de priester afhing van ons 'zondebesef', van de mate waarin we onszelf en elkaar aanpraatten dat onze gedachten en handelingen zondig waren en dat we via boetedoening gods vergiffenis moesten zien te bekomen, zo berust de macht van de psychiatrie/ologie op de mate waarin we onze tijd vergooien met ons 'binnenste' uit te kammen met de vraag of we wel echt gelukkig en goed bezig zijn, met de vraag of wat we doen of denken wel uit ons 'ware zelf' komt en met elkaar te achtervolgen met de beschuldiging dat de gevoelens die we uiten misschien niet onze 'ware' gevoelens zijn, en met onze naaste die vrolijk en gelukkig is te affronteren met de opmerking of het wel geoorloofd is in deze wereld van zonde, oorlog en ellende een vrolijk en gelukkig moment te kennen.

Deze strategie van op 'offers' (= geld) beluste priesters en psychologen en psychiaters om ons ongelukkig en angstig te maken, om ons aan te sporen ons ellendig te voelen, ons te verlagen tot zwakkelingen en hulpbehoevenden, het is een bijzonder slimme truuk. Zo vergooien en verspillen we onze energie door ons met schimmen, demonen, duivels, symptomen en syndromen in ons binnenste bezig te houden in plaats van naar buiten te kijken, naar de wereld en haar werkelijkheid. In plaats van ons te verheffen en meer te worden dan we al zijn, verlagen we ons tot slaven en laten we ons de kaas van tussen onze boterham nemen. 

Radikaal Nu !

Na al dat pseudo-gedoe rond de Mad Pride die alleen een paar lieden met connecties zitjes moet geven in beleidscommissies (met zitpenningen uiteraard) en de psychologen moet toelaten de plaats van de psychiaters in te nemen (de coördinator van deze site is zelf psycholoog, doctor in de psychologie zelfs) tijd om eindelijk met de échte zaken op de proppen te komen.

Voor RECHT op LEVEN vooraleer de zelfmoord en de "killing me softly"-therapieën ons lot zijn. Het taboe probleem van de bijna dagelijkse doden en zelfmoorden in en door de "psychiatrie" moet eindelijk aandacht krijgen. De nodeloze vrijheidsberoving en de uitzichtloosheid van de dwangbehandeling, waarmee de "zorgverstrekkers" onze belastinggelden opsouperen: het moet eindelijk eens gedaan zijn.


Heel snel hoort u van ons.

the beauty path

walk this way .. walk this way .. walk this way ..

by Sharon Clausen

We know the medical walk, the institutional walk, the shrink walk and the psychosocial walk - and most certainly, again and again, the social death walk; but talk about walking the beauty path of mental illness, though it happens, happens almost silently, and in soft voices and chuckles, and without a name, and splashed in wordless color and music and unseen and unrecognized by the outsiders, the normies all around us. We hide it with our slave language, our secret looks, words, signs, laughter.

We are awash in confusions of language caused by the persistent misuse and redefinition of words by funding and control sources. These obfuscations are used to mask the truth that the "new" program - whatever it is - is another top-down, power-over control proposal that denies mental health clients the right to understand themselves and their lives in their own terms. This is cultural annihilation as well as social death. If we absorb the outsiders myth of who we are (un-rational people who are violent, unpredictable, dangerous, evil, inadequate, unwholesome and lacking in insight) our creative, generous, wise, romantic, ethereal and spiritual qualities will shrivel - our beauty path will be obscured.

May you live in interesting times - an old Chinese curse, it is said. And we DO live in interesting times. Like it or not, we are all being dragged down a path of chaos, instability, violence and catastrophe - and we must live our part of it. In beauty we will walk our life path - or not. We don't have a choice about times being interesting, but we do have to choose beauty, or that path may fade. Interesting times, times of challenge and catastrophe, times that require audacity and creativity and grit to survive - this is our fate, how will we face it?

And we are interesting people. We are people who have confronted catastrophe and challenge in our personal lives. We have discovered that our lives are based on falsehood, or our expectations are as the mist, or our trust is shattered, or our belief in our dream is mocked, our families deceive us, our communities scorn us, our therapists lie to us. And out of this we prevail. We learn, change, suffer our way to better faith, sounder trust, new expectations, new community. This is not recovery. This is growth, maturity, self-actualization, critical thinking, spiritual rebirth, meaningful living.

No, we do not recover and become again the "normal" person we were or were supposed to be. No longer defined by common and thoughtless standards and morals - for those are what have bowled us over - we define our own ethics, we seek our own more powerful and true meanings for who we are.

With our wealth of experience in re-creating ourselves and prevailing, we are the citizens who can help this nation understand how to survive interesting times. We can help to transform the disconnect and dysfunction of a structure that has come to value jailing its citizens as a more worthy task than educating them, that values children by ignoring their educational and nutrition needs, elders by letting them choose between food or medicine, its workers by outsourcing jobs and downsizing careers, its ancient redwoods by cutting them down as fast as possible, its poor by taxing them at a higher rate than the rich are taxed. In place of this irrationality that is presented as sane social policy, we can offer a way that is crazy enough to put people before profits and care before counting the statistics. We can demonstrate how care will heal where trauma does not.

We know that trauma causes illness, both physical and mental. We know that violence causes trauma, whether you call it a spouse's right, a religious imperative, a political necessity, a heroic act, a medical necessity, a surgical strike, behavior modification, a terrorist incursion, involuntary treatment, tough love, protecting democracy, shock and awe, ethnic cleansing collateral damage or police protection.

If we walk our own beauty path, the beauty path of mental illness, we will see that our psychic adventures, our psychological discoveries, our difference has enriched our lives, saved our lives, re-directed our lives into paths of greater meaning and significance.

Are there common understandings with which we can nourish each other? Skills and arts to learn from one another? Protection and solace we can offer to each other in community? Are our spiritual learnings similar or different? If we can fist share our paths and conversations with each other, the strength we gain by joining and pooling our wisdom could lead to discovery of powerful new and liberating messages of inspiration for our community and others.

We do have power, we have skills and knowledge and we want to be part of healthy developments and change in the world. We want the chance to contribute our beauty for the benefit of all.

We want to be respected and acknowledged as something other than a burden to society, a bother and disturbance of family and neighborhood peace. We want to walk in dignity and with the knowledge that we add value to society.

We need to free ourselves from the domination of top down control and power over mythologies of social order and psychological management that are so intolerant of diversity. To do this, we need to disentangle ourselves from the acculturation to institutions, from learned helplessness, from other groups who want to define us their way, and honor our own understanding and knowledge, our difference and diversity. For it is in that very diversity and learning that we find our strength, beauty, understanding, creativity and so much else that contributes to a better, more joyful and meaningful way of living.

I hope we can all walk our paths here and share what we know. I can speak only of my own journey and understanding. Are you willing to explore and explain your beauty path? If each of us speaks our truth here, what will we all learn?

Through the pain of being "different", of not understanding what "everybody" knew, of marching to a different drummer, of hearing a different tune, I learned:

* That simple living is respectful of the earth, respectful of communities and healthy for individuals.
* That we all have things to teach one another, we all have things to learn.
* That befriending a person makes them unique in the world, and therefore so precious.
* There is more joy in doing something meaningful than in going for the glory.
* That meaningful relationships and bringing beauty to the world have more value than any amount of money.
* That valuing every life is heartwarming; that corporations value every dollar - but not every life.
* That the dominators are the real losers in life.
* That those who fail have time to be human, to see the path and to grapple with the tentacles of pride.
* That making friends will end terrorism, but domination will not.
* That violence may achieve obedience, but it will not bring peace.

And that's the truth.
What's your truth?

Welvaart, welzijn, neoliberalisme, subjectiviteitsverlies

Welvaart, welzijn & het vals bewustzijn van het hyperindividu

Wouter Aers (Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging)

1. De neoliberale heilsgeschiedenis: groei en het money illusion syndrome (diagnose)

Vertaalt welvaart zich automatisch in welzijn, trefzeker geleid door de onzichtbare hand van de vrije markt? Of schuilt er meer waarheid in het aloude adagium ‘dat geld niet gelukkig maakt’? De profeten van het neoliberalisme springen alvast enthousiast op uit hun (doorgaans lederen) fauteuils om juichend de eerste stelling te omarmen. Maar het zou voorbarig zijn enkel de heren van stand op het precaire karakter van hun onvoorwaardelijke enthousiasme te wijzen. De kans is klein dat het money illusion syndrome (MIS), het geloof dat méér geld ons gelukkiger zal maken, binnenkort door het gild van Amerikaanse psychiaters, de American Psychiatric Association, bij wijze van handopsteking tot een officiële geestelijke stoornis wordt verheven. (Wie weet wordt de compulsive bying disorder, die vrijwel zeker de volgende versie van de DSM zal halen, er wel de wegbereider van.) Toch kan men gerust gewagen van een MIS-epidemie met pandemisch karakter die zowel werknemers als werkgevers heeft getroffen. Geschat wordt dat 95 tot 100% van de wereldbevolking vatbaar is voor de aandoening. Die wordt voornamelijk gekarakteriseerd door de waan dat het structurele menselijke tekort zal verdwijnen door het verwerven van zo veel mogelijk financiële en materiële middelen. De stoornis is over het algemeen chronisch. De etiologie wordt nog niet volledig begrepen, maar er is groeiende evidentie voor de hypothese dat ze wordt veroorzaakt door een biochemisch onevenwicht van bepaalde neurotransmitters. Voornamelijk m.b.t. het onderzoek naar de rol van serotonine, dopamine, noradrenaline, zijn de verwachtingen hoog gespannen. Opvallend kenmerk van het MIS is namelijk de frequente psychiatrische comorbiditeit met stoornissen als angst,
depressie, verslaving, ADHD en het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), stoornissen die volgens bepaalde wetenschappers immers eveneens door een onevenwicht van neurotransmitters worden veroorzaakt.

Zoals we later zullen zien zijn de existentiële categorieën schuld en schuldvraag ook met de secularisering nog lang de wereld niet uit, al is samen met de transformatie naar het (post)moderne mensbeeld ook de specifieke aard van de ‘schuldige’ van gedaante veranderd. Voorlopig het belangrijkste is duidelijk te stellen dat het niet onze bedoeling is alle door MIS getroffenen persoonlijk voor hun aandoening verantwoordelijk te stellen. Het geloof in de zich automatisch voltrekkende één-één-duidige omzetting van welvaart in welzijn is namelijk niet alleen de assumptie van waaruit de holle klanken van de huidige mantra van de actieve welvaartstaat weerklinken, ze is ook de fundamentele vooronderstelling (waarmee het neoliberalisme wordt gepromoot) van het kapitalisme zelf: dat meer economische groei leidt tot meer geluk. En die geloofsact wordt vandaag beleden door zowat alle grote partijen in het Westen, en uiteraard in toenemende mate ook in het Oosten. De standpunten kunnen nog wel uiteenlopen op het sociale vlak maar er bestaat een allesoverheersende consensus dat economische groei de prioritaire doelstelling van elke regering is. Volgens de econoom Clive Hamilton vervult onze moderne obsessie met groei dan ook niets minder dan de rol van fetisj: “that is, an inanimate object worshipped for its apparent magical powers.”

Economische groei lijkt op het eerste gezicht slechts het eenvoudige idee van de jaarlijkse stijging van het volume van goederen en diensten. Maar, schrijft hij, “closer analysis reveals that it abounds in metaphysical subtleties and theological niceties.” Hij maakt de vergelijking met Papua-Nieuw-Guinea tijdens de jaren 1930, toen plots een proliferatie viel waar te nemen van allerlei religieuze bewegingen die de komst van een nieuw tijdperk van overvloed voorspelden. Die nieuwe tijd, zo geloofde men, zou worden aangekondigd door de aankomst van door bovennatuurlijke wezens gezonden goederen. In afwachting daarvan bouwden sommige leden van de goederenculten alvast symbolische landingsstroken en opslagplaatsen. Dat de cultus groeide uit een magisch- naïeve interpretatie van de observatie van vliegtuigen en schepen die uit het niets schenen op te duiken om de kolonialen te bevoorraden, doet niets af van de zowel inhoudelijke als structurele equivalentie van groeifetisj en goederencultus: “Cargo cults and the growth fetish both invest magical powers in the properties of material goods, possession of which is believed to provide for a paradise on earth. This state can be attained through more cargo or more money; each has prophets whose role is to persuade ordinary people to keep the faith, to believe that more cargo or more money will arrive and will take believers to a plane of ecstasy.

Het lijkt er inderdaad sterk op dat, terwijl we opgelucht de traditionele christelijke heilsgeschiedenis aan het uitwuiven waren, met het vaste voornemen ons vanaf nu enkel nog op het Diesseits te richten, langs de achterdeur heimelijk haar seculiere variant, het neoliberalisme, naar binnen is geglipt. Oude vormen en gedachten laten zich niet zo gemakkelijk vernietigen. Met de term ‘neoliberalisme wordt verwezen naar de politiek die vanaf de jaren zeventig werd gevoerd om de expansie van private corporaties te faciliteren door deregulatie en privatisering. Elke “overheidsinmenging” in de economie – en wellicht is ook de lezer niet immuun voor de negatieve connotatie die dit begrip gaandeweg heeft gekregen – was taboe. De massale overheveling van middelen van de publieke naar de private sector zou, met competitie en concurrentie als glijmiddel, leiden tot een betere dienstverlening en verhoogde efficiëntie. Taken die voorheen nog als essentiële verantwoordelijkheden van de overheid werden beschouwd, zoals openbaar vervoer en gezondheidszorg, moesten door die overheid worden ‘afgestoten’ als waren het kwaadaardige gezwellen. Natiestaten zijn ondergeschikt aan de vereisten van economische vrijheid. “Marktwerking” is het toverwoord: de markt moet worden geïntensifieerd en uitgebreid door de maximalisatie van aantal en frequentie van transacties. Ideaaltypisch zou het (onbereikbare, maar wellicht daardoor zo aanlokkelijke) paradijs op aarde slechts dan gevestigd zijn wanneer élke handeling van de mens als markttransactie kan worden geformaliseerd en ‘in rekening gebracht’. De lezer zal wellicht gniffelen van ongeloof bij dit idee, maar moet beseffen dat het proces dat zou kunnen uitmonden in de uiteindelijke beschrijving van menselijke kwaliteiten in termen van hun marktwaarde of als ‘valuta’ reeds lang begonnen is. Het is nog niet zover dat de codering van menselijke bekwaamheden een wetenschappelijk mengsel is van geattesteerde kwalificaties én van de genetische code van de drager van die kwalificaties, zoals Berkhout & Wielemans dat kritisch uitwerken in een neoliberaal-Orwelliaans visioen. Toch is de voortschrijdende kwantificering van de zogenaamde human resources overduidelijk: marktafstemming van hogeschool- en universitaire opleidingen, het accreditatiediscours, de universitaire bachelor-master structuur waarbij het de bedoeling is dat een bachelor na een driejarige opleiding ‘klaar is voor de arbeidsmarkt’, toename van psychometrische testen bij selectie en aanwerving, …

De kwantificering van het subject in termen van en met het oog op de inschakeling in het productieproces is bovendien nog maar één zijde van de neoliberale medaille. In een economie moet namelijk niet enkel geproduceerd maar ook geconsumeerd worden. De moderne mens is dan ook een producent-consument, waarvan het verlangen in toenemende mate gedefinieerd wordt in termen van goederen. Over deze dehumaniserende, want desubjectiverende aanslag op het subject later meer. Maar de vermarkting van de leefwereld is niet enkel aanwijsbaar op het individuele vlak. In haar magistrale werk The Human Condition analyseert Hannah Arendt de teloorgang van de publieke ruimte, de constitutieve ruimte waarin mensen als een ‘wie’ en niet als een ‘wat’ aan elkaar kunnen verschijnen. Het is het domein waarop mensen eerst kunnen handelen, omdat in de private sfeer, de wereld van arbeiden en werken, het handelen wordt verdrongen door de noodzaak. Nu wordt volgens Arendt de moderniteit gekenmerkt door een proces van vermaatschappelijking, waarin het publieke domein in bezit is genomen door het private domein. Het gaat dus letterlijk om de oikonomisering van de publieke ruimte (het Griekse ‘oikonomos’ betekent huishouden). De arbeid, voorheen een zaak van het door de noodzaak geregeerde private domein, van het huishouden dus, heeft de publieke ruimte ingenomen en het handelen verdrongen. Die erosie van het publieke domein startte al met de opkomst van het moderne kapitalisme, maar sedert het neoliberalisme is de desintegratie van het politieke compleet. De macht is van eigenaar gewisseld en is nu in handen van de multinationals. De subordinatie van de natiestaten aan de vereisten van economische vrijheid is zowat compleet. De politiek zet zichzelf niet enkel buitenspel door de verabsolutering van marktwerking ten nadele van publiek beheer, waardoor ze haar eigen geloofwaardigheid ondermijnt, ze is zelfs ook wat haar interne structuur en positiebepaling betreft gezwicht voor het allesoverheersende marktdenken: standpunten zijn niet langer syntheses van een ideologische en pragmatische benadering van de werkelijkheid maar de resultante van opinieonderzoeken, marketeers worden aangesteld als partijvoorzitter om de partij beter te kunnen ‘verkopen’, spindoctors schoppen het tot schaduwvoorzitter…

Hoe is zulks een verregaande economisering van de samenleving mogelijk? Hoe is de economische logica erin geslaagd om samen met haar ‘waarden’ onze leefwereld te koloniseren? Om dit te begrijpen moeten we nog even stilstaan bij het fundamenteel utopische karakter van het neoliberalisme. In zijn essay L’essence du néolibéralisme legt Pierre Bourdieu de vinger op de wonde: “Et s’il n’était, en réalité, que la mise en pratique d’une utopie, le néolibéralisme, ainsi convertie en programme politique, mais une utopie qui, avec l’aide de la théorie économique dont elle se réclame, parvient à se penser comme la description scientifique du réel?” Het is precies door het feit dat het neoliberalisme wordt gepresenteerd als een wetenschappelijke descriptie van de werkelijkheid, dat haar aanhangers vol verwachting en met glazige blik naar de toekomst kunnen staren zonder ook maar enigszins te merken dat ze zich te midden van sociale puinhopen en algemene malaise bevinden. In de jungle van het neoliberalisme primeert het recht van de sterkste – de neoliberale newspeak heeft het liever over ‘competitiviteit’ – en wie ten onder gaat doet dat buiten de hekkens van villa’s of gated communities. Op lange termijn, zo wordt gedacht, zal de vrije markt de levensstandaard van iedereen verbeteren. Op korte termijn zijn wij, dat wil zeggen: diegenen die het financieel aan niets ontbreekt, blij dat we niet op de lange termijn moeten wachten.

Het neoliberalisme hult zich in het schaapsvel van objectiviteit en wetenschappelijkheid, en slaagt er zo in mensen te overtuigen van de idee dat het systeem zo niet ethisch goed, dan toch op zijn minst ethisch neutraal is. Joanna Moncrieff: “To this end neoliberalist thought portrays ‘market forces’ as natural, inevitable and unrestrainable, and as exempt from normal consideration with regard to the exploitation of people or the environment. Therefore the guilt that would normally arise from excessive consumption or profiteering is suppressed. In this context the values of individualism, competition and consumerism can be praised and policies justified by appealing to ‘efficiency’ and ‘consumer choice’.” De neoliberale utopie is een utopie in de meest eigenlijke zin van het woord: een ou-topos, wat wil zeggen een niet-plaats, een de facto onbestaand en dus imaginair construct waarvan mensen echter – hierin niet gehinderd door de feiten – de uiteindelijke verlossing verwachten. Het neoliberalisme is allerminst ‘evidence based’, maar terwijl overal op aarde de brokstukken naar beneden vallen, zien de meesten toch nog het luchtkasteel schitteren in de hemel.

De onontkoombare perfide werking van het kapitalisme is echter reeds lang ‘evidence based’. Zo heeft Immanuel Wallerstein met zijn wereldsysteemanalyse aangetoond dat het kapitalistisch systeem zowel in zijn genese als structureel altijd gebaseerd is op uitbuiting. Daarvoor vertrekt hij van de constatering dat vanaf de 16de eeuw met het kapitalisme één globaal netwerk of systeem van economische ruil is ontstaan. De fundamentele discrepanties tussen verschillende regio’s inzake ontwikkeling, accumulatie van politieke macht en kapitaal zijn dan geen irregulariteiten die vanzelf wel zullen verdwijnen als het systeem maar voldoende evolueert (zoals het neoliberalisme gelooft). Het is integendeel een fundamenteel kenmerk van het wereldsysteem dat het bestaat uit een kern en perifere regio’s. Tussen deze regio’s bestaat een geïnstitutionaliseerde ‘arbeidsdeling’: de kern bezit een grote graad van technologische ontwikkeling en produceert complexe goederen; de periferie voorziet de kern van grondstoffen, landbouwproducten en goedkope arbeid. De economische ruil tussen kern en periferie gebeurt niet onder gelijke condities, vermits de periferie wordt gedwongen zijn producten aan lage prijzen aan de kern te verkopen terwijl ze zelf te veel betaalt voor de producten van de kern. De (harde) realiteit laat zich echter weinig gelegen liggen aan het fantasma van het neoliberale optimisme. Onlangs nog, op dinsdag 21 november 2006, werd het collectieve ontslag aangekondigd van 3500 arbeiders en 500 bedienden van de Volkswagenfabriek in Vorst. Specialisten vrezen zelfs dat indirect tot 13.000 arbeidsplaatsen verloren kunnen gaan. De politici restte niets anders dan te wijzen op hun zogenaamd gedwongen buitenspel en unisono van op de zijlijn hun hypocriete jeremiaden ten hemel te schreien. Minister Frank Vandenbroucke was zo genereus de getroffen werknemers arbeidsbemiddeling bij het vinden van een nieuwe job aan te bieden: een doekje voor het bloeden van een door marktdenken geïnfecteerde maatschappij. De politiek gereduceerd tot nazorg.

In zijn zonet vermelde essay zet Bourdieu overigens uiteen hoe flexibilisering en competitie als in een duivels verbond leiden tot de vernietiging van collectiviteiten en solidariteit. Het drama bij Volkswagen Vorst vormt hiervan een tragisch voorbeeld. De Duitse vakbond IG Metall had namelijk een afspraak gemaakt met de top van de VW-groep, die ten koste gaat van de VW-vestigingen buiten Duitsland. In ruil voor een verlenging van de werkweek zonder loonsverhoging wordt minstens een deel van de buitenlandse productie van de Golf overgeheveld naar Wolfsburg. Zelfs de arbeiderssolidariteit blijkt niet immuun voor de neoliberale mokerslagen. Een crisis van deze omvang is natuurlijk ‘mediageniek’, en roept door haar overweldigende karakter bij iedereen gevoelens van verontwaardiging en medeleven op. Maar we moeten ons ervoor hoeden ons niet te laten verdoven door de schijnbare uniciteit ervan. Want het neoliberale drama ontvouwt zich elke dag verder, ook wanneer de camera’s niet draaien. De economie moet draaien, the show must go on. Al lijkt het er sterk op dat we op de planken noodgedwongen sterkere karakters neerzetten dan we in werkelijkheid zijn. De teleologie van de heilsgeschiedenis is nog altijd springlevend: alles inzettend op een open doekje achteraf, spelen we zo tomeloos enthousiast onze rol dat we blind zijn voor de destructie die ons grijnzend vanuit de coulissen staat te beloeren. En overvalt ons dan toch plotseling het moment dat we onze tekst kwijt zijn, dat we even niet meer weten wat nu gedaan, dat we onszelf als het ware van buitenaf zien spelen op een schouwtoneel waarvan we ons afvragen hoe we er toch ooit op zijn terechtgekomen... dan worden we maar al te vaak gesouffleerd door de sociale conventie, door het normatieve normaliteitsdenken dat ons dwingt niet ‘uit onze rol te vallen’. Aan de feilloze regie van de vrije markt valt niet te twijfelen. En vol goede moed declameren we verder, tot dan opeens het masker valt en de tragedie zich voltrekt: grootse woorden stamelend stuiken we in elkaar op de scène. Niemand kijkt op, druk doende als iedereen bezig is met zelf te acteren. Gelukkig heeft de arbeidsdeling gezorgd voor zoiets als ‘professionele zorgverleners’ die de gevallen held volgens vaste procedures en met maximale efficiëntie de coulissen indragen. Daar worden hem de eerste zorgen toegediend; een cocktail van antidepressiva en neuroleptica, gecombineerd met een aantal maanden ziekteverlof, zouden moeten volstaan om onze onfortuinlijke held weer aan een rolletje te helpen. The show...

2. Symptomen van een samenleving in depressie: de harde cijfers

2.1 Druk, druk…
Het stressniveau is in Vlaanderen de laatste vijf jaar drastisch toegenomen. Elk jaar berekent het onderzoeksbureau Different bvba bij zowat 60.000 Vlamingen de jobstressindex op basis van bloeddruk, ademhaling en enkele persoonlijke vragen over stressbeleving. Van 1990 tot 2000 steeg de stressindex nauwelijks, maar sinds het nieuwe millennium is er een duidelijke toename. Een normale stresswaarde bedraagt 15. In 2002 bedroeg de stressindex 16, vandaag staan we al op 19. Volgens onderzoeker Luc Swinnen ligt werkonzekerheid aan de basis. Hij maakt zich bovendien zorgen over de invloed die stress heeft op de huisgenoten van de gestresseerden. Want stress kan zich uiten onder de vorm van angst of onder de vorm van agressie, en agressie wordt het vaakst gepleegd tegenover personen die men regelmatig ziet. Financiële problemen verergeren de situatie nog: intrafamiliaal geweld wordt vaak gesignaleerd bij werklozen en alleenstaande moeders.

Maar niet alleen werkonzekerheid leidt tot stress. Zo blijkt uit een onderzoek van Securex Group naar het absenteïsme in België dat werkstress en demotivatie de belangrijkste oorzaken zijn van de werkpostgebonden oorzaken van psychische problemen. 50,16 procent van de afwezigheden wegens psychische problemen wordt door stress veroorzaakt en 20,91 procent door werkstress. Uit een ander onderzoek van Swinnen bij 1.127 kinderen tussen 10 en 14 jaar, blijkt dat bijna 3 op de 10 kinderen uit die leeftijdsgroep abnormaal veel last hebben van stressverschijnselen als hoofdpijn, nek- en buikpijn, lijden aan slapeloosheid en concentratieproblemen. Ook de angst bij Vlaamse kinderen ligt merkelijk hoger dan de internationale normen. Eric Corijn van de Vrije Universiteit Brussel komt op basis van een tijdsbestedingsonderzoek tot gelijkaardige conclusies. De producerende en consumerende “hardwerkende Vlaming” is de sociale norm geworden: “De samenleving is ook ontregeld omdat het ritme van wie nog productief is als maat van het algemeen ritme van de samenleving wordt gezien. Wie dat ritme niet aankan, krijgt geen maatschappelijke positie meer. […] De jongste tien jaar is de arbeidstijd en –productiviteit enorm gestegen. Tegenover het begin van vorige eeuw produceert men vandaag in dezelfde tijd zeven tot acht keer zoveel. Er is uiteraard meer vrije tijd dan vroeger, maar die wordt volledig opgeslorpt door ‘consumptie’. […] Vrije tijd is geen echte ‘vrije tijd’ meer, want ze moet ‘nuttig zijn’, een externe doelstelling hebben, de economie van ruilen en kopen dienen.”

2.2 …bedrukt…
Eén op de zes Belgen heeft ooit een depressie doorgemaakt, zes procent is chronisch depressief. Elk jaar zijn er 20.000 suïcidepogingen in Vlaanderen. Driemaal zoveel mensen hebben het ooit overwogen. Iedere dag sterven drie Vlamingen door suïcide. In 2004 stierven in totaal 1.085 personen door zelfdoding. Per 100.000 inwoners maken hier negentien mensen een einde aan hun leven, het wereldgemiddelde ligt op veertien. Suïcide is de meest voorkomende doodsoorzaak bij mannen tussen 30 en 49 jaar, en bij vrouwen tussen 20 en 34 jaar. Eén op de acht Vlamingen kampt met ernstige psychische problemen. Tele-Onthaal krijgt gemiddeld 335 telefoontjes per dag. Deprimerende cijfers, en dan hebben we het nog niet eens gehad over de twintig procent met slaapproblemen, de zes procent met angstgevoelens en de acht procent met somatische klachten...
Samen met dit psychisch lijden zien we een explosie van het gebruik van psychotrope middelen. Tussen 1997 en 2004 is het aantal voorschriften voor antidepressiva in België bijna verdubbeld, van 109 tot 199 doses.

2.3  …in een onrechtvaardige samenleving
Niet iedereen heeft evenveel kans om in de zelfdodingstatistieken terecht te komen. Uit een onderzoek van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek (Ugent) komt het belang van de werkstatus duidelijk naar voren. 42,8 procent van de zelfmoordpogers was economisch inactief (gepensioneerd, student, gehandicapt, huisvrouw…), 39,9 procent werkend en 17,3 procent werkloos. Heeft de globalisering van het kapitalisme wereldwijd tot meer welvaart geleid, zoals de neoliberalen ons willen doen geloven? De cijfers spreken voor zich: in 1981 leefde 36 procent van de wereldbevolking in armoede; vandaag is dat 40 procent, waarvan bijna een miljard in extreme armoede in landen zoals China en India. En in België, hier gaat alles toch goed, nietwaar? Op de Human Development Index van de Verenigde Naties staat België op de 9de plaats. Goed nieuws dus, zou men denken. Toch leven in ons land meer dan anderhalf miljoen mensen onder de armoedegrens. Het armoederisico in België bedraagt namelijk 15,2%. Dat betekent dat 15,2% van onze bevolking in een huishouden woont waar het beschikbare inkomen beneden de 9 270,67 € ligt. Flagrant in tegenspraak met de neoliberale verwachtingen neemt de kloof tussen arm en rijk de laatste jaren toe. De 10 procent armsten leefden in 2004 van 2,1 procent van het Belgische nationaal inkomen. De 10 procent rijksten daarentegen verdeelden 25,4 procent van het Belgisch nationaal inkomen. De allerarmsten zijn hier niet eens meegeteld: zij hebben uiteraard geen belastbaar inkomen. “De economische taart moet groeien”. Je kent de slappe metafoor wel uit de even slappe verkiezingsdebatten: een belegen recept dat vanuit (neo-)liberale hoek wordt bovengehaald telkens het thema ‘herverdeling’ wordt aangesneden. Nu weten we ook waarom: de honger van de heren van stand is onstilbaar, ze willen gewoon zélf meer taart.

Vorig jaar haalden 104.000 mensen eten bij de Voedselbank. Of daar ook taart bij was wordt in de statistieken niet vermeld. Er werd voor 9000 ton aan voedselpakketten afgehaald. Een triest record. Nog nooit haalden zoveel mensen er voedsel. In 1994 waren maar 59.461 mensen genoodzaakt een beroep te doen op de Voedselbank. In Vlaanderen hebben 160.000 huurwoningen geen badkamer of douche, wc met waterspoeling of stromend water binnen de woning. Eind 2004 hadden 2.251 Vlaamse gezinnen geen toegang meer tot elektriciteitsvoorzieningen. Zelfs het hebben van een job beschermt niet langer tegen armoede. Vier tot zes procent van de werkenden zijn arm, te wijten aan neoliberale stokpaardjes als lage lonen en flexibilisering (met als gevolg het niet vinden van een voltijds contract van onbepaalde duur of terugkerende werkloosheid).

3. De flexibilisering van het geluk

Uit voorgaande cijfers is slechts één conclusie mogelijk: distributieve rechtvaardigheid is in onze samenleving ver te zoeken. De neoliberale groeifetisj – en de individuele pendant ervan: het money illusion syndrome – slaagt er blijkbaar allerminst in het menselijk tekort te vullen met haar helende aanwezigheid. Integendeel. Tussen 1955 en 2005 is de gemiddelde Belg driemaal rijker geworden, maar zijn geluk is nauwelijks verhoogd. Toch lijkt aan de woekering van het MIS geen einde te komen: mensen blijven ervan overtuigd dat méér geld tot méér geluk leidt. De cijfers van de prevalentie van depressie en angststoornissen maakten al duidelijk dat deze assumptie niet door de feiten wordt bevestigd. We hadden het eerder al over de door de economische logica aangestuurde kwantificering van de leefwereld. Deze zal ons in deze afdeling – en de ironie ontgaat ons niet – goed van pas komen. De relatie tussen welvaart en welzijn is namelijk vanaf de jaren zestig uitvoerig onderzocht in de zogenaamde geluksstudies. Daarin wordt geluk gedefinieerd als het subjectieve oordeel van het individu over de kwaliteit van zijn eigen bestaan. Wat blijkt nu uit deze studies? De bevindingen zijn eensluidend: eenmaal een minimale inkomensdrempel wordt overschreden (gerelateerd aan de bevrediging van de basisbehoeften), bestaat er geen enkele relatie meer tussen toegenomen materiële welvaart en geluk. Geluk heeft dus in de eerste plaats te maken met de mate waarin de basisbehoeftes (zoals lucht, water, voedsel, onderdak) bevredigd zijn. Een minimum aan materiële welvaart is nodig om je gelukkig te voelen. Dat blijkt bijvoorbeeld bij vergelijking van het gemiddelde geluksniveau van verschillende landen, dat in echt arme landen beduidend lager ligt dan in rijke landen. Geluksonderzoeker Richard A. Easterlin heeft in een ophefmakende studie over Japan geconstateerd dat de correlatie tussen rijkdom en geluk nivelleert op een nationaal inkomensniveau van ongeveer 10.000 dollar per jaar. Na 20.000 dollar zorgt bijkomend inkomen niet voor extra geluk. In de periode 1958 tot 1991 is het gemiddelde inkomen in Japan bijna vertienvoudigd, maar de Japanners zijn vandaag niet gelukkiger dan vijftig jaar geleden.

We zagen al dat 15,2 procent van de mensen in België zich onder de armoedegrens bevindt. Dat zij verminderd geluk rapporteren wekt geen verbazing. Maar wat dan met de malaise bij de 84,8 procent boven de armoedegrens? Een eerste vaststelling is dat de neoliberale heroriëntatie van het menselijk verlangen in termen van goederen heeft geleid tot de pervertering van de oorspronkelijke dynamiek van bevrediging van basisbehoeftes. Het postfordisme heeft namelijk geleid tot de continue creatie van behoeften, zelfs in die mate dat we kunnen stellen dat in het hedendaagse consumerisme ons geluk helemáál niet meer afhankelijk is van de bevrediging van onze basisbehoeftes. Het kapitalisme creëert en prikkelt immers ‘aan de lopende band’ pseudobehoeftes, en het (post)moderne consument-individu bevindt zich dan ook in een permanente staat van onvervuld verlangen. Dit is de perfide werking van het kapitalisme: de herijking van geluk aan de hand van de maatstaf van de economie. Een tweede vaststelling betreft het proces van relatieve deprivatie: mensen worden niet gelukkiger omdat ze meer koopkracht hebben, maar omdat ze meer geld hebben dan anderen. Er moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen absoluut welvaartsniveau en relatieve rijkdom. Het effect van absoluut welvaartsniveau op geluk beperkt zich tot het materieel bestaansminimum. Het effect van relatieve rijkdom verschilt met de sociale omstandigheden. Mensen beoordelen, wat hun financiële status betreft, hun welzijn niet aan de hand van de absolute hoeveelheid van hun inkomen, maar aan de hand van de verhouding tussen hun eigen inkomen en dat van anderen. Psychologisch welzijn hangt dus niet af van de hoogte van iemands inkomen, maar van de grootte van de kloof tussen iemands eigenlijke en diens verlangde inkomen. Mijn buur heeft een tweede auto gekocht? Ik wil ook een tweede!

Dit menselijk, al te menselijke mechanisme van mimetische rivaliteit is door antropoloog René Girard uitvoerig getheoretiseerd. Het kan op het eerste gezicht vreemd lijken, maar de kernidee is dat mensen niet zozeer verlangen wat anderen hébben, maar vooral wat anderen verlangen. De menselijke identiteit is een voortdurend worden, een voortdurende vormgeven van het verlangen, dat schippert tussen identificatie en aliënatie met het oog op een toestand van homeostase. Als nu een bepaald iemand waarmee wij ons identificeren – in het jargon van Girard ons ‘model’ – een bepaald object begeert, dan willen wij ons model dat begeerde object ontnemen. Die persoon is immers slechts ‘ons model’ geworden bij gratie van het feit dat we geloven dat hij/zij erin geslaagd is precies d.m.v. dat bepaalde object de ultieme toestand van bevrediging van het verlangen te hebben bereikt. We zijn er dus van overtuigd dat het model erin geslaagd is de uiteindelijke oplossing voor ons tekort, ons verlangen, ons smachten naar volheid, kortom voor onze zingevingsproblematiek te vinden. Het betreft hier ten gronde de – finaal want principieel – altijd falende poging ons fundamentele tekort op te heffen door het door de ander als het ware te laten ‘vullen’, een uitbesteding van de zinvraag, waarbij we van de ander het antwoord verwachten. Dit proces van mimetische rivaliteit valt bijvoorbeeld waar te nemen in de vertrouwde situatie dat twee kinderen zich in dezelfde kamer vol speelgoed bevinden: de kinderen zijn elk voor zich rustig met een stuk speelgoed aan het spelen, tot een van de kinderen plots wordt bevangen door de onweerstaanbare drang het speelgoed van het andere kind te bemachtigen. Gevolg: rivaliteit, agressie, tot traantjes toe. Het kan in deze context dus als een geluk worden beschouwd dat we gesocialiseerd zijn tot het zélf aanschaffen van de begeerde objecten. Belangrijke les is dat het postfordistische consumerisme zich (zoals alles) afspeelt in het rijk van het verlangen, waar niets standvastig is en een licht briesje in geen tijd tot een orkaan kan uitgroeien; dat het consumerisme zich kan enten op het mechanisme van mimetische rivaliteit en dus op de constitutie van de menselijke natuur. Easterlin vat mooi samen hoe het money illusion syndrome onze levens verwoest omdat we geen rekening houden met het mechanisme van de relatieve deprivatie: “The survey evidence indicates that over the life cycle family and health circumstances typically have lasting effects on happiness, but more money does not. What do these empirical results imply for the possibility of increasing one’s happiness? Each of us has only a fixed amount of time available for family life, health activities, and work. Do we distribute our time in the way that maximizes our satisfaction? The answer, I believe, is no, for a reason that has already been suggested. We decide how to use our time based on a “money illusion”, the belief that more money will make us happier, failing to anticipate that in regard to material conditions the internal norm on which our judgments of well-being are based will rise, not only as our own income grows, but that of others does as well. Because of the money illusion, we allocate an excessive amount of time to monetary goals, and shortchange nonpecuniary ends such as family life and health.”

Onderzoek heeft uitgewezen dat intrinsiek georiënteerde personen gelukkiger zijn dan personen met een extrinsieke oriëntatie. De eersten geloven dat geluk voortkomt uit het streven naar intieme relaties, persoonlijke groei en bijdragen aan de gemeenschap. De tweeden dat de weg naar het geluk bestaat in het najagen van externe doelen zoals rijkdom, roem, fysieke aantrekkelijkheid: geluk is afhankelijk van extrinsieke materiële beloningen. De link tussen extrinsieke oriëntatie (en dus ongeluk) en het moderne consumerende individu hoeft wellicht niet opnieuw te worden benadrukt. Een bijkomende, niet onbelangrijke opmerking. Het zou verkeerd zijn de oproep tot meer aandacht voor zachte, immateriële waarden te begrijpen in – laat ons zeggen – katholieke zin, als zouden die waarden betrokken zijn en hun genese hebben in een buiten-economische ruimte (het gezin, de parochie) en verder geen uitstaans hebben met socio-economische structuren. Persoonlijk geluk heeft ten eerste altijd te maken met de doelen en prioriteiten van mensen, en die worden mede beïnvloed door de socio-politieke vormgeving van een samenleving. Maar, ten tweede, om levenskwaliteit te bereiken blijft er ook altijd een relatie met de toegang tot individueel of collectief toegankelijke voorzieningen. Een gegarandeerd bestaan boven de armoedegrens is wel een noodzakelijke maar
geen voldoende voorwaarde voor een gelukkig bestaan: daartoe dient ook de toegang tot infrastructuur die het individu voor zijn zelfontplooiing nodig heeft verzekerd te zijn.

4. Het vals bewustzijn van het hyperindividu

Het is niet onmogelijk dat de lezer bij het lezen van voorgaande tekst meermaals de wenkbrauwen heeft gefronst wanneer weer eens sprake was van triestige zaken als het fundamentele menselijke tekort en dies meer. Het is zelfs niet onmogelijk dat sommige lezers ons op onvermoede momenten een pessimistische visie op de menselijke natuur hebben toegedicht. Die laatste lezers willen we nu – althans gedeeltelijk – ter wille zijn door meteen al onze kaarten op tafel te leggen. Niet dat we aanhangers zouden zijn van een pessimistische visie op de menselijke natuur – daarvoor zouden we onze optimistische aard moeten verloochenen (al kunnen we de hypothese dat het komische een grap is van het tragische ook niet uitsluiten). Wel geloven we dat de – onloochenbare – tragiek van deze tijd geworteld is in precies de ontkenning van de tragische dimensie van het subject. De ontkenning van het tragische is dus de motor van de hypermoderne tragiek. Dat lijkt paradoxaal maar is het niet. Een eerste aanzet tot verduidelijking. Alles heeft te maken met de fundamentele ambiguïteit van de hyperindividualistisch gedachte autonomie: het hyperindividu denkt autonoom te zijn, maar niets is minder waar. Het autonome individu zoals de Verlichting zich dat dacht, was in de eerste plaats
rationeel: het had de capaciteit om weloverwogen en geïnformeerde beslissingen te nemen, met bijkomend uiteraard ook het recht om deze zelfbeschikking uit te oefenen. Maar dat Verlichtingsindividu was al bij al een nogal elitaire aangelegenheid. Pas met de opkomst van de moderniteit in alle sferen van het menselijk bestaan zou dat individu ‘gedemocratiseerd’ worden, al zou het hierbij substantiële transformaties ondergaan.

Kenmerkend voor de moderniteit was het nooit eerder geziene proces van detraditionalisering. De erosie van de traditionele verbanden (gezin, familie, dorpsgemeenschap, zuil) zorgde voor het verdwijnen van de gemeenschappelijke referentiekaders, waardoor het individu zelf verantwoordelijk werd voor wie het is en wordt. Individualisering dus. Ongetwijfeld een positieve evolutie: personen krijgen een grotere persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid, er komt ruimte voor kritiek en reflexiviteit,… Maar er is ook de spreekwoordelijke keerzijde van de medaille. Dat het individu nu de stuurman is van zijn eigen levensloop, betekent immers ook dat hij nu zélf moet navigeren tussen een pluraliteit van normen en waarden, aspiraties en toekomstplannen. Velen hebben dan ook te kampen met een gevoel van oriëntatieverlies: hoe ons immers te oriënteren in dit universum dat ons geen enkele houvast schijnt te bieden? Wat het individu dus aan autonomie lijkt gewonnen te hebben, heeft het ook aan zekerheid verloren. De moderne mens verschijnt als een nomade, die minder dan ooit tevoren aan een vaste positie is vastgeklonken. Hij is structureel dynamisch, en dit zowel in spatiaal, temporeel, psychologisch als ideologisch opzicht. De moderne nomade beweegt zich doorheen de zelf steeds veranderende geografie van wat Manuel Castells de network society noemt: een maatschappij die niet alleen op technologisch vlak, maar ook cultureel, economisch en politiek gezien bestaat uit continu verschuivende en elkaar overlappende netwerken. Vrijheid dus, maar de vrijheid om te gaan en staan waar we willen is altijd ook de vrijheid om verloren te lopen.

Bovendien heeft de individualisering zich voltrokken volgens het schema van het romantische zelf. Daarin centraal staat het authentieke zelf, het zelf dat als sturend mechanisme van iemands leven optreedt, zonder dat het daarin op welke wijze dan ook wordt gevormd of gehinderd door een sociale context. Dat zelf moet zich ongehinderd kunnen uiten, wars van conventies, tradities en anderen. Het authentieke zelf is idealiter volledig zelfreferentieel, alfa en omega van zijn zelfgekozen lotsbestemming, synthese van eigen oorsprong en einde. De traditionele plichtsethiek wordt hier vervangen door een oriëntatie aan zelf-gestelde doelen. Het leven en zijn contingenties worden dan maar betekenisvol voor zover het geconstrueerd kan worden als een product van zijn persoonlijke keuze. Het persoonlijke verleden en de toekomst worden gezien als een realisatie van een ‘zelf’ dat zijn eigen keuzen maakt en zo zijn eigen weg vindt. Maar het hyperindividu veronachtzaamt in zijn obstinate queeste naar authenticiteit dat elke identiteit – en dus ook de ‘authentieke’ – altijd een door anderen (in extenso: de samenleving) gemedieerd construct is. De subjectsontwikkeling is een proces van identificatie en individuatie, en beiden zijn noodzakelijkerwijs op de ander betrokken. Psychische identiteit wordt slechts verworven in verhouding tot de ander. Dat maakt de volledige zelfreferentialiteit, de volkomen transparantie van het authentieke zelf dan ook tot een illusie. Zoals Rimbaud dichtte “Je est un autre” – en dat is maar goed ook. Er zou niet eens sprake zijn van een “ik” indien we als subject geheel en al met onszelf zouden samenvallen: “ik” is een woord dat wanneer we het uitspreken geacht wordt onze diepste identiteit uit te drukken, maar het woord “ik” komt zélf reeds van de ander. De taal waarin we ons-zelf zijn is dus een taal die niet van ons-zelf is.

De fundamentele ambiguïteit van het hyperindividualistische autonomiebegrip kunnen we nu als volgt verder verklaren. De democratisering en detraditionalisering van de samenleving hebben een verregaande individualisering mogelijk gemaakt. Deze individualisering wordt normaliter samen met een verhoogde autonomie gedacht. Maar dat is onjuist. Hoewel de sociale normen niet meer expliciet zijn, het meesterdiscours niet meer in de gedaante van de Vader of de Wet op het publieke toneel verschijnt, is de socialisatie nog lang de wereld niet uit. Zelfs integendeel: de moderne socialisatie bestaat erin mensen te laten denken dat ze niet langer worden gesocialiseerd. Men zou kunnen stellen dat het moderne individu dus wordt gesocialiseerd tot het blind blijven voor de socialisatie. Kinderen worden opgevoed in de geest van het autonomie-ideaal van het authentieke zelf, worden ervan overtuigd dat ze de touwtjes zelf in handen hebben (en dus ook verantwoordelijk zijn wanneer ze plots zonder touwtjes staan, cf. infra). Er wordt ons verteld dat we ziende zijn, maar als we dat geloven zijn we de facto ziende blind. Hieraan ten grondslag ligt (1) een proces van desubjectivering dat (2) is ingebed in de neoliberale kolonisering van de leefwereld door de markt. Het zichzelf autonoom wanende individu is behept met een vals bewustzijn omtrent de eigen autonomie dat de socio-economische, neoliberale determinanten van de aanslag op zijn subjectiviteit maskeert. Wat de economie nodig heeft zijn producenten en consumenten. In een door de economische logica gedomineerde wereldorde is individuele subjectiviteit uit den boze als potentiële broeihaard van kritiek en subversiviteit.

4.1 Desubjectivering: het exterioriserend discours
Het proces van desubjectivering bestaat in de reductie van mensen tot hun biologisch lichaam. Over wat gaat het hier? Samen met de opgang van de neurowetenschap begon zo rond 1980 de biologische psychiatrie, waarin pathologieën werden gelijkgeschakeld met bepaalde breindysfuncties. Vanaf de jaren negentig wordt hierin dan het neurogenetisch determinisme van het neurotransmitterverhaal dominant. Een nieuw tijdperk is aangebroken: the decade of the brain. Psychische problemen worden gezien als het gevolg van biochemische stoornissen in de hersenen: schizofrenie wordt veroorzaakt door een teveel aan dopamine, depressie door een tekort aan serotonine, paniekstoornissen dan weer door een teveel aan noradrenaline… Er worden medicijnen op de markt gebracht die dit ‘teveel’ of ‘tekort’ aan bepaalde neurotransmitters moeten corrigeren. Zo beginnen artsen wereldwijd depressie te behandelen met selectieve serotonine-heropnameremmers (waarvan overigens recent de nogal cynische bijwerking is gebleken dat ze kunnen leiden tot zelfdoding). De biologische psychiatrie is het tijdperk van de medicalisering van de geestelijke gezondheid. Het aantal voorschriften voor antidepressiva is in ons land tussen 1997 en 2004 bijna verdubbeld, van 109 miljoen tot 199 miljoen doses.

De biologisch-psychiatrische visie steunt op drie pijlers:
1. psychische stoornissen zijn aparte ziekte-eenheden
2. die gekenmerkt worden door specifieke hersendysfuncties
3. die op hun beurt kunnen worden verholpen door corrigerende psychofarmaca

Hierin zit de desubjectivering: de patiënt als subject, als concrete persoon met een specifieke levensgeschiedenis en specifieke symptomen is in de biopsychiatrie helemaal uit het gezicht verdwenen. Iemands symptomen worden gereduceerd tot een ‘onevenwicht in de biochemische huishouding’. Deze objectivatie van het subject kan bovendien niet los gedacht worden van de economische orde waarin de hersenen van het subject ‘dysfunctioneel’ zijn geworden. Het subject wordt beschouwd als een ding dat niet langer functioneert en waaraan omwille van de goede maatschappelijke orde dan ook dient te worden verholpen. Het lijkt er sterk op dat iemand ‘genezen’ wordt verklaard als hij terug zijn functie in de maatschappij – lees: de economie – kan opnemen. Dat gebeurt dan door het massaal gebruik van psychofarmaca, voorgeschreven door een psychiater die door het lijstje DSM-criteria af te lopen heeft vastgesteld van welke ‘stoornis’ jij de ‘drager’ bent. Het tot object gereduceerde subject verschijnt zo als een sociaal atoom zonder interpersoonlijke context, zonder ontwikkelingsgeschiedenis, zonder belevingswereld. Op het spreken van het subject volgt de totale stilte –als hem of haar niet al van tevoren de mond is gesnoerd. (Ook daar bestaan effectieve “therapieën” voor.)

Dit lokaliseren van problemen in de individuele biologie van personen verhindert de exploratie van sociale en politieke vraagstukken, en houdt zo mee het vals bewustzijn in stand. Als je depressief bent, komt dat door je hersenen, niet door het feit bijvoorbeeld dat je door een ‘herstructurering’ ontslagen bent. Economische imperatieven, zoals de noodzaak om in erbarmelijke omstandigheden tegen een veel te laag loon te moeten werken, blijven zo buiten schot. Hier raken we de – ogenschijnlijk meest paradoxale – kern van het zich autonoom wanende hyperindividu zelf : de uitbesteding van zijn of haar verantwoordelijkheid en daarmee finaal van de eigen subjectiviteit. Herinner je dat we eerder schreven dat met de secularisering de existentiële categorieën schuld en schuldvraag nog lang de wereld niet uit zijn. Die schuldvraag valt in het desubjectiveringsproces dan ook gemakkelijk te detecteren, alleen is nu de specifieke aard van de schuldige van aard veranderd. De reductie van het subject tot diens biologisch lichaam gaat immers samen met de exteriorisatie van diens verantwoordelijkheid… en dus van diens ‘schuld’. Als het subject enkel nog het effect is van zijn – meer of minder gelukkige – neurotransmitterhuishouding, dan is samen met de oorzakelijkheid ook de locus van verantwoordelijkheid van plaats gewisseld. De erfzonde heeft plaats geruimd voor een dysfunctie op het biochemische niveau van neurotransmitters. Wie met een depressie bij de psychiater komt, of zelfs gewoon in diens wachtzaal een ‘gezondheidsmagazine’ openslaat, wordt al meteen gerustgesteld met de sussende mededeling «dat wel één op de zes Belgen ooit een depressie heeft meegemaakt ». Soms lijkt het wel alsof je depressief kan worden door die triest kijkende man voor jou op de tram die in jouw richting hoestte. De exterioriserende werking van bepaalde psychostimulantia is goed gedocumenteerd. Zo rapporteert een studie naar de cognitieve en sociale effecten van psychostimulantia ter bestrijding van de in 1980 door de American Psychiatric Association in het leven geroepen stoornis ADHD volgende bevindingen: “Diagnosing and medicating children teaches them to shift responsibility and the locus of control from within themselves to outside sources, including « the pill ». Early in the history of psychostimulants, Sroufe and Stewart observed that children who take stimulants have a tendency to think that they are not responsible for their behavior. […] The authors found that taking MPH produced the following negative psychological, moral, and social effects : (1) defective superego formation, manifested by «disowning responsibility for their provocative behavior»; (2) impaired self-esteem development; (3) lack of resolution of critical family events which preceded the emergence of the child’s hyperactive behavior; and (4) displacement of «family difficulties onto the child». Many of the children concluded that they were «bad» and that they were taking the pill to «control them».”  In (3) en (4) zien we overigens de dynamiek van de schuldvraag in alle openheid aan het werk…

Maar laten we duidelijk zijn. We willen hier allerminst de mensen zélf culpabiliseren: de schuldvraag («Who is to blame?», vooral relevant in een tijdperk waarin het ons ontbreekt aan bokken en woestijn –al kan over dit laatste nog geredetwist worden) is immers onlosmakelijk verbonden met de tragische dimensie van het subject. We willen integendeel nogmaals wijzen op het perverse dehumaniserend effect van de exteriorisatie van de verantwoordelijkheid. Wanneer mensen zichzelf concipiëren als de resultante van endogene maar externe krachten («blaming the brain»), wordt daarmee meteen elke mogelijkheid tot kritische bevraging van de realiteit van hun specifieke socio-economische positie in gelatenheid gesmoord. Frank Furedi analyseert in Therapy Culture hoe het subject, dat zich altijd al onderworpen voelde aan krachten die aan zijn controle ontsnappen, zijn gevoel van machteloosheid vroeger verklaarde als gevolg van sociaal gedetermineerde omstandigheden. De huidige culturele industrie echter – die ideologisch gewoon de waarden van de ‘economische’ industrie reproduceert – bestookt mensen met eenduidige interpretatiekaders van de stress die ze ten gevolge van het neoliberalisme ondervinden: “The consciousness of the self is the negotiation of individual experience and cultural norms. People have no inner desire to perceive themselves as ill. However, powerful cultural signals provide the public with a ready-made therapeutic explanation of their troubles. And once the diagnosis of illness is systematically offered as an interpretive guide for making sense of distress, people are far more likely to perceive themselves as ill.”

De slotsom van deze endogene-maar-externe pathologische normaliteit is duidelijk. Als niet stress maar aparte ziekte-eenheden met een biologische grondslag (bijvoorbeeld depressie) de eigenlijke oorzaak zijn van ons zogenaamde ‘dysfunctioneren’ («zogenaamd», omdat dit uiteraard weer aan de economische orde wordt afgemeten), dan kan enkel nog sprake zijn van een neuronale en niet van een sociale malaise. De werking van ‘selective serotonin reuptake inhibitor’ beperkt zich dus niet enkel tot inhibitie op biochemisch vlak (SSRI’s verhinderen het terugstromen van serotonine tussen neuronen) maar strekt zich uit tot de algehele inhibitie van sociale kritiek en actie.

Ook wat een ander aspect van de exteriorisatie betreft is de link met en de functie ter bestendiging van de economie immers overduidelijk. Elke «psychische stoornis» heeft namelijk haar pilletje. Het exterioriserend discours waarin de oorsprong van psychisch lijden wordt toegekend aan biologische dysfuncties behelst de transformatie van het lijdende subject in het consumerende subject.

4.2 De plicht het lot in eigen hand te nemen: de sirenezang van de markt
We zagen in het voorgaande alvast één aspect van de ambiguïteit van de hyperindividuele autonomie: die fungeert immers niet zomaar als descriptie van onze moderne realiteit, maar bezit integendeel een dwingend prescriptief karakter. Er is sprake van een normatieve sociale representatie van het ‘authentieke, autonome individu’. Maar die autonomie is een collectieve zinsverbijstering, mee in
stand gehouden en gevoed door de neoliberale logica. Want terwijl we aan de ene kant euforisch onze autonomie beleven door in de shopping centra te kiezen tussen vijftig verschillende soorten soft drinks en zestig verschillende soorten chips, besteden we aan de andere kant collectief onze subjectiviteit en verantwoordelijkheid uit aan therapeuten, helers, goeroe’s, psychiaters en psychotrope middelen.

En dit proces van desubjectivering is diep geworteld in de neoliberale kolonisering van de leefwereld door de markt. Elke afwijking van de norm –en de normativiteit is die van de eisen van het neoliberalisme: consumeren & produceren – wordt beschouwd als een medische conditie waarop het enige antwoord bestaat in het slikken (en dus het consumeren) van medicijnen. De normativiteit van het autonomie-ideaal impliceert immers ook dat we de plicht hebben tot autonomie, en die wordt al snel de plicht om het lot in eigen handen te nemen. Hier valt de zoveelste paradoxale beweging waar te nemen: als we ‘ziek’ zijn is het (1) niet onze schuld (het is de schuld van de neurotransmitters), (2) niet de schuld van het neoliberale kapitalisme, van een onrechtvaardige maatschappij (het is immers de schuld van de neurotransmitters), maar (3) we hebben wél de plicht er iets aan te doen! Want wie niet slikt, is gezien: De vraag is eerder waarom tegenwoordig aan het biologische beeld van depressie meer geloof wordt gehecht dan aan sociologische en psychologische verklaringen, en waarom mensen massaal zijn gaan vertrouwen op medicijnen waarvan alleen de bijwerkingen echt onomstreden zijn. Ik opper dat er specifieke factoren zijn in rijke landen waardoor de verkoop van antidepressiva juist daar sterk toegenomen is. De biologische verbeelding van depressie en de biomedische aanpak ervan drukken de plicht uit het lot in eigen hand te nemen, welke plicht de grondslag vormt van het neoliberalisme dat de afgelopen decennia in veel landen de politieke boventoon kreeg. De adaptatie van de subjectiviteit aan de imperatieven van het neoliberalisme is hiermee compleet. Op de websites van de verschillende antidepressiva wordt nog steeds de metafoor gebruikt van het ‘in balans brengen’ van de biochemie van de hersenen, maar “het gaat nu niet meer om het herstel van een systeem maar om de optimalisering van prestaties.” Zo toont de site van Cipramil een gespierde hardloopster en een sierlijke ballerina…


Nawoord

Toen Zarathoestra veertig jaar oud was, daalde hij – zo verhaalt ons Nietzsche, de profeet van de subjectiviteit – van de bergen omlaag, en wanneer hij in een nabijgelegen stad kwam sprak hij zo tot het volk:
‘Ik leer u de Uebermensch. De mens is een wezen, dat overwonnen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overwinnen?
Tot nu toe schiepen alle wezens iets boven zichzelve uit; en gij wilt de ebbe van deze grote vloed zijn en liever nog tot het dier terugkeren dan de mens overwinnen?
Wat is de aap voor de mens? Een hoongelach of een pijnlijke schaamte. En zo zal ook de mens voor de Uebermensch zijn: een hoongelach of ’n pijnlijke schaamte.
Gij zijt de weg van worm tot mens gegaan, en veel in u is nog worm.
Eenmaal waart gij aap en ook nu nog is de mens meer aap dan welke aap ook.
Wie echter de wijste onder u is, die is enkel tweespalt en bastaard van plant en schim. Maar gebied ik u dan planten en schimmen te worden?
Zie, ik leer u de Uebermensch!
De Uebermensch is de zin der aarde. Uw wil zegge: de Uebermensch zij de zin der aarde!
Ik bezweer u, mijn broeders, blijf de aarde trouw en gelooft niet degenen, die u van bovenaardse verwachtingen spreken! Gifmengers zijn zij, of zij het weten of niet.’


Comment Netwerk:
Eerst en vooral: dit is een bijzonder zinnig verhaal. De tekst geeft precies het kader aan:
1. hoe in onze neoliberale samenleving de autonomie van het individu en de controle en verantwoordelijkheid over het eigen bestaan, zowel persoonlijk als op collectief niveau, een fictie is, een "vals" bewustzijn. Wij houden echter niet van de introductie van de term "vals" omdat ze suggereert dat het neoliberalisme een "waar" bewustzijn zou hebben vernietigd en kapot gemaakt. Het neoliberalisme heeft alleen de fictie van de volksverbondenheid van het nazisme en het fascisme of de illusie van de egocentrische en narcistische zelfontplooiing van de Golden Sixties vervangen door een nieuwe fictie, een nieuwe "valsheid". Maar het blijft wel zo dat het neoliberalisme, en dat weet het heel goed, van het leven alleen een wedstrijd kan maken, waarbij de winnaars kortstondig genieten van de illusie "winner" te zijn en de losers riskeren te verzinken in de marginaliteit, tegenwoordig de pure dakloosheid.
2. hoe de biopsychiatrie een bijzonder element vormt in de paradox waarbij mensen zich koesteren in de illusie hun lot in handen te hebben maar toch gevangen zitten in de quasi-noodzaak de oorzaken van falen en ellende buiten hun moraliteit en subjectiviteit te plaatsen, als individu én als lid van een sociale groep. Door sociale en persoonlijke problemen te herleiden tot een organische stoornis in de hersenen ontdoet de biopsychiatrie de mensen van hun subjectiviteit en wordt het samenleven een kwestie van het op elkaar afstemmen van hersensignalen in plaats van een gezellige convivialiteit, een samen-leven.  
3. hoe het geheel van de neoliberale context de mensen verhindert tot 'politieke', maatschappijveranderende actie over te gaan.

Het cijfermateriaal m.b.t. stress, depressie, armoede en zelfmoord moet idereen overtuigen dat we met het neoliberalisme in een doodlopend straatje zijn beland. Hogere welvaart brengt geen groter welzijn.

Deze vanzelfsprekend lijkende conclusie die overigens niet echt wordt doorgetrokken tot een visie op een concreet alternatief (maar dat we vergeven we de auteur, we zouden het niet veel beter kunnen) vormt o.i. echter de zwakte van de tekst. De basis waarop deze conclusie steunt, is namelijk veel te smal: een typisch Amerikaans methodologisch vrij oppervlakkig onderzoek dat inderdaad aantoont dat mensen beweren niet gelukkiger te worden wanneer hun inkomen boven een bepaald niveau gaat stijgen, kan ons niet overtuigen, de moraliserende boodschap van dat soort onderzoeken kennende.
De auteur verwart ook snel de relatie tussen welvaart en welzijn met deze tussen ongelijk verdeelde welvaart en ongelijk verdeeld welzijn. Eigenlijk heeft de tekst wel duidelijk aan dat lagere welvaart hoe dan ook met lager welzijn samenhangt. Of Bill Gates dan gelukkiger is dan Etienne Davignon doet eigenlijk weinig terzake. Vanaf een bepaald inkomen ga je immers ook meer en meer beleggen in plaats van te consumeren, i.e. te genieten van de toegankelijkheid van de goederen waaraan deze wereld rijk is. De auteur verwart o.i. ook de notie van een samenleving met een overvloed aan goederen met een monetaire economie van ruilwaren waar het oogmerk is dat geld en kapitaal zo snel mogelijk circuleert. Hierdoor ontstaat toch een soort indruk van een Pater Versteylen en Bond zonder Naam-visie dat soberheid en andere immateriële waarden ons de weg wijzen naar het ware geluk. Slechts terloops oppert de auteur dat in elke samenleving mensen
om zich te ontplooien toegang moet hebben tot een 'infrastructuur', d.w.z. tot goederen en diensten. De suggestie dat het neoliberalisme pseudo-behoeften schept een toontje van een premodernistische en al te simplistische anticonsumptiemaatschappij-visie. Alsof niet ALLE menselijke behoeften artificiële behoeften zijn. Mens zijn is per definitie een artefact zijn, een creatie van zichzelf zijn. De mens is nu eenmaal altijd een "pseudo". En verlangens ("behoeftes") realiseren zich altijd via goederen of diensten. De vraag is alleen binnen welke relaties deze worden geproduceerd en deze worden gedistribueerd en toegeëigend kunnen worden door de mensen die direct of indirect tot deze productie bijdragen.

Zo ontdoen we ons niet van de indruk dat de auteur hoopt op een soort morele revolutie, een "me
ntaliteitsverandering" zoals dat met een ondertussen cliché geworden term wordt genoemd. En dan zitten we niet zo heel ver van het religieus réveil, een spirituele anti-materialistische revolutie zonder God.

We vergeven de auteur dit gebrek aan concreet perspectief. Het is ons aller opdracht samen te zoeken naar wegen waarin subjectiviteit en broederlijke (en zusterlijke) samenlevingsrelaties kunnen samengaan met hoge over de ganse samenleving verdeelde maatschappelijke rijkdom, waar een bestaan als enkeling overvloeit in een verbondenheid met anderen en met de hele mensheid in zijn geheel.

Eén en ander van de onduidelijkheden van de tekst wordt veroorzaakt door de onmogelijkheid welvaart en welzijn met elkaar te vergelijken. Naast de morele connotatie dat welzijn écht is en welvaart maar schijn, verwijst welvaart naar beoordelingen van min of meer objectief waarneembare gegevens, terwijl welzijn verwijst naar zelfbelevingen waar iemand anders moeilijk kan over oordelen. Welvaart wordt ook nooit betrokken op een individu: we spreken over de welvaart van een land maar niet over het welzijn van een land, zoals we niet spreken over de welvaart van een individu maar over zijn of haar welzijn. De verschuiving van welvaart naar welzijn weerspiegelt dan ook de overgang van een natiegerichte samenleving naar een persoonsgerichte samenleving, wat natuurlijk iets anders is dan een hyperindividualistische samenleving. Onze opdracht is dan ook de relatie tussen persoon en gemeenschap te herdenken. De vraag is dus: wat verstaan we onder welvaart? Dat wat een "land" te bieden heeft aan zijn "inwoners"? En wat is welzijn, als er zoiets als een "vals" bewustzijn is? Als mijn bewustzijn "vals" is, kan dan het oordeel van iemand anders (de ethicus, de priester, de psychiater, de psycholoog, ...)

Lees verder...

Zijn wij, naast ANTI, ook VOOR iets?

Veel mensen vinden dat wij te negativistisch zijn en zonder alternatieven te bieden van leer trekken tegen allerhande psychiaters, tegen de VVGG, tegen medicatie, enz. Zij vragen dan: waar zijn jullie eigenlijk VOOR?

Grosso modo zijn wij eigenlijk vooral tegen drie gewoontes die de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg kenmerken:

1. wij zijn tegen een relatie hulpvrager-hulpverlener waarin de hulpverlener (psychiater, psycholoog) zich voorstelt als een EXPERT, een deskundige die op een technische manier 'kennis' toepast. Weliswaar beschikt de hulpverlener over kennis en vaardigheden die voor de patiënt uiterst nuttig zijn. Maar wanneer de hulpverleningsrelatie een éénrichtingsverkeer wordt waarbij de psychisch aangedane mens eerst in 20 minuten zijn verhaaltje mag vertellen (d.w.z. datgene wat hij of zij in eerste instantie tegenover een vreemde kwijt wil) om dan gedwee de behandelingsinstructies te moeten volgen die hem voor de rest van zijn of haar leven kunnen tekenen (zowel lichamelijk als geestelijk), dan zeggen wij NEE. De 'patiënt' is de enige die zicht heeft op de levensproblemen die hem psychisch 'ziek' maken en in die zin moet de hulpverleningsrelatie een permanente conversatie of interactie zijn waarbij de hulpverlener zich niet beroept op zijn universitaire handboeken maar afdaalt tot het niveau van de pam en op die manier een zicht krijgt op de complexiteit van de problemen waarvoor de 'patiënt' zich geplaatst ziet of waarmee hij worstelt. Dit geldt ook voor de schizofreen die de hulpverlener overvalt met allerlei 'wanen'. Het is pas doorheen deze dialoog dat de hulpverlener samen met de hulpvrager wegen kunnen vinden waarlangs de pam zijn of haar leven bevredigender kan organiseren. Dat de hulpverlener daarvoor 'technieken' gebruikt die hij in zijn opleiding heeft geleerd of de pam in noodgevallen medicijngebruik voorstelt, is daarbij geen enkel probleem. Maar zo gebeuren de zaken tegenwoordig doorgaans niet. En het moet gezegd: dikwijls is ook de patiënt er liever van af met een verdovende pil, dan zich te moeten bezinnen over zichzelf, zijn relatie met zichzelf en zijn relatie met anderen. Maar in het algemeen zeggen wij: het is de pam en de pam alleen die de 'ware' kennis bezit over de aard van zijn of haar psychische problemen en het is de taak van de hulpverlener om de patiënt toe te laten die 'waarheid' te openbaren eerder dan hem of haar op basis van een paar markante of opvallende 'symptomen' onder te brengen in één of ander diagnostisch hokje waarbij dan een bepaalde medicijn past (die dan natuurlijk in meer dan de helft van de gevallen nauwelijks werkt).

2. de onwil van de patiënt om zich te openbaren. Het Netwerk Psychiatrie en Samenleving is geen  patiëntenvereniging in de enge zin van het woord. Wij hebben het niet voor pam's of patiënten die TEN ALLEN PRIJZE één of meer 'geheimen' voor zich willen houden maar wel een medicamenteuze behandeling vragen voor de stress die deze geheimhouding met zich mee brengt. De hulpverlener is er voor die mensen die hun geheim in hun 'normale' levensomgeving niet kwijt kunnen. Natuurlijk kan een pam zomaar niet tegen de eerste de beste vanaf de eerste vijf minuten met de werkelijk belangrijke zaken over de brug komen en in die zin moet de hulpverleningsrelatie uitgebouwd worden tot een echte diepe vertrouwensrelatie waarbij de hulpverlener als een vertrouwenspersoon wordt ervaren en niet als iemand die de Macht heeft hem allerlei behandelingen op te leggen waar de persoon niet naar gevraagd heeft. Het fenomeen van de therapie-shopping laat zien hoevel moeite pam's hebben om een hulpverlener te vinden die blijkbaar voldoet aan de eigenschappen die men van een geestelijk gezondheidsberoep verlangt. Het is dan ook uiterst belangrijk dat de hulpverlener zich openstelt voor zo'n vertrouwensrelatie en wanneer dit om redenen van persoonlijke onverenigbaarheid niet mogelijk is de pam doorverwijst naar en collega. De onwil van de patiënt om zijn of haar hart volledig te luchten heeft inderdaad doorgaans minder te maken met de aard van de patiënt maar met het gebrek aan vertrouwen dat uitgaat van de hulpverlener of van de setting waarin hij zich bevindt.
De psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg moeten er dus primiar naar streven in hun kabinetten of in hun instellingen de ruimte en het klimaat te scheppen opdat werkelijke vertrouwensrelaties mogelijk zijn. Nu is het dikwijls zo dat in psychiatrische ziekenhuizen de medepatiënten alles weten over de patiënt, de verplegers al een beetje minder en de psychiater omzeggens niets. Dat hangt natuurlijk samen met het feit dat de psychiater over een Macht beschikt (b.v. dreigen met gedwongen opname, met elektroshocks, e.d.) wat de psychiater dikwijls ongeschikt maakt als vertrouwenspersoon. De patiënt kan pas met de 'waarheid' over de brug komen in een relatie waar het vertrouwen op geen enkel manier kan geschonden worden. Daarom zijn wij in principe tegen teambesprekingen over patiënten, zeker wanneer daar personen bij zijn die de pam nooit gezien hebben (zoals b.v. het geval is in de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg). Het is logisch dat de patiënt wanneer hij weet dat zijn informatie aan derden zal meegedeeld worden, zekere hoogst belangrijke dingen zal verzwijgen met als gevolg dat de diagnose en de behandeling dikwijls gebaseerd zijn op 'symptomen' die eigenlijk maar secundair zijn.

3. de medicalisering van psychische problemen. Het feit dat mensen met psychische problemen dikwijls ook lichamelijke klachten hebben verleidt de psychiater er dikwijls toe het geval van de pam te 'medicaliseren', m.a.w. het op te vatten als een medisch probleem dat met een puur medische therapie kan verholpen. Ook de opleiding van de psychiater en de heersende mode van de hersenwetenschappen met haar wetenschappelijk nauwelijks onderbouwde maar door de farma-industriie druk gemarketeerde chemische inbalanstheorie die zegt dat er bij een "geestesziekte" iets verkeerd loopt met de stoffen die in de hersenen de prikkeloverdracht regelen, zorgen er voor dat de psychiater eigenlijk geen enkele aandacht heeft voor de PERSOON van de pam en zijn eigenheid (subjectiviteit). Het psychisch probleem wordt door de psychiater vertaald in een organische stoornis die met medicijnen en volgens hem dikwijls alleen met medicijnen kan 'genezen' worden; en zo wordt de 'ziekte' ook aan de patiënt uitgelegd (die daar dikwijls tevreden mee is, want dan is hij of zij tenminste niet 'zot'). Door de band doet de psychiater echter nauwelijks moeite om zich te informeren over wie de pam eigenlijk is, hoe hij in de wereld staat en hoe met zichzelf, zijn medemensen en de wereld omgaat. Het ontgaat de psychiater dat de 'maatschappelijke' leefwereld (zijn gezinsrelaties, zijn werk of werkloosheid, enz.) zich in het lichaam van de pam inprent en dat zonder een verandering van de omgang van de pam met zichzelf en zijn omgeving er doorgaans ook weinig evolutie zal optreden in de toestand van de patiënt. Ongetwijfeld is het zo dat de psychiater een werkloze geen werk kan bezorgen of een eenzame alleenstaande een partner, maar dat betekent helemaal niet dat de psychiater daarom de problemen van de pam moet medicaliseren en hem opsolferen met allerhande pillen die door hun nevenwerkingen die problemen alleen maar verergeren (b.v. een aantrekkelijke vrouw die moet vaststellen dat ze met haar Zyprexa 20kg. in gewicht toeneemt).

Voilà: onze basisuitgangpunten voor wat betreft de zorg aan individuen in de psychiatrie en de geestelijke gezondheidszorg. Zoals u ziet zijn wij in principe NIET tegen medicatie: wij weten ook dat in een aantal gevallen van intens psychisch lijden (zoals paranoïde angsten of ondraaglijke lichamelijke spanning en opgewondenheid) medicijnen aangewezen zijn. Alleen zetten wij ons af tegen de mythe van de zaligmakende pil: a) omdat die dikwijls ineffectief zijn; b) alle psychofarmaca nevenwerkingen hebben die niet bepaald onschuldig zijn. Heel wat psychiaters en huisartsen schrijven psychofarmaca voor zonder op deze punten te wijzen.

Het Netwerk zelf is echter geen fan of supporter van één of andere therapie die lukraak voor alle patiënten heilzaam zou zijn. Sommige van onze Netwerkers vertrouwen op de psychoanalyse, anderen doen aan meditatie en Oosterse filosofie, nog anderen zoeken hun heil in de artistieke creatie en nog anderen zijn ervan overtuigd dat maatschappelijk engagement en sociaal-politieke actie hun de levenszin geven die hen helpen hun psychische problemen te overwinnen.
Het Netwerk beoogt in de eerste plaats mensen bewust te maken van zichzelf en hun leefsituatie om op die manier hun psychische problemen in te bedden in de plaats waar ze thuishoren, nl. in hun levenswijze. Dat kan hun voeding zijn, hun werk, hun gezin of zelfs hun obsessie met een hobby. Het Netwerk wenst zich niet op te stellen als een propagandist van om het even wat. Het is de taak van de patiënt zicht te krijgen op de dimensies van zijn of haar probleem en van daaruit stappen te ondernemen om zijn of haar leven eventueel anders in te richten of om zijn 'symptomen' om te buigen tot voor hem aanvaardbare gevoelens of gedragingen. Als een 'waanzinnige' zijn wanen omzet in tekenen, schilderen of romans schrijven en daarmee eigenwaarde en eventueel zelfs sociale erkenning opdoet, dan is dat voor ons volkomen OK! Wij kunnen een lijdende pam desnoods een eind op weg helpen maar de weg kiezen en hem afleggen, dat is de opdracht van de pam zelf en als hij daarbij op de hulp van vertrouwenspersonen kan rekenen, des te beter. En verkiest hij als vertrouwenspersoon een psychiater die hem volstopt met Risperdal en Tegretol en hem niet vraagt wat 'over zijn jeugd' te vertellen, dan zullen wij die persoon niet achtervolgen wanneer wij weten dat hij dat in volle gewetensvrijheid heeft gedaan.

Moraal en het Brein

Op het duidingsprogramma Terzake (Canvas-vrt) was er begin deze week (maandag of dinsdagavond, zouden we moeten nakijken) een item gewijd aan het onderzoek van Vlaamse wetenschappers die beweerden de moraal te fotograferen en haar zetel in de hersenen te hebben gevonden. Hier ons antwoord.

        Posthumanisme: tussen Scylla en Charybdis

Voor vele wetenschappers is de afschaffing van de mens in zijn menselijke gedaante een redelijke en bespreekbare optie. De overtuiging dat de toekomst van de mens ligt in een bestaan als redelijke machine mag voor wat ons betreft verdedigd worden zoals elke levensbeschouwelijke overtuiging. Alleen vragen wij dat deze overtuiging niet als een wetenschappelijke waarheid wordt voorgesteld en dat deze wetenschappers erkennen dat het hier om een politieke aangelegenheid gaat en geen wetenschappelijke, zelfs geen ethische (want onze ethici zijn bijzonder ondemocratische lieden, zie sub). Wij vragen dat de Wetenschap de bevoegdheid zou ontnomen worden om deze toekomst van de mens als redelijke machine via haar verbondenheid met de Macht dictatoriaal aan de mensheid op te leggen in plaats van deze voorwerp te maken van een democratisch debat.

Volgens de eminente Britse fysicus Stephen Hawking (vooral bekend omdat hij als een Marc Herremans van de wetenschap opereert vanuit een rolstoel) zal de mens de Aarde moeten verlaten om op lange termijn het voortbestaan van zijn soort te verzekeren. Een nucleaire ramp of een voorspelbare botsing met een asteroïde zal ons volgens Hawking dwingen elders ons heil te zoeken. (Op het moment dat Hawking die uitspraken deed, was de opwarming van de aarde nog niet zo ‘hot spot’.) De vraag is: in welke biologische, psychische en sociale vorm zullen wij naar een ver sterrenbeeld verhuizen? Zullen wij nog vlees aan ons lijf hebben of alleen cyborg’s, zullen wij nog mogen of kunnen lachen en wenen, zullen wij nog overleggen wat ons als gemeenschap te doen staat? Met andere woorden: zal het de mens zijn die een ander zonnestelsel opzoekt of een postmens? Zal het een geselecteerde elite van postmensen zijn die de aarde zal verlaten, terwijl de mensheid zelf zal creperen in gifwolken en ondrinkbaar geworden water? En is dat allemaal wel waar dat wij bedreigd zijn door een asteroïde of een nucleaire ramp?

Gisteren liet het VRT-nieuwsduidingsprogramma Terzake wetenschappelijk onderzoek zien van mensen zoals Jan Verplaetse (moraalfilosoof Universiteit Gent[1] - voetnoot 1) en Dirk De Ridder (neuroloog Universiteit Antwerpen) over de mogelijkheid, wat zeg ik werkelijkheid, onze ‘moraal’ te fotograferen in onze hersenen: onze moraal zweeft volgens die trendsetters van de humanistische wetenschap – want ze zijn lid van de UVV-vrijzinnige vzw ‘De Maakbare Mens’, geleid door de Gentse professor wetenschapsfilosofie Johan Braeckman - niet ‘boven’ ons, ergens in de lucht van de hemel (maar wie heeft dat ooit beweerd? Immers voor de katholieken ligt onze moraal niet bij God in de hemel, maar in onze inwendige ziel die in het lichaam huist), nee, de moraal zit in ons vlees, meer bepaald in één specifieke regio van het brein (waarmee die regio natuurlijk niets anders wordt dan een ander woord voor ‘ziel’). Bij de presentatie van dit tandem van moraalfilosoof en neuroloog ontviel mij onmiddellijk een vreemde hum: ‘Tiens, de psycholoog is er niet bij!’ En inderdaad: de ‘psyche’ als dusdanig verdwijnt blijkbaar. De moraalfilosoof is natuurlijk de Macht die, zelf volledig buiten schot blijvend, beweert te weten hoe anderen moeten leven, van kinderen (‘als je de straat wil oversteken, eerst links kijken en daarna rechts’) tot volwassenen (‘we moeten naar vrede streven en we mogen geen geweld gebruiken’, tenzij het leger natuurlijk, maar ook dat zijn ‘vredesoperaties’ geworden) tot ouderen (‘als je ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, heb je het recht euthanasie te plegen en als je vrijzinnig bent, heb je zelfs de plicht dit te doen’). De moraalfilosoof pakt het dier in ons aan en wil het tot een redelijk wezen omvormen (de natte droom dus van het humanisme!). De neuroloog levert hem dan de instrumenten om van de mens een machine te maken die via elektrische of magnetische stimulatie van hersenregio’s precies zal doen wat we willen dat de mens-machine doet. In het verbond tussen moraalfilosoof (de Macht) en neuroloog (de ingenieur) verdwijnt dus de mens, de ‘psyche’ en dus ook de psychologie als wetenschap. Maar waar gingen die onderzoeken op Terzake over?

Een eerste onderzoek laat zien dat bij de presentatie van moreel schokkende beelden aan een paar proefpersonen (beelden van een brutale overval, van een vrouw die verkracht wordt of van een kind dat geweld wordt aangedaan), vergeleken met de aanbieding van beelden van moreel neutrale ongelukken, één bepaald hersengebied gaat oplichten, zoals dat gemeten wordt met hersenscans (wat betekent dat er een verhoogde bloedtoevoer is naar dat hersendeel). Een eerste bedenking die we hierbij kunnen maken is dat er binnen de mensheid geen universele consensus is over wat moreel al of niet shockerend is: dat is synchronisch cultureel erg verschillend en ook diachronisch, doorheen de tijd van de Geschiedenis. Het tandem Verplaetse – De Ridder bepaalt dus in naam van de mensheid wat moreel kan en wat moreel niet kan. Dus wanneer onze wetenschappers als proefpersonen geen Leuvense universiteitstudenten hadden gebruikt maar b.v. leden van de milities die in Darfoer opereren (en dat zij toch ook mensen), zelfmoordterroristen (even menselijk als de Leuvenaars) of folteraars van Guantanamo Bay (ook eerbare mensen in het bezit van alle burgerrechten), dan was er op de ‘moreel shockerende’ beelden misschien anders gereageerd. Maar goed: volgens de onderzoekers kunnen we besluiten dat het moreel besef gelokaliseerd is in een heel welomschreven hersengebied. Maar dat klopt niet met het gros van het internationaal onderzoek waarbij blijkt dat de meeste diverse hersengebieden via onderlinge connecties betrokken zijn bij morele oordelen: van delen van het limbisch systeem (‘emoties’) tot de prefrontale cortex (‘mentale berekeningen’). Het ‘ontdekken’ van een hersenregio, zoals in Verplaetse’s onderzoek het geval is, zegt ons alleen dat dit hersendeel paraat is bij de psychische activiteit, dat het misschien noodzakelijk is maar daarom helemaal niet voldoende om die psychische activiteit te dragen. Overigens kan je de brain imaging technologieën (PET, fMRI) instellen op de mate van bloedtoevoer naar de hersendelen die nodig is om op de foto’s min of meer intense kleuren te produceren. En zijn de resultaten bekomen met PET altijd dezelfde als deze met fMRI? Wetenschapsfilosofisch kunnen heel wat bedenkingen gemaakt worden of de hersenscans ons een realistisch beeld geven van de ‘activiteit’ van de hersenen. Want wat is dat hersenactiviteit? Betekent meer bloed in een hersendeel dat daar en daar alleen meer activiteit is, en meer activiteit in welke zin? Is de biochemische meeractiviteit een teken dat volkomen correspondeert met verhoogde psychische activiteit of misschien alleen maar een aanwijzing  dat het weefsel in die hersendelen het meest dringend moet hersteld worden?

Maar soit. De onderzoekers Verplaetse en De Ridder zetten nu de volgende logische stap. Als ze dat hersendeel waar de ‘moraal’ huist uitschakelen, b.v. met Transcraniële Magnetische Stimulatie (TMS, waarbij in een hersengebied door middel van een magnetische spoel magnetische velden worden opgewekt), dan stellen ze, zoals ze verwachten, vast dat proefpersonen bij hun keuze bij morele dilemma’s geneigd zijn moreel unfaire keuzes te accepteren: b.v. wanneer de proefpersoon en de proefleider onder elkaar 40 euro moeten verdelen en de proefleider biedt een verdeling aan met 30 euro voor hemzelf en maar 10 euro voor de proefpersoon, dan is de proefpersoon minder geneigd te protesteren en accepteert hij relatief slaafs het aanbod. M.a.w. de onderdrukking van de activiteit in het relevante hersengebied schakelt de moraliteit van de proefpersoon uit. Althans, dat is het besluit dat de onderzoekers presenteren aan de Terzake-kijkers en aan de lezers van de tijdschriften waarin ze verslag geven van hun bevindingen (waar alles wel in wat meer ‘wetenschappelijke’ droogstoppeltaal zal zijn verwoord). Nu moet je wel weten dat TMS in de jaren 1980, zonder veel succes trouwens, is geïntroduceerd als een alternatief voor elektroshocks (Elektro Convulsie Therapie ECT). TMS is namelijk cleaner en als technologie minder omslachtig (geen anesthesist nodig b.v.). Maar noch van TMS noch van ECT weet men op basis van welke mechanismen ze de psychische activiteit of gemoedstoestand beïnvloeden. Er wordt in onafhankelijke kritische kringen die geen enkel geldgewin hebben bij hun standpunt (i.t.t. de meeste voorstanders van ECT en TMS) geopperd dat beide technologieën, en zeker ECT, een min of meer tijdelijke hersenschade teweegbrengen waardoor je uiteraard wat suffer, kalmer en apathischer wordt en dus ook moreel minder weerbaar. Dat is nu precies het effect dat de neuropsychiater bij een patiënt die met TMS of ECT wordt behandeld, wil bereiken: de patiënt is minder lastig, zogezegd minder ‘depressief’ en ook de familieleden zijn tevreden. All’s well, dus! Bij ECT gaat dat hoe dan ook wel ten koste van een 90% kans op een stevig geheugenverlies, tijdelijk of permanent. De nevenwerkingen van TMS zijn minder éénduidig, maar nevenwerkingen zijn er.

De tegenpool van wat Verplaetse en De Ridder als uitschakeling van het moreel besef via TMS uitvoerden, zou de stimulatie van het ‘moraliteitshersengebied’ kunnen zijn, namelijk met Deep Brain Stimulation DBS, waarbij elektrodes in bepaalde hersendelen worden ingeplant, zodat de kwaliteit van het moreel besef in principe zou moeten worden opgekrikt. Het is vreemd dat Verplaetse en De Ridder de negatieve test doen (uitschakeling van het moreel besef via TMS) in plaats van de positieve (opwekken van het moreel besef via DBS): de Universiteit van Antwerpen beheerst de DBS-technologie immers bijzonder goed. Maar DBS is natuurlijk, vergeleken met TMS, een zware en dus dure operatie (toch een halve week hospitalisatie).

Onze bedenkingen bij het toekomstbeeld van onze humanisten gaat echter nog verder. De regel bij DBS luidt dat de ‘patiënt’ reeds een maand vóór de operatie geen alcohol of nicotine tot zich mag nemen (laat staan cannabis of cocaïne) en niet mag lijden aan een hartkwaal. Ook tijdens een TMS of ECT behandeling (die als een reeks interventies over een aantal weken is gespreid) mag geen alcohol genuttigd worden en hartkwalen vormen eveneens een contra-indicatie. Als we dit allemaal samennemen (bijwerkingen, geen gebruik van alcohol of drugs over een niet zo korte periode, restricties m.b.t. de algemene gezondheid, hoge financiële kost), dan lijkt het er niet op dat het gebruik van technologieën als TMS en DBS binnen onafzienbare tijd een ‘dagelijks feit’ zal zijn, zoals onze neuroloog op Terzake fier verklaarde. Soortgelijke vragen hebben we ook gesteld aan professor dr. Helen Mayberg, een wereldvermaarde  pionier van DBS-gebruik bij de behandeling van depressie. Toen we een kopij van haar recent onderzoek vroegen met de vraag waarom mensen met zelfmoordgedachten (toch een belangrijk symptoom voor depressie) in haar onderzoek waren geweerd, kregen we binnen het uur het gevraagde per email bezorgd. Ook toen we haar meldden dat de Belgische wetenschappelijke journalisten aandacht hadden besteed aan haar werk, reageerde ze enthousiast. Maar sinds we Helen onze onderzoeksmethodologische bedenkingen bij haar onderzoek doormailden, hebben we niets meer van haar gehoord. (voetnoot 2)

Dit voor de meer technische kant van het onderzoek. Kijken we nu even naar de meer algemene conclusies en de meer filosofische premissen. De boodschap van Verplaetse en De Ridder (en de ganse groep van de vzw ‘De Maakbare Mens’) luidt dat we in de (vrij nabije) toekomst ons moreel besef niet zullen vormen op basis van opvoeding en persoonlijke levenservaringen maar door een rechtstreekse machinale ingreep in de hersenen. Wat kunnen we daartegenover stellen?

1. Zoals de meeste, maar niet alle neurowetenschappers, beseffen Verplaetse en De Ridder nauwelijks welke brain ideology aan hun brain science onderzoek ten grondslag ligt. Die brein-ideologie vertoont verscheidene facetten. Terwijl onderzoek bij kinderen steeds weer aantoont dat zowel de morfologie als de connecties tussen zenuwcellen en hersenregio’s zich ontwikkelt in functie van levenservaringen, m.a.w. geen louter biogenetische constante is maar veeleer een maatschappelijk  product, laten de meeste neurowetenschappers die onderzoek doen bij volwassenen zich verleiden (sic) tot de idee dat de breinstructuur als een puur biologisch gegeven en als een constante instelling de oorzaak is van bepaalde gedragingen, gemoedstoestanden of gevoelens (zoals hier ‘moral sentiments’). Het brein van de proefpersonen, bij Verplaetse & De Ridder overigens minder dan een man en een paardekop, is echter op elk moment in evolutie in functie van alle mogelijke interacties met zijn omgeving, van puur fysische en biochemische tot puur sociale. Er is in de genen geen standaardprogramma voor het functioneren van de hersenen voorzien, zoals dat veeleer wel het geval is voor het functioneren van de maag of de lever (hoewel: een dronkemanslever werkt anders dan die van een geheelonthouder). Een operationele structuur van de hersenen is bij de geboorte helemaal niet gegeven, volgens de laatste onderzoeken pas op 26-jarige leeftijd, en daarna takelt die dan weer af, m.a.w. gaat ze weer andere inhouden en vormen aannemen. Bovendien is er bij breinwetenschappers die misplaatste neiging om de hersenen in delen te verkavelen, daar waar de hersenen één wirwar van circuits van gebeurtenissen zijn die eerder synchronisch dan in een toestand van oorzaak-gevolg werken. Er is in de hersenen weinig hiërarchie te bespeuren: het centrale zenuwstelsel is bij voorbeeld niet de baas over de neuronale netwerken op het niveau van de zintuigen. En de hersenen of delen ervan vormen zeker geen afgebakend en begrensd orgaan: er zijn in de hersenneuronen evenzeer receptoren voor stoffen die werken binnen het hormonaal systeem of het immuunsysteem. Deze systemen zijn misschien als organen (pijnappelklier, bijnieren, lymfeklieren) te scheiden binnen een anatomische traditie, die teruggaat op onze Andreas Vesalius, maar hun werking is geïntegreerd in één geheel dat we als gewone mensen onder elkaar (dierlijk en menselijk leven) noemen. We hebben ondertussen kunnen zien hoe beperkt de geneeskunde is, zeker de psychiatrie, wanneer ze zich uitsluitend op deze anatomische traditie baseert. Deze geneeskunde heeft geen enkele geestesziekte genezen (in termen van de medische definitie van genezen), laat staan ‘geheeld’, en ze heeft geen enkele geestesziekte preventief voorkomen. Misschien moet in het licht van de operationeel niet-gepreprogrammeerde staat van de hersenen het begrip geestesziekte nog eens ter discussie worden gesteld, 40 jaar na Thomas Szasz, en vanuit het neurowetenschappelijke perspectief zelf. En passant: er zijn weinig argumenten voorhanden om het zenuwstelsel voor te stellen als een systeem dat vergeleken met het immuunsysteem ‘intelligent’ zou zijn: Verplaetse en De Ridder hebben er nog nooit van gehoord dat ook het immuunsysteem in veel middens wordt bestudeerd als een cognitief systeem. We herinneren eraan dat de ‘decade of the brain’ liep van 1990 tot 2000. In de USA gaan de wetenschappelijke prioriteiten ondertussen weeral andere richtingen uit. Verplaetse kent blijkbaar ook de draagwijdte niet van wat in de internationale literatuur van de cognitive sciences die de breinwetenschap overkoepelt, onder ‘cognitie’ wordt verstaan. En tenslotte nog dit: we krijgen ook een geheel andere kijk op het brein als we ons baseren op studies van de dans of het luisteren naar muziek in plaats van wat er in de prefrontale cortex gebeurt als we in een wereldvreemd experiment, waarvan we als proefpersoon weten dat het nep is, moeten beslissen of we een verdeling van 40 euro in een deel 30 voor jou en 10 voor mij zullen aanvaarden. Verplaetse is breinwetenschap op Vlaams niveau: postmoderne sciëntistische folklore!

2. Verplaetse en De Ridder en hun onderzoek zeggen ons niets over hoe ons moreel besef werkt. Het zegt niets over hoe het daar ooit geraakt is. Het alludeert dat het in de genen zit, dat onze genen al wisten dat als je een kind met geweld zijn pop afpakt, wij anno 2007 dit immoreel zouden vinden. Verder kan Verplaetse het als filosoof eigenlijk niet brengen. Waarmee hij bewijst dat hij zelfs de evolutionair-psychologische studies over morele gevoelens (die ons moreel besef op de genen terugvoeren) niet met de nodige aandacht gelezen heeft. En dat hij ook nooit heeft gemerkt dat de meeste van deze evolutionaire psychologen niet op de hoogte zijn van genetica, behalve dan dat wat daarvan in De Standaard of De Morgen geraakt. Het onderzoek van Verplaetse & De Ridder zegt hooguit dat ons moreel gedrag kan beïnvloed worden door hersenstimulatie. Maar dat wisten we eigenlijk al: sla iemand murw of half bewusteloos en hij zal moreel niet meer reageren. Alleen is dat soort weten nu wat verfijnd. En weten we misschien precies waar we moeten slaan en in ieder geval waarmee.

3. Gesteld dat we via TMS of DBS onze ‘moraal’ kunnen beïnvloeden, betekent dit dan dat we dit OOK MOETEN DOEN? We kunnen van jodenvet zeep maken, moe(s)ten we dit doen? Nee, we zijn daarvan teruggekomen. We hebben atoombommen op Hirosjima en Nagasaki gegooid, we kunnen dit nog steeds doen, maar de mensheid wil liever dat dit niet meer gebeurt. Het al of niet moeten van dat wat kan, is geen wetenschappelijke beslissing maar een politieke. Verplaetse en Deridder doen alsof dat een wetenschappelijke aangelegenheid is, een zaak voor ‘experten’. Zij spreken van science-faction! Ja, dat is het inderdaad. Maar ‘faction’ is een politieke daad! Daar zal veel weerstand tegen zijn en de kans is groot dat die nauwelijks zal gehoord worden, gefascineerd als de opiniemakers zijn door nieuwe tovenaars en Zyklon B producenten.[3] (voetnoot 3). Deze producenten zeggen eigenlijk dat de idee dat ons moreel besef door opvoeding en ervaring wordt aangebracht ‘onwetenschappelijk’ is. Maar als de beïnvloeding door TMS ‘wetenschap’ is, dan is de beïnvloeding door opvoeding en ervaring (waarvan bewezen werd dat ze in heel veel gevallen werkte en nog steeds werkt) dat toch ook! Wat is hier dan aan de hand? Niet meer en niet minder dan een poging om onder het mom van wetenschap een technologisch antwoord te geven voor een maatschappelijke context waarin mensen minder en minder gelegenheid krijgen zich met elkaar in te laten en waar ouders of opvoeders geen tijd meer hebben hun kinderen bij te brengen wat goed en kwaad is of daarover met hun kinderen in discussie te gaan. Het antwoord van de in wezen zuiver politieke groep waartoe Verplaetse behoort, is simpel: maak van de mens een machine, een biochemisch systeem dat kan geprogrammeerd worden als een computer, een dier waarvan de dierlijkheid ingeschakeld worden in een anorganisch en levenloos net van geheugenpillen en TMS-spoelen. Nogmaals: het is niet verboden deze optie te propageren, maar dan op basis van subsidies van het ministerie van Cultuur of met gelden die voorzien zijn voor de erediensten of voor de financiering van politieke partijen. Maar deze technologie voorstellen als een soort wetenschappelijke noodzakelijkheid en tegenstanders stigmatiseren als prehistorische animisten of middeleeuwse mystici, zoals SKEPP steevast doet, is volksverlakkerij van mensen die beter zouden moeten weten. In ons ogen gaat het hier niet langer om wetenschap, maar om een project van aristocratische en oligarchische lieden die de maakbare mensheid in twee willen delen: de gemaakten en zij die ze maken. Een zuiver postfascistisch project. Dat project past dan ook wonderwel in een Westerse wereld waar de sociale ongelijkheid in de laatste decennia door diezelfde politieke groep weer onderhands is aangezwengeld. En waarbij die politieke groep tweemaal langs de kassa passeert: bij de wetenschapsfinanciering en bij de allocatie van RIZIV-gelden.

4. Zoals we hier vroeger reeds met betrekking tot de ‘sociale cognitie van daklozen’ hebben aangehaald: het gaat in dit soort breinonderzoeken steeds om Westerse of verwesterde proefpersonen en in 99.9% der gevallen om studenten, zelfs meer specifiek eerstejaarsstudenten (die om zogezegde ethische redenen – waar de ethica zich toch allemaal niet mee bezighoudt – daarvoor overigens betaald worden, 10 euro per uur). Die maatschappelijk gezien elitaire proefpersonen worden voorgesteld als de standaard voor wat het is mens te zijn. In de populair-wetenschappelijke tijdschriften worden zij aangeduid als ‘wij’. Zij zijn, archaïsch gezegd, hooguit een emanatie of een agent van de heersende klasse, zowel op lokaal als op mondiaal niveau.

5. Tenslotte nog een puur wetenschapsfilosofisch punt. De gevoelens of gedragingen die in het meeste breinwetenschappelijk onderzoek worden bestudeerd, zijn puur geïsoleerde feiten die in een totaal vacuüm zweven. Het verdelen van 40 euro staat los van elke context, zelfs van een virtuele context. De proefpersoon weet dat het nep is, er is geen 40 euro te verdelen en het morele dilemma is in geen enkel opzicht een moment in een levensepisode. Wat is dan de ‘feitelijke’ betekenis van deze wetenschappelijke ‘feiten’? Feiten hangen steeds samen met andere feiten en die samenhang is niet op dezelfde manier zichtbaar als de feiten zelf. Maar de ‘feiten’ dragen steeds een samenhang met zich mee. Nemen we b.v. de ‘feiten’ die ons bereiken in de vorm van tv-beelden van vluchtelingen in Darfoer. Die ‘feiten’ vormen een samenhang die ons zegt dat mensen toch wreed en beestachtig kunnen zijn voor elkaar. Maar die ‘feiten’ krijgen een ander feitelijke betekenis als je weet wie daar allemaal op zoek is naar bodemrijkdommen en daarvoor mensen verplaatsen moet. Maar die schattenzoekers worden niet getoond! Een deel van de feiten wordt dus geïsoleerd van andere feiten waarmee ze ook samenhangen en waardoor ze een andere betekenis krijgen. Naakte feiten bestaan niet, net zoals de proefpersonen in een psychologisch experiment geen standaardexemplaren van de mensheid zijn. In een psychologisch experiment worden de gedragingen van de proefpersonen gelinkt aan de gedragingen en denkbeelden van de experimentators, niet aan hun andere gedragingen in hun leven, noch met hun vroegere noch met hun toekomstige. En de proefpersonen weten dat.

Laat Verplaetse dus beter zijn TMS-spoel op zijn eigen hoofd richten! Misschien zal dat werken om ook zijn eigen (gebrek aan) moreel besef wat op te krikken. Lui als Verplaetse zijn in wezen gevaarlijker dan Filip Dewinter. Zij zullen het zijn die, net zoals de Duitse geneesheren Hitler allerlei ‘wetenschappelijk’ materiaal aanbrachten, Filip Dewinter (stel dat hij de nieuwe Hitler zou worden, want we om uiteenlopende redenen betwijfelen) het instrumentarium zullen leveren om nieuwe holocausten over de mensheid te doen neerdalen. Wij wensen over deze thematiek dan ook niet langer van wetenschapper tot wetenschapper te discussiëren, maar van mens tot mens, van burger tot burger, van politicus tot politicus



[1]  Voetnoot 1. Verplaetse noemt zich nu eens moraalfilosoof, dan weer moraalpsycholoog. Hij heeft een opleiding in de moraalfilosofie, wat geen opleiding in de biochemie of de neurologie omvat. Hij maakte weliswaar zijn doctoraatsverhandeling over de geschiedenis van de lokalisering van de moraal in de hersenen 1800-1950. Wat men in 1800 ‘moralité’ noemt en daarbij aansluitend de idee van een ‘traitement moral’ van geesteszieken is iets heel anders dan wat momenteel in de neurowetenschappen onder ‘morele sentimenten’ wordt verstaan. Die geschiedkundige interesse verklaart ook zijn tewerkstelling bij de Vakgroep Grondslagen en Geschiedenis van het Recht aan de Universiteit van Gent (met daar ondermeer de ook gans zijn leven overal en nergens thuishorende rechts-liberale libertariër prof. Boudewijn Bouckaert, de man die Jean-Marie Dedecker onmiddellijk volgde in zijn overstap naar de NVA in december 2006; ik zou moeten checken wat er met Bouckaert ondertussen is gebeurd). Via Stephan Wyckaert van deze vakgroep is er blijkbaar ook een directe verbinding van Verplaetse met Erik Thys van Het Mis Verstand, een biopsychiatrische vzw die werd opgericht ‘om de beeldvorming rond psychose en schizofrenie in positieve zin bij te sturen’. Deze vzw bestaat uit Marc De Hert en Erik Thys, twee psychiaters, en Geerdt Magiels, bioloog en schrijver (en wat meer op de achtergrond: Sabine Wyckaert, vrouw van Thys en ook psychiater). De bijsturing bestaat b.v. in onzin en bedrog, zoals het beweren dat geesteszieke daklozen AIDS en tuberculose zouden verspreiden, wat als argument moet dienen om te pleiten voor een verruiming van de gedwongen opname van geesteszieken en het wettelijk voorzien van dwangbehandeling en van ‘therapeutische onbekwaamheid’, waarmee de wettelijk gewaarborgde patiëntenrechten voor geesteszieken zouden vervallen. We zien dus welk vlees we in de kuip hebben. Zoals Verplaetse een man is die van de biochemie van de hersenen niet veel afweet, zo kent zijn kompaan Geerdt Magiels, bioloog en filosoof, ideoloog van de sciëntistische en wetenschapsfanatieke SKEPP Studiekring Kritische Evaluatie Pseudo-wetenschap en Paranormale, nog niet eens het verschil tussen de twee Griekse woorden voor ‘leven’, namelijk ‘bios’ (=> bio-logie) en ‘zoè’ (=> zoölogie). Tot dat duistere milieu behoort ook Magiels’ geestelijke minnares filosofe Griet Vandermassen, die eveneens zonder vooropleiding in de biologie boekjes schrijft zoals ‘Darwin voor Dames’ en die een politieke stroming propageert genaamd ‘darwinistisch links’ met bijzonder nieuw-rechtse en in mijn ogen gewoon racistische inslag. Ook de politieke ambities van Jan Verplaetse zelf liggen zeer hoog. Zo schreef hij op 20 okt. 2006 in De Morgen: ‘Ik voorspel dat het binnen het half jaar (via magnetische hersenstimulatie) mogelijk zal zijn om die circuits (of denkprocessen) te manipuleren en bijvoorbeeld een VB’er ‘warme empathie’ te laten voelen voor de allochtoon. Stel je voor wat dat in het stemhokje zou kunnen opleveren’, lacht de filosoof. ‘Hier aanschuiven voor de (magnetische) spoel. Het elektronisch stemmen ziet er vandaag anders uit’. Dit aanschuiven voor de magnetische spoel doet denken aan het aanschuiven van joden en anderen voor de deuren van de gaskamers. Kortom, die man is gewoon een mafkees. Het zou me interesseren via welke liaisons die man academicus is geworden: mensen die in een ander vakgebied (recht, psychologie) terechtkomen dan hun doctoraatsopleiding, zo weet ik uit mijn 30 jaar lange academische carrière, hebben doorgaans naast hun intellectuele aanleg ook andere troeven. Bovendien hoorde het in 2002 dat je je doctoraat in boekvorm publiceerde. Verplaetse’s boek ‘Het Morele Brein’ (2005) gaat echter niet over zijn doctoraat, maar over zijn welhaast paranoïde obsessie het brein (van anderen, niet van hem zelf) te controleren.
[2]  voetnoot 2. Deze bedenkingen kan u vinden op de weblog van het Netwerk Psychiatrie & Samenleving: http://psychiatrie.blogse.nl/log/teksten-behandelingen/
[3]  voetnoot 3.  Siegfried Bracke besloot zijn presentatie van het item op Terzake wel met de opmerking: ‘Veelbelovend maar  ook beangstigend.’

Ziek, gestoord, onverzorgd ???

Zelfs het woord ‘zorg’ moet in de sfeer van het psychosociaal welzijn dringend overboord gegooid worden. Het verwijst te zeer naar een ‘christelijke’, schijnheilige barmhartige die zijn mantel in tweeën snijdt om een deel ervan aan een naakte sukkelaar te geven. Niemand weet wat onder geestelijke gezondheid moet verstaan worden: de medici zijn zelf van de term ‘ziekte’ (illness) overgestapt naar de term ‘stoornis’ (disorder), een term uit de wereld van de ingenieurs. Maar de mens met een psychisch probleem is noch een zieke, noch een gestoorde, noch een onverzorgde: het is een mens die hoopt dat met hem of met haar samen gewerkt wordt aan de ontplooiing van zijn of haar mogelijkheden om een stukje betere wereld voor zichzelf en zijn/haar nabestaanden uit te bouwen. Het is precies de hedendaagse aanpak van die mens met existentiële of psychische problemen – en die hebben we allemaal een beetje - die door hem of haar af te zonderen en uit te sluiten van hem of haar een zieke en een gestoorde maakt die niet meer in staat is zichzelf te verzorgen.

De "partij"-politieke opstelling van het Netwerk

We hebben er nooit een geheim van gemaakt dat het Netwerk Psychiatrie & Samenleving een links-progressieve bedoening is. Maar verre van zijn we sektair. Overal waar kan zoeken we politieke steun van mensen van 'goede wil' of mensen die behept zijn met een flinke dosis sociaal-politieke intelligentie. Tot onze beschermvrouwen en -heren horen als beroepspolitici Annemie Roppe (Spirit), Michèle Hostekint (SP.a), Jacinta Deroeck (onafhankelijke SP.a) en Sven Gatz (VLD). Regelmatig sturen we een standpunt naar de partijvoorzitters. Van VLD-voorzitter Bart Somers en zelfs van Frank Vanhecke (Vlaams Belang) krijgen we altijd een beleefd ontvangstbericht in de zin van "met aandacht gelezen en doorgestuurd naar Studiedienst en parlementsfracties". Van CD&V krijgen we nooit antwoord (wel altijd per brief een antwoord van minister Inge Vervotte), ook niet van SP.a en Groen! die we nochtans als onze natuurlijke bondgenoten beschouwden. Wel krijgen we per retour vanuit die hoek allerlei Nieuwsbrieven terug, berichten over pensenkermissen en andere ongevraagde rommel. Klein Links ("extreem-links") vindt blijkbaar het niveau van ons klassebewustzijn te laag want de politburo's van deze organisaties reageren nooit op onze brieven, al kunnen we regelmatig een lezersbrief plaatsen in Solidair, het weekblad van de Partij van de Arbeid.

Wie steunt het Netwerk zelf vanuit eigen initiatief?
Wij steunen SPIRIT en het Comité voor een Andere Politiek
.

Wij steunen het linksliberale Spirit omwille van haar combinatie van vrijheid en sociale rechtvaardigheid. Spirit komt het meest van alle partijen consequent op voor de fundamentele rechten van allerlei minderheden: holebi's, dieren, allochtonen, ..., en we rekenen daarbij ook de psychiatrische patiënten. Spirit-verantwoordelijken (tot minister Bert Anciaux op regeringsniveau) hebben ons in allerhande dossiers daadwerkelijk gesteund, al mogen wij ook de steun van Jacinta Deroeck (SP.a) en Annemie Vandecasteele (VLD) niet vergeten.

Wij steunen het Comité voor een Andere Politiek (van Georges Debunne, Jef Sleeckx en Lode Van Outryve) omwille van hun ijver voor een nieuwe sociale omwenteling die een eind moet maken aan de nieuwe vormen van sociale ongelijkheid die onze regio's en de heel wereld teisteren. Het is voor ons duidelijk dat enkel in een globale sociale omwenteling een einde kan gemaakt worden aan de structurele discriminatie en misbehandeling van geesteszieken. Wij waren dan ook fier dat een dichter van het Netwerk de Nationale Conferentie van het CAP op 28/10 mocht afsluiten.

tegen de nieuwe CD&V-Staat

tegen de nieuwe CD&V Staat
(gefinancierd door UNIZO)
en haar geheime alliantie met het Vlaams Belang
moeten we terug de theorie propageren
dat zot zijn een gezelliger
en moreel eerlijkere manier van leven is

men zegge het voort

Siamo coglioni

SIAMO COGLIONI!

Wij zijn eikels (klootzakken in het Vlaams). Zo noemen rechtgeaarde mensen in Italië zich, sinds Silvio Berlusconi de mensen die niet op hem wilden stemmen coglioni noemde.

ja, wij zijn eikels! Ja, wij zijn klootzakken!

Siamo coglioni. In ons hart en in onze kop.

De Lange Golven van de Psyche

De Lange Golven van de Psyche:
Psychiatrie, het Subject en
zijn Morele Verantwoordelijkheid

Eric Rosseel
Netwerk Psychiatrie en Samenleving

Samenvatting

In dit artikel willen we een samenhang schetsen tussen economische ontwikkelingen ('golven') en ontwikkelingen in de ideeën omtrent wat psychiatrie is en hoort te zijn, zoals we die kunnen vaststellen in de periode van na de Tweede Wereldoorlog tot nu. Perspectieven op de toekomst worden voorzichtig vooropgesteld.

Lange golven
Ernest Mandel is al meer dan tien jaar geleden heengegaan en met hem, althans in onze contreien, de brede interesse voor de lange-golfbewegingen in de economie. De theorie van de lange-golven stelt dat de ontwikkelingen van de kapitalistische economie niet alleen gekenmerkt wordt door relatief korte dikwijls lokaal of sectorieel gebonden conjunctuurcycli met de bijhorende crisissen, maar door algemeen-kapitalistische cycli of golven van langere duur, ongeveer 50 jaar. De cyclische gang van de kapitalistische productie die bepaald wordt door de ongenadige concurrentie, verschijnt als een opeenvolging van expansie en contractie van de warenproductie en dus van de meerwaardeproductie. De opgaande beweging van de kapitaalsaccumulatie kenmerkt zich door een stijging van zowel de winstmassa als de winstvoet, van zowel de omvang als het tempo van de kapitaalsaccumulatie, samenhangend met de massale inzet van nieuwe productietechnologische innovaties (alsook van nieuwe ‘sociale technologieën’). Innovaties (zoals destijds in Vlaanderen b.v. de Derde Industriële Revolutie Vlaanderen DIRV die Gaston Geens, minister-president van de eerste Vlaamse Executieve, in 1982 lanceerde) zijn op zichzelf niet voldoende om van een nieuwe opgang te spreken: die innovaties moeten eerst massaal in alle productietakken worden ingezet. De opgaande beweging van een lange-golf wordt dan gevolgd door een crisis en depressieperiode waarbij de winstmassa en de winstvoet dalen en zowel de omvang als het tempo van de kapitaalsaccumulatie afnemen. De lange-golf doet zich dus voor als een opeenvolging van versnelling en vertraging van de kapitaalsaccumulatie. Zo kan de geschiedenis van het industrieel kapitalisme beschreven worden als een reeks lange-golven met een duur van ongeveer 50 jaar:
1.     de lange-golf van het einde van de 18de eeuw tot de crisis van 1847 met de geleidelijke verspreiding van de ambachtelijk en manufactureel voortgebrachte stoommachine (de Industriële Revolutie).
2.     de periode van ongeveer 1850 tot het begin van de jaren 1890 met de verspreiding van machinaal vervaardigde stoommotoren als belangrijkste bewegingsmachine (de Eerste Technologische Revolutie).
3.     de periode van  ongeveer 1890 tot de Tweede Wereldoorlog met de massale toepassing van de elektro- en explosiemotor (de Tweede Technologische Revolutie).
4.     de lange-golf vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot ongeveer 1990 met als kenmerk de massaal toegepaste besturing van machines door elektronische apparaten (de Derde Technologische Revolutie). De omslag van opgaande naar neergaande trend in deze golf situeert zich in de periode 1966-1975 met als symbool de oliecrisis van 1973.

Dit betekent dat we ons ondertussen in een nieuwe opgaande golf zouden (moeten) bevinden, en die is inderdaad te merken aan de stijging van de winstmassa en de winstvoet en de massale introductie van communicatietechnologie. Ook de roep naar industriële innovaties past in dit perspectief, al is de inzet van computer- en communicatietechnologie in de productie reeds massaal ingevoerd vanaf 1990-1995. Deze nieuwe golf zou dan stilaan naar zijn climax moeten gaan: die kan verwacht worden rond 2010-2020. Maar we insinueren hier geen blind determinisme. De lange-golf is geen historische fataliteit maar de resultante van de gecoördineerde en ongecoördineerde acties van mensen: kapitaalbezitters, managers, arbeidersbeweging, de Staat en de overheden, nieuwe culturele en sociale evoluties, reacties van het kapitaal op dergelijke evoluties, enzovoort. In de opgaande fase nemen doorgaans de kapitaalbezitters en hun geestesverwanten het initiatief, maar al snel roert zich de georganiseerde en ongeorganiseerde arbeidersbeweging die b.v. via allerhande acties haar aandeel in de winsten opeist. De lange-golf bewegingen gaan hoe dan ook gepaard met cycli op het niveau van de mentaliteiten, de sociale psychologie van de bevolking, de mens- en wereldbeelden, kortom ideologische evoluties. Op dit vlak is minder werk verricht (het is me althans niet zo bekend). In Vlaanderen heeft vooral de Gentse historicus Helmut Gaus onderzoek verricht naar met de lange-golven samenhangende trends in culturele fenomenen zoals de mode, de kunst en de gemoedstoestanden. Typisch voor de neergang in de jaren 1920-1930 was uiteraard het fascisme met b.v. de verwachting dat het individu zichzelf opofferde voor de Natie (een Nazi-slogan luidde: Het individu is maar een cel van het lichaam van de Natie en de Staat; wie geen nuttige cel was werd van zijn identiteit en zijn politiek bestaan beroofd en gedoemd om als dieren in kampen te overleven, zoals Kafka’s profetische Jozef K. die, met een mes gedood, stierf wie ein Hund), de organicistische natie- en staatsconceptie, enz. In België manifesteerde die neergang zich in het anti-marxistisch werk van Hendrik de Man dat zich kenmerkte door een vermenging van psychodynamische denkbeelden, socialisme en fascisme. In de opgang van de Derde Technologische Revolutie (1945-1990) zagen we de hoe de arbeidersbeweging  de welvaartstaat afdwong, de strijd van de jeugd en de vrouwen voor maatschappelijke emancipatie, de climax van Mei 68, enzovoort. Naarmate de winsten en de winstvoet van het kapitaal verhoogden, nam ook het verzet en het zelfvertrouwen van de mensen toe: jongeren sloopten aloude autoriteiten, de vrouwen waren zo assertief dat ze zich halfnaakt (de minirok) op straat waagden.

In deze bijdrage willen we zekere evoluties binnen de psychiatrie sinds 1950 en het denken rond geestelijke gezondheidszorg situeren met deze lange-golven als achtergrond. We gaan er daarbij vanuit dat rond 1995 een nieuwe lange-golf  is ingezet en dat de ontwikkelingen in het geestelijk klimaat en in de heersende en opduikende mensbeelden daarvan reeds een illustratie zijn.

Van aliënatie naar aliënatie
In de jaren 1950 ontworstelden we ons uit een fascistische ideologie die de eerste helft van de 20ste eeuw en vooral de jaren 1920-1940 had weten te beheersen. We stippen hier twee kenmerken van die ideologie aan:
1)     het individu staat ten dienste van de Natie en offert zich op voor de Natie; wie daartoe mentaal of ‘politiek’ niet in staat is leeft een ‘leven dat niet waard is geleefd te worden’ en wordt gesteriliseerd en geneutraliseerd (desnoods vergast).
2)     de Natie heeft een vijand zoals de tegenwoordig veel bestudeerde nazi-filosoof Carl Schmitt het treffend stelde; die vijand, dat waren ‘de joden’, ‘de communisten’, ‘de homoseksuelen’ en andere zedenbedervers.
Niet al te ver van het pure fascisme stond het personalisme van Emmanuel Mounier, een personalisme daterend van rond 1935 maar dat nog altijd de officiële ideologie is van de Vlaamse en Belgische christen-democratie. Het woord personalisme suggereert dat de persoon van een mens centraal staat, maar in wezen gaat het personalisme ervan uit dat die persoon niet anders begrepen kan worden dan als integraal onderdeel van bredere en hogere sociale gehelen zoals het gezin (hier ruikt u al de CD&V) of de Natie. Dit personalisme is nog levendiger dan men zou denken: zo geeft een personalist zoals Alex Liegeois, moraalfilosoof aan de Katholieke Universiteit Leuven, in zijn commentaar op de Wet van 22 augustus 2002 betreffende de Rechten van de Patiënt aan dat die Wet teveel steunt op de individuele emancipatiegedachte en de persoonlijke autonomie en dat de toestemming van het individu met een medische behandeling zou moeten aangevuld worden met een toestemming van diens gezins- en familieleden. Zo’n mede-toestemming is natuurlijk niet verboden, maar die nadruk op het ‘zou moeten’ illustreert dat het christen-democratisch personalisme nog steeds de mens niet ziet als een zelfstandig subject. In de fascistische en postfascistische periode was braaf en gehoorzaam zijn (‘braaf’ betekende in het begin van de 20ste eeuw nog ‘dapper, moedig’) in Vlaanderen de meest wenselijke eigenschap voor een kind.

Een belangrijke kentering, ongeveer midden de jaren 1950, was de ontdekking van de ‘jonge Marx’ en zijn Parijse Manuscripten, van het begrip aliënatie, vervreemding dus. Samen met de wederzijdse bevruchting van existentialisme en marxisme zoals dit tot uitdrukking kwam bij mensen als Jean-Paul Sartre, met de symbiotische relatie die in zekere kringen ontstond tussen Freud en Marx plus de verbreiding van het werk van de kritische theoretici van de Frankfurter Schule ontstond zo een nieuw ideologisch en cultureel klimaat. Het subject dat door het fascisme was geëlimineerd, dook terug op. Het individu wordt langzamerhand opnieuw gepercipieerd als een ‘natuurwezen’ of ‘soortwezen’ dat door de kapitalistisch ‘liberaal-democratische’ maatschappij van zichzelf wordt vervreemd en wiens arbeidsproducten, incluis de democratische instellingen, zich als een vreemde macht tegen hem keren. Aan de andere kant heeft de naoorlogse economie nood aan geschoolde arbeidskrachten en nieuwe managers van allerlei slag wat de mondigheid van de bevolking doet toenemen. Een totaal nieuwe populaire rockmuziek komt op en begeestert de jeugd. De rest van het verhaal tot Mei 68 kennen we: feminisme en anti-autoritarisme. In het algemeen begon een mensbeeld te heersen dat een mens de resultante was van opvoedings- en omgevingsfactoren, dat mens en maatschappij maakbaar waren en dat devianten en delinquenten heropvoedbaar waren. Uit de monden van onderdrukten van allerlei slag, tot en misschien vooral in de kolonieën, sprak het verlangen naar bevrijding.

In die context moeten we het verschijnen van de anti-psychiatrie situeren. In de fascistische en postfascistische periode, i.e. in de neergang van de lange-golf 1890-1940, worden de geesteszieken die niet gevaarlijk zijn, meer en meer gedisciplineerd in arbeidsateliers en in echte kampen ondergebracht. Wie gevaarlijk is of niet-disciplineerbaar wordt geëlimineerd. In de jaren 1930 gingen de materiële leefomstandigheden van de residentiële geesteszieken zoals men ze nu noemt (‘residentie’ wat een mooi woord voor ‘kamp’) er erg op achteruit en werd er serieus honger geleden. De Catalaanse psychiater en trotzkist François Tosquello, algemeen beschouwd als de grondlegger van de zogenaamde Institutionele Psychotherapie, de psychotherapie in instellingsverband, maakte zich in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog precies een faam met de creatieve organisatie van de voedselvoorziening aan de residentiële geesteszieken in de kliniek van St-Alban in de Lozère. De psychoanalyse was nog niet echt doorgedrongen en in ieder geval een voorrecht voor de rijkere burgerij, al hadden Wilhelm Reich en anderen rond 1930 reeds merkwaardige pogingen ondernomen om met de psychoanalyse de arbeidersklasse en de jeugd te bereiken.

In de jaren 1950 zien we dan vier ontwikkelingen. In de eerste plaats is er de introductie van de neuroleptica (o.a. Haldol) die de meest lijdende én de gevaarlijkste geesteszieken kalmeert zodat ze opnieuw vrij kunnen rondlopen in de instelling. Naderhand gaat het gebruik van neuroleptica zich echter wel uitbreiden naar omzeggens alle min of meer zware geesteszieken, ook zij die geenszins gevaarlijk zijn of niet echt afzien maar die hooguit soms storend zijn (roepen, tieren en schreeuwen). Ten tweede tracht men gezien de nood aan arbeidskrachten, zoveel mogelijk geesteszieken te rehabiliteren zodat ze in de arbeidsateliers tewerkgesteld kunnen worden of opnieuw geïntegreerd kunnen worden in de ‘normale’ samenleving: vandaar de enorme proliferatie van de weinig succesvolle toepassing van elektroshocks (geïntroduceerd in 1938 door de Italiaanse psychiater Ugo Cerletti) en andere experimentele ‘behandelingen’ zoals de psychochirurgie (in het bijzonder lobotomie). En ten derde, samenhangend met de twee vorige punten, neemt de aandacht voor het sociale leven van de geesteszieken toe en ontstaat langzamerhand een sociale psychiatrie. En ten vierde zorgt de toen onstuitbare verbreiding van de psychoanalyse ervoor dat geesteszieken meer en meer subjectief bekeken werden: de actuele symptomen werden in verband gebracht met hoogst individuele gebeurtenissen in de levensgeschiedenis van de geesteszieke, ook bij residentiële psychotici die een eigen taaltje spraken en die dus in principe nauwelijks in aanmerking kwamen voor een psychoanalyse. De inhoud van wanen en hallucinaties werd als betekenisvol geduid en enorme pogingen werden ondernomen om met de zwaarste psychotici te communiceren. De grammatica van de taal van schizofrenen werd overigens door taalkundigen nauwkeurig bestudeerd en ontleed. Psychiaters en verpleegkundigen turnden zich om van medische autoriteiten en bewakers tot gesprekspartners die de woorden van de geesteszieken au sérieux namen. Eén neveneffect van deze benadering was dat de ‘verzorging’ van geesteszieken bijzonder arbeidsintensief werd.

Daarmee zitten we reeds middenin de anti-psychiatrie, die rond 1965 snel om zich heen begon te grijpen. David Cooper, van origine een Zuid-Afrikaan maar werkzaam in Londen, introduceerde in 1967 de term anti-psychiatrie: hij is de bekendste binnen de anti-psychiatrische beweging die Marx en psychiatrie met elkaar verbond. Ronald Laing, die steeds het label anti-psychiater heeft geweigerd maar toch een beetje als de kampioen van de beweging werd beschouwd, was meer existentieel-fenomenologisch ingesteld en hij trachtte met zijn boeken eerder leken en outsiders dan professionele collega’s aan te spreken. Laing en Cooper zochten de oorsprong van psychoses in verkeerd gelopen en verkeerd lopende interpersoonlijke relaties, vooral in de sfeer van de (burgerlijke) familie, zoals geïllustreerd in Kenneth Loach’s ophefmakende film Family Life uit 1971. De anti-psychiaters verzetten zich tegen elektroshocks, psychochirurgie zoals lobotomie en andere mensonwaardige praktijken. Ook het begrippenpaar normaal-abnormaal werd zwaar bekritiseerd. De ‘normale’ manier van denken en doen werd ontleed als een bijzondere maar niet noodzakelijke en zelfs niet altijd wenselijke manier van werkelijkheidsbeleving, zij het dat ze door een maatschappelijke meerderheid en door de Macht werd gedeeld. Thomas Szasz stelde onomwonden dat geestesziekten geen ziektes waren in de medische zin van het woord. De meeste anti-psychiaters gingen er wel vanuit dat psychotici en schizofrenen moesten geholpen worden, maar zij geloofden niet dat de psychiatrie, zelfs niet de psychoanalyse, hierin een doorslaggevende rol kon spelen.

In 1966 doken in Europa de eerste recessies op, de lange-golf bereikte zijn hoogtepunt in Mei 68 en de oliecrisis van 1973 met verbijsterde reacties van een samenleving die 25 jaar in vrede en stijgende voorspoed had geleefd. Overheerste voordien in linkse kringen de overtuiging dat de samenleving in een socialistische transformatie naar een nog hoger niveau kon gehesen worden, stilaan sijpelden in deze linkse kringen andere geluiden door: het industrieel kapitalisme én het socialisme waren volgens die nieuwe stemmen allebei uitingen van een déroute, van een totaal verkeerd ingeslagen weg die de mensheid in spirituele verblinding genomen had. Links geraakte stilaan aangevreten door ecologisme en al of niet atheïstische spiritualiteit, door een eerder platte aanval op de consumptiemaatschappij en de welvaartsstaat. Boeddhisme en New Age zouden hun intrede gaan doen. Niet je relatie met de samenleving was relevant, maar deze met het Al en de Cosmos. In dit Westers boeddhisme wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen dader en daad: het is het geweer dat iemand doodt, niet de soldaat. Het subject wordt een passieve waarnemer van zijn handelingen en innerlijke vrede is belangrijker dan rechtvaardigheid. Wanneer dingen alleen maar gebeuren in een onpersoonlijke manier, dan vervalt de morele verantwoordelijkheid, then even the most horrible crimes eventually do not matter. Mei 68 splitst zich op in individualistische lui die succesvol opereren in nieuwe industrieën, de dienstensector of de non-profit sector (de ‘neo-liberalen’) en de geitenwollensokken (de ‘ecologisten’), eigenlijk al evenzeer individualistisch ingesteld want vooral bezorgd om hun innerlijke gemoedstoestand en hun peace of mind.

De anti-psychiatrie gaat mee in deze kentering. Meer en meer wordt de waanzinnige voorgesteld als een persoon die nog als enige eigenlijk een écht authentiek contact heeft met de werkelijkheid. Van een logica wordt de waanzin een religie, een uitzonderlijke toegang tot de ware werkelijkheid. Reeds in The Politics of Experience uit 1967 maakt Ronald Laing de vergelijking met een formatie vliegtuigen waarbij één vliegtuig plots een andere koers volgt: wie wijkt af van de juiste koers?
David Cooper heeft het over de gek die leeft en spreekt in elk van ons. De ecologistisch-spiritualistische draai is ook duidelijk merkbaar in het monument van de anti-psychiatrie in de Lage Landen, Jan Foudraine’s megaseller Wie is van hout? Foudraine eindigt uiteindelijk bij Baghwan en verzuipt in het obscurantisme. Ongeveer hetzelfde kan gezegd worden van de Vlaamse psychiater Steven De Batselier die in Leuven een therapeutische gemeenschap Passage 144 leidde. De Batselier weet neuroses en psychosen aan industrialisering en verstedelijking, typisch ‘progressief’ katholieke gedachten dus. Met dit toenemend obscurantisme en spiritualisme plus het ophemelen van druggebruik wordt de anti-psychiatrie totaal onaantrekkelijk voor ernstige wetenschappers die zich willen steunen op empirische bevindingen. Komt erbij dat de steeds meer in geldnood levende Staat de arbeidsintensiviteit van de anti-psychiatrische begeleiding van de patiënt niet langer even gul kan of wil betalen.

Ondertussen had in alle stilte de genetica met de ontdekking van de chromosomale structuur en van de structuur van het DNA nieuwe perspectieven geopend en kwamen ook de biochemie, de neurobiologie en de brain sciences uit hun startblokken, waarvan de pioniers zoals neurowetenschapper Michael Gazzaniga in de jaren 1970 een breder publiek begonnen te bereiken. De neurowetenschappers baseerden zich op hun klinische praktijk b.v. bij split-brain patiënten, dat zijn mensen die de informatie uit hun beide hersenhelften niet (meer) kunnen combineren en integreren. Tegelijkertijd werd doorheen allerlei onderzoek, b.v. naar de werking van allerhande drugs en medicijnen of naar aandoeningen zoals de ziekte van Parkinson, meer inzicht gekregen in de rol van de neurotransmitters, de stoffen die een rol spelen bij de overdracht van neurale impulsen tussen hersencellen. Eigenlijk waren farmaceutische firma’s zoals Janssen Pharmaceutica en Hoffmann-La Roche als sinds de jaren 1950 researchmatig zeer actief. La Roche lanceerde in 1963 Valium, na Librium de eerste van een reeks benzodiazepines, dit zijn tranquillizers en slaapmiddelen zoals Lexotan, Temesta, Rohypnol, Xanax, Loramet e.d. Valium was het eerste geregistreerd psychofarmacon dat ook brede lagen van niet echt geesteszieke mensen bereikte. Benzodiazepines interfereren en wedijveren met GABA, een neurotransmitter dat de signaaloverdracht bij de synapsen tussen twee zenuwcellen inhibeert: vandaar naast angstreductie ook de als nevenwerking aangeduide ‘ontspannende’ spierverslapping. Andere neurotransmitters waarvan de rol enigszins leek opgeklaard te worden, waren dopamine (die een rol speelt bij verlangen, lust en plezier), serotonine en noradrenaline. Van dopamine meende men te mogen beweren dat een teveel ervan schizofrenie zou veroorzaken (met als gevolg nieuwe neuroleptica – nu antipsychotica genoemd – die de werking van dopamine neutraliseerden en met als nevenwerking een merkbare gevoelsvervlakking). Een gebrekkige werking van serotonine of haar aanmaakstof tryptofaan zou dan depressies verklaren, wat eveneens aanleiding gaf tot allerlei nieuwe medicijnen, de antidepressiva die in de jaren 1990 de benzo’s zouden gaan verdringen omdat deze te verslavend bleken (ondertussen blijken gebruikers van antidepressiva al evenzeer problemen te hebben om het gebruik ervan af te bouwen of ermee te stoppen). En een teveel aan noradrenaline zou opwindingstoestanden en paniekstoornissen veroorzaken.

De nieuwe vooruitgang in de genetica veroorzaakte een schokgolf met de door de media breed uitgesmeerde offensieve pretenties van de sociobiologie van Edward Wilson en vooral door het megasucces van Richard Dawkins’ zelfzuchtige genen. De sociobiologie pretendeerde de sociale wetenschappen te zullen overbodig maken en genen te kunnen vinden voor alle culturele fenomenen (incluis onze politieke overtuiging of onze voorkeur voor een bepaalde kledij of een muziekstijl), voor alle psychologische vaardigheden en uiteraard voor geestesziekten. In die tijd dacht men nog aan één enkel gen voor elk fenotypisch verschijnsel: zo beweerde men vooral op basis van (veelal discutabel) tweelingenonderzoek het bestaan te mogen onderkennen van een gen voor schizofrenie, voor depressie en voor anti-sociaal gedrag (psychopathie). Pogingen van linkse genetici en neurobiologen om tegen deze stroom in te varen kenden een eerder matig succes. Op vijf jaar tijd was de media belangstelling voor de anti-autoritaire opvoeding zoals Alexander Neill’s Summerhill omgeslagen in aandacht voor de pretenties van de genetica, de sociobiologie en de neurosciences. Al werden voor geestesziekten en psychische stoornissen nog steeds geen specifieke genen gevonden, toch werd door wetenschappers en vooral door minder voorzichtige wetenschapsjournalisten elke aanwijzing voor genetische bepaaldheid van menselijke vaardigheden en gebreken breed in kranten en op televisie uitgesmeerd.

Rond 1980 begon de biologische psychiatrie, zoals ze werd genoemd, uitgaande van genetische en neurowetenschappelijke onderzoeksgegevens, duidelijk de psychiatrie en zeker de institutionele psychiatrie te veroveren. Met deze biologische psychiatrie kunnen we volgende kenmerken verbinden:
1.     Massaal gebruik van psychofarmaca, ook bij kinderen, zowel van kalmeermiddelen en slaapmiddelen als van antidepressiva en antipsychotica. Het voorschrijven van psychofarmaca raakte ook ingeburgerd bij huisartsen. De psychiatrie raakte verstrengeld met de farmaceutische industrie die het merendeel van het onderzoek financierde en nog steeds financiert. 
2. Een afstandelijke wetenschappelijk-technische houding van de psychiater. Het contact tussen psychiater en patiënt verloopt koel en relatief stroef, zakelijk en zonder de minste persoonlijke bewogenheid vanwege de psychiater. Veel psychiaters trekken ook opnieuw een witte labo-jas aan. Zij stellen zich expliciet op als medische autoriteit, niet als gelijke in een vertrouwelijke dialoog.
3. Er is nauwelijks nog aandacht voor de inhoud van de belevingswereld van de patiënt. De inhoud van wanen, hallucinaties, fantasieën en dromen van de patiënt wordt amper in rekening genomen en ze worden als pure eerder irrelevante epifenomenen van het hersenfunctioneren beschouwd.
4. Ook is er nauwelijks nog aandacht voor de levensgeschiedenis van de patiënt. De symptomen worden niet langer als symptomen in de psychoanalytische zin beschouwd en ze worden niet binnen hun procesmatige dimensie, in hun ontwikkelingsgeschiedenis geduid.
5. Onderzoek gebeurt bijna uitsluitend op basis van statistische vergelijkingen van groepen patiënten met controlegroepen (b.v. mensen die een placebo toegediend krijgen vergeleken met een groep mensen die een behandeling krijgen via een nieuw geneesmiddel). Deze vorm van evidence-based medecine, zoals dat tegenwoordig wordt genoemd, heeft het onderzoek via gevalstudies bijna geheel weggedrumd. Biografieën worden niet langer door psychologen en menswetenschappers geschreven maar enkel en alleen nog door journalisten.

Later toen brain imaging en hersenscans toelieten in vivo na te gaan welke hersendelen actief zijn bij bepaalde handelingen of emoties (zogenaamde hotspots), leek het succes van de biologische psychiatrie volledig. Men kon nu precies zien welke hersenregio’s geactiveerd werden bij het uitvoeren van bepaalde taken of het opwekken van zekere gemoedstoestanden (door b.v. proefpersonen experimenteel te doen liegen). Daarna zorgde de media-belangstelling voor de evolutionaire psychologie, die ons gedrag en gemoed ziet als evolutionaire aanpassingen aan de condities van de prehistorie toen de menselijke soort genetisch werd gevormd, voor een complete overheersing van het neurogenetisch paradigma en voor een totaal nieuw mensbeeld vergeleken met dat van de jaren 1950-1970. Zelfs een nieuw onderdeel van de filosofie boog zich over de relatie tussen brein en geest en herleidde hierbij als het ware de geest tot het functioneren van breinregio’s en connecties tussen deze regio’s. Het idee van het Zelf of het Ego als unifiërende instantie binnen het lichaam-geest systeem wordt daarbij grotendeels opgegeven voor een soort postmoderne opvatting van een veelheid aan ‘ikjes’ die op het theater van de hersenwerking vechten voor prominentie en een podiumplaats. Sommigen zoals Eric Kandel poogden zelfs de psychodynamische verschijnselen die de psychoanalytische theorie aan het licht had gebracht, terug te brengen tot de organische substructuur van de hersenen, zo herinnerend aan het feit dat Freud vóór de ontwikkeling van zijn psychoanalyse, die uiteindelijk op de erkenning van het belang van de taal als symbolisch gegeven steunde en steunt, hoopte om als neuroloog de psychopathologie biologisch te kunnen verklaren.

In zijn geheel genomen is rond 1985 in een verloop van tien jaar het denken over de mens in termen van subjectiviteit en subjectivering bijna volkomen verloren gegaan. Als ons gedrag gestuurd wordt door genen en onafhankelijk van elkaar opererende hersenstructuren, dan zijn we eigenlijk ook niet langer moreel verantwoordelijk voor ons gedrag: onze genen en onze hersenen hebben zogezegd al ‘beslist’ vóór we zelf als subject vat hebben op onze acties en de situaties waarin ze plaatsgrijpen. De vrijheid, al of niet Kantiaans gedacht, is opgegaan in een volslagen neurogenetisch determinisme. Was ons Zelf voordien vervreemd en gealiëneerd door een maatschappelijke wereld die zich als een macht tegen ons wezen keerde, dan zijn het nu genetische structuren en biochemische reacties in de hersenen die ons ons Zelf ontnemen en het bewuste denken tot een bijverschijnsel van deze biologische realiteiten herleiden. Het is in die zin wat onrustwekkend dat sommige holebi-kringen blij zijn met onderzoeksgegevens waaruit zou blijken dat chromosomaal gebied Xq28 een gen voor (mannelijke)  homoseksualiteit zou bevatten zodat homoseksualiteit duidelijk niet langer als een ‘afwijking’ maar als een ‘natuurlijk’ en erfelijk/aangeboren gegeven moet beschouwd worden.
Dit neurogenetisch reductionisme wordt door een aantal witte raven als de bioloog Steven Rose, zelf een pionier van de brain sciences, strijdlustig bekampt maar hun bezwaren verzinken in het uitgebreide moeras van de enorme massa aan onderzoeksdata die de hersenwetenschappen de laatste twintig jaar hebben verzameld. Blijkbaar sluiten de nieuwe mensbeelden aan bij een tijdsgeest die samenhangt met de neergang van de lange-golf en het feit dat in de opgang van de nieuwe golf die in 1990-1995 is ingezet, emanciperende krachten nog geen offensieve stellingen hebben ingenomen.

De neergang van het humanisme: Where did the Superego go?
Hoe is het zover kunnen komen? De ‘Dood van het Subject’ die zo kenmerkend is voor de postmodernistische filosofie en die we terugvinden in de biologische psychiatrie, de neurobiologie en de evolutionaire psychologie, vindt eigenlijk zijn oorsprong in het feit dat de arbeidersbeweging totaal in het defensief is gedrongen geweest en dus geen kader meer bood waarbinnen persoonlijke emancipaties zich konden voltrekken. De werkonzekerheid en de hoge werkloosheid, de rivaliteit tussen diverse categorieën van werknemers en werklozen (die zich naderhand in het bijzonder uitte in de groeiende tegenstelling tussen autochtone werknemers en hen die eerst ‘gastarbeiders’ werden genoemd en nu als immigranten en allochtonen door het leven gaan), de relatieve daling of stagnatie van de koopkracht, de toenemende ongelijkheid tussen rijken en armen: dit alles vormde een maatschappelijke ruimte waarbinnen het ieder voor zich was. Egoïsme en plat corporatisme kregen de bovenhand: gemeenschappelijke actie leverde teveel risico’s op en dus dacht ieder het op zijn of haar eentje te kunnen waarmaken. Het logische gevolg is dat de idee van de maakbaarheid van de maatschappij verzwindt, maar vervliegen doet ook het geloof in de maakbaarheid van zichzelf als persoonlijk en sociaal wezen. Men heeft immers geen controle meer over de factoren die de ‘lotsbestemming’ bepalen en het zicht op het samenhangend geheel dat deze factoren verbindt, verdwijnt. In zo’n psychosociale context is het logisch dat de goegemeente vatbaar wordt voor opvattingen waarin de mens gedetermineerd wordt door natuurkrachten waar hij helemaal geen vat op heeft: het idee van de genetische manipulatie en de mogelijkheid tot het klonen van mensen stuiten immers nog op teveel weerstand en vormen geen basis voor een nieuwe maakbaarheid. En bovendien op veel scepticisme met betrekking tot de vraag of de genen wel degelijk een preformatie bevatten van het fenotypisch resultaat dat uit de ontwikkeling van het embryo te voorschijn komt. In deze teruggeworpenheid op zichzelf, op zijn lichaam als ‘dierlijk’ organisme beperkt de solidaire vereniging met lotgenoten zich tot de zogenaamde identity politics: de enkeling vereenzelvigt zich met een bepaalde categorie van de bevolking en komt hoogstens nog op voor de specifieke rechten van die categorie (vrouwen, homoseksuelen, allochtonen, asielzoekers, enz.). De enkeling sluit zich op in een categorische identiteit, een vorm van groepsegoïsme. Hij leeft in een niche, is lid van een marktsegment. Een politieke opstelling waarin men beweert te spreken namens de ganse gemeenschap (het volk, het proletariaat, ‘de mens’ of ‘de mensheid’) lijkt ondenkbaar geworden. De Witte Mars van 1996 in het kader van de affaire-Dutroux, de grootste betoging die België ooit kende (overigens onder een soort auspiciën van de Belgische Koning en de eerste-minister), was politiek gezien een bijzonder ambivalente bedoening die niet bepaald uitblonk door emancipatorische eisen: in de marge en in de kern van de beweging werd duchtig propaganda gemaakt voor de herinvoering van de doodstraf. De Witte Comités hebben dan ook geen enkele maatschappelijke evolutie in gang gezet, hoogstens hier en daar reeds bestaande plannen wat geheroriënteerd.

In een situatie waar men greep verloren heeft op de factoren die zijn toekomst bepalen, kan de buitenwereld niet anders dan als bedreigend overkomen. Elke input van buiten uit riskeert het label ‘stress’ mee te krijgen. Die stress kan echter niet meer geanalyseerd worden in termen van ‘objectieve’ tegenkrachten in de maatschappelijke buitenwereld die bestreden kunnen worden, maar worden naar binnen geprojecteerd als oncontroleerbare tegenkrachten en determinanten in het eigen lichaam: (uiteraard erfelijke) individuele verschillen in stressgevoeligheid en stressbestendigheid worden als oorzaak gezien van onze stressreacties. Van deze  introjectie wordt dagelijks getuigd op internet zelfhulpgroepen voor angstigen, depressieven en min of meer psychotici (zoals b.v. de msn community Angst & Paniek), dikwijls mensen die blijkbaar alleen in de anonimiteit en onder schuilnaam kunnen communiceren. Stress in de vorm van massa’s partiële informatie komt op ons af en we zijn niet langer bekwaam en ook niet bereid deze informatie met andere informatie te verbinden. Reflectie over maatschappelijke toestanden en zelfconfrontatie worden bijzonder bedreigend omdat ze ons oog in oog brengen met onze existentiële machteloosheid als subject. Vandaar het beroep op psychofarmaca en de popularisering van de gedragstherapie en de cognitieve therapie, later gecombineerd tot de cognitieve gedragstherapie of CGT. Cognitieve gedragstherapie vraagt ons immers niet in ons zelf te kijken: zij poogt alleen onze gedragingen, gedachten en voorstellingen die bron zijn van angsten en depressietoestanden technisch bij te sturen. Liever instant opinies en door de media voorgekauwde ready-made overtuigingen, die ons geweten met rust laten en niet knagen aan ons broos mentaal evenwicht.

Nochtans zijn wij ons goed bewust van de broosheid van dit evenwicht. In feite vragen wij om een dubbele ‘therapie’ voor ons psychisch leed. Aan de éne kant een therapie die snel werkt, goedkoop is en ons toelaat ons maatschappelijk functioneren zoveel mogelijk te handhaven en op peil te houden: ook hier ligt een verklaring voor het feit dat de cognitieve gedragstherapie de tijdrovende en geldverslindende psychoanalyse heeft teruggedrongen. Vandaar ook het succes van allerlei alternatieve helers en halve kwakzalvers die snel resultaat beloven en daar door hun respectvolle en minzame aandacht voor de cliënt dikwijls nog in slagen ook. Anderzijds zijn wij op zoek naar een sluitend wereldbeeld dat ons toelaat maatschappelijk en interpersoonlijk performanter op te treden én ons verzoent met ons zelf en onze ‘natuur’. In de jaren 1980 krijgen we een expansieve uitzaaiing van allerhande therapieën zoals Transactionele Analyse, Gestalttherapie, NeuroLinguistic Programming, bioenergetica en meer lichaamsgerichte technieken zoals meditatie en yoga: zij veroveren geruisloos een markt waar zowel ‘normale’ mensen als managers en al wie professioneel met mensen moet omgaan staan aan te drummen.

Zoals u ziet: een nieuwe neergang van een lange-golf is geen herhaling van de neergang van de vorige fase. De eeuwige terugkeer is de geschiedenis vreemd: zijn er weliswaar zekere parallellen te trekken met de tijd van het fascisme, dan staan we toch voor een totaal nieuwe constellatie. En dat betekent dat de komende offensieve emancipatorische actie vanuit deze constellatie zal vertrekken en totaal nieuwe kenmerken zal aannemen. Een primair verschil betreft immers de teloorgang van de ethiek van de Staat die zich op het niveau van het individu uitte als de ethiek van de gehoorzaamheid. De enkeling anno 2000 is niet gehoorzaam, hij of zij houdt zich gedeisd. De permissieve samenleving, de vrouwenemancipatie, de opheffing van de generatieconflicten tussen ouders en kinderen door de vervanging van de autoriteit door de dialoog blijven als resultaat van Mei 68 behouden en kunnen eigenlijk niet meer teruggeschroefd worden, al is er de laatste jaren hier en daar een roep naar strengere en repressievere aanpak van allerhande fenomenen zoals jeugdcriminaliteit, drugverslaving of verkeersagressie. In psychoanalytische termen kunnen we spreken van de evaporatie van het Superego, in politicologische termen van de teloorgang van de Staat als morele autoriteit. Where did the Supergo go?

Waar is het Superego naar toe? Die instantie die in ons hoofd boven ons stond, die verinnerlijking en internalisering van uitwendige en ons opgelegde maatschappelijke normen, regels en waarden. Dat Superego dat zich verzette tegen onze natuurlijke driften van het Onbewuste en hen belette hun gang te gaan. En het Ik, het Ego dat in die strijd tussen het Onbewuste (het Id of in het Duits Es) en het Superego diende te bemiddelen? Het Superego was de Staat en de Overheid die verankerd waren in onze geest, niet als een uitwendige tegenover ons staande macht maar als een integraal deel van ons Zelf. In de tegenwoordige psychoanalyse b.v. in die van Jacques Lacan komt het Superego nauwelijks nog als die boven ons staande morele kracht ter sprake. Lacans Le Nom du Père lijkt eerder een flauw afkooksel van Freuds strenge Superego en bovendien geven de lacanianen aan dat de symbolische vaderfunctie in onze postmoderne samenleving is uitgehold.
Le Nom du Père is Le Nom du Pair geworden, de naam van de gelijke, van de naaste. Waar is dat Superego naar toe? Bij sommige mensen in mijn omgeving die zich geconfronteerd weten met de chaos van deze tijd, merk ik een heimwee naar dit Superego. Maar jammer genoeg voor hen, de doden staan niet weer op. De Staat die boven ons staat, bestaat niet meer. De politieke ethiek, de zogenaamde raison d'état, het Algemeen Belang: het is allemaal in de vloedgolf van de laatste decennia verzwolgen. De Staat als onderdrukkende maar tegelijk richting gevende kracht heeft opgehouden te functioneren, ze heeft haar historische taak volbracht en vormt nu nog enkel een theater waar mensen wedijveren om macht, om de plaats te bezetten van waaruit het spektakel dat deze maatschappij is te regisseren of te monteren. Vroeger was er de Staat met een grote S die ons met veel ethiek en moraalfilosofie inpaste in het publieke, politieke leven precies door ons te onderdrukken. We werden mensen precies doordat ons natuurlijk leven, ons biologisch leven aangevuld werd met een publiek, politiek leven, een symbolische deelname aan het beheer van het openbare goed. Die Staat stond BOVEN ons en wij onderaan waren solidair met elkaar. Wie niet solidair deelnam aan een staking was een rat: hij werd algemeen geminacht, ook door de fabrieksbaas tegen wie de staking was gericht. De ergste misdaad die we kenden was de verklikking. Zelfs de Rijkswacht die toen nog bestond, bejegende de verklikkers met diepe minachting: zij noteerde en gebruikte hun informatie en spuwde ze daarna als het ware in het gezicht. Nu word je als spijtoptant beloond. De spijtoptant, i.e. de verklikker, is gemeengoed geworden op alle terreinen, recent nog in het voetbalschandaal. En de Rijkswacht bestaat niet meer: er is geen Rijk meer om over te waken. De strijd gaat tegenwoordig niet meer om het veroveren van de staatsmacht en er is dus ook geen Rijkswacht meer nodig.

De strijd gaat nu tussen Staat (de Ander buiten ons) en Niet-Staat (ons zelf als wat er overschiet van ons lichaam als politiek wezen). Tussen de Ander en ons zelf. Die Ander met zijn normen en waarden is niet langer verinnerlijkt in onszelf, het Superego is verdwenen. In de plaats van de Rijkswacht is de politie gekomen die autonoom gaat optreden en geen onderscheid maakt tussen geweld en recht, haar geweld als recht voorstelt. (Zoals minder goed geweten is: de uitroeiing van de Joden in Nazi-Duitsland was geen regeringsmaatregel maar juridisch gezien een politieoperatie.) Die politie staat niet boven ons op basis van een verheven ethiek, maar naast ons. De solidariteit is opgeheven: elke ander kan verklikker of politieagent zijn. De Staat, dat zijn de Anderen, onze naasten, niet zij die boven ons staan, want er staat niemand meer boven ons. De
Staat is een soort firma geworden. Een bekeuring oplopen is geen morele ontmoeting meer met de Macht maar verworden tot een financiële transactie: je betaalt je boete via een minnelijke schikking en je bent verder niet onder de indruk. Dit geeft ook aan dat de Staat de markt, de ruil dus, niet kan of wil vervangen: zij wordt integendeel zelf een marktverschijnsel onderhevig aan de kenmerken van de spektakelmaatschappij. Dit einde van de Staat gaat gepaard met een ware tsoenami van wetten en reglementeringen, dat allemaal om ons zelf tegen anderen te beschermen. Maar we trappen in een val: want met al die wetten kun je ook zelf werkelijk voor alles aangeklaagd worden, hetzij voor de rechter hetzij voor de psychiater. Alles wat je doet, kan tegen je worden gebruikt. Omzeggens alles wat je doet is wel door een of andere wet of psychiatrische theorie verboden of tot vorm van mentale stoornis gemaakt. Spreek je te luid, dan is het A; spreek je te stil, dan is het B. Je wordt beboet niet omdat je iets verkeerd gedaan hebt, maar omdat je pech had: je werd gezien door anderen, je was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Onnozelheden als even op de stoep parkeren of eens agressief uit de hoek komen (vroeger waren assertiviteitstrainingen zeer populair, maar die zijn volkomen uit de mode, zelfs het woord assertief is helemaal in onbruik geraakt):je weet niet wat je riskeert.

In dat klimaat komt niemand nog op voor zijn rechten: het risico te verliezen is veel te groot. In deze samenleving waar elke ander een verklikker of politieagent kan zijn, waar elke ander je kan aanklagen, is er een enorme roep om warme waarden zoals vriendschap en solidariteit: het beste bewijs dat die dingen niet meer bestaan, dat je op die dingen niet meer kunt bouwen. Je kan niet meer echt onvoorwaardelijk op iemand rekenen, je moet voortdurend je vrienden te vriend houden, voortdurend je partner voor je winnen, je kinderen verzekeren van je liefde, je collega's overtuigen van je inzet en je beroepsernst. Een enorme stress is het gevolg, een stress die alle sferen van ons bestaan penetreert. In zo'n klimaat leven wij tegenwoordig. Nooit wetend of we moeten reageren of niet, of we ons mogen en kunnen verweren of niet. Niet te verwonderen dat vage klachten opduiken waarvan men niet weet wat er precies van aan is: depressies, burn-out, angst- en paniekaanvallen, chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Vage klachten waarvan de maatschappelijke dimensie door de arts misschien wel wordt onderkend, maar waartegen die niet kan optreden, dus gooien we er maar wat psychofarmaca tegen aan. 12% van de Vlamingen en evenveel Nederlanders zou aan een angst- of paniekstoornis leidden, 6% zou kampen met een depressie (de twee groepen overlappen elkaar wel in sterke mate). De agressiviteit is in Nederland het laatste decennium sterk gestegen: een website waarop een  Nederlandse sociaal-psycholoog de etiketten burn-out en CVS wat kritisch en satirisch aanpakte, moest na bedreigingen van het Internet worden gehaald. Vlaanderen is op het eerste zicht een ongewelddadig land, maar het onderhuids geweld neemt ook hier sterk toe. Komt daar nog bij: de wijze waarop journalisten en tv-presentatoren zich steeds meer opstellen als rechters, openbare aanklagers en zedenmeesters van om het even wat en van om het even wie; elk gedrag van de burgers nemen zij onder de loep, dikwijls wordt van alles en nog wat beoordeeld en veroordeeld in zoiets als ‘onschuldige' quizzen of amusementsprogramma's. Vroeger was het blootstaan aan zo'n terreur het privilege van de politieke, religieuze en economische leiders die in de wedijver om de macht elkaar graag een kloot aftrokken. Nu is deze terreur uitgebreid tot de hele bevolking. Vroeger las je in de krant confidenties over de machtigen der aarde, nu lees je over jezelf en word je in je eigen krant uitgekleed. Staat en religie zijn vervangen door de media: maar van de Staat en de religie wisten we met wie ze goede maatjes waren en van wie ze de spreekbuis waren. Nu noemt De Morgen zich een ‘onafhankelijke krant'.

Voor het ogenblik heeft deze situatie van teloorgang van de Staat ons in een val gelokt. In de mate dat wij niet meer politiek handelen, niet meer bezig zijn met het beheer van het publieke goed, omdat het publieke goed opgehouden heeft te bestaan, niet meer voor onze rechten opkomen omdat er geen ‘wij' en geen ‘ons' meer is, in die mate hebben wij ons zelf teruggebracht tot zuiver dierlijke lichamen: wij werken, doen boodschappen, eten en brengen onze kinderen groot, als waren we niet meer dan dieren. De scheiding tussen ons maatschappelijk leven (ons politiek leven zoals de filosofen dat noemen) en ons biologisch leven, ons privé-leven waar we voor de anderen niet bestaan, is opgeheven. Ons maatschappelijk leven is  teruggebracht tot dat van een sociaal dier dat van anderen signalen opvangt en daar vrij mechanistisch op reageert. Amper spreken wij nog, amper gedragen wij ons nog als onvoorspelbare mogelijkheden. Politiek is dan beheersing geworden van die dierlijke lichamen die we zijn. De hausse van de neuro- en breinwetenschappen (in het afgelopen ‘Decade of the Brain') met haar enorme aanmatigende pretenties valt niet toevallig samen met de periode waarin we ons politieke leven hebben laten vallen en ‘naakt leven' zijn geworden. Sommige neurowetenschappers beweren zelfs dat onze politieke overtuigingen genetisch bepaald zijn. Daarmee heeft de politiek inderdaad opgehouden te bestaan. Op een bepaalde manier zijn we terug ‘dieren' geworden, puur biologisch ‘naakt leven'. We hebben ons publiek leven opgegeven en proberen aan de heersende druk te ontsnappen door ons terug te trekken in ons ‘dierlijk' privé-leven waar we denken vrij te zijn van de druk van de concurrentiële anderen. Maar de Ander weet ons te vinden, hij dringt via de media genadeloos ons privé-leven binnen.

In die mate dat wij ons zelf enkel nog als biologische lichamen ervaren en niet als maatschappelijke actoren, in die mate hebben we ook lichamelijke klachten, zijn we ziek zonder echt ziek te zijn. Het is onzin dat die klachten neurofysiologische of neurobiologische oorzaken hebben. Waarom zouden plots in deze tijd onze hersenen besmet zijn geraakt door een angst- en depressie-epidemie? Maar natuurlijk weet elke arts die nog wat onafhankelijk staat van de heersende staatspsychiatrie dat de oorzaak erin ligt dat wij ons opjagen en laten opjagen als waren we de prooi van roofdieren. En wij reageren effectief als dieren: of depressief (ineengekrompen) of agressief en over onze toeren. En meer en meer mensen komen in een soort kampen terecht, in de afzondering van een residentiële of semi-residentiële instelling. Ons Superego is verdwenen en dus ook ons Ego want bemiddeling is niet meer nodig. We zitten gevangen in een Onbewuste dat niet meer bewerkt is. Ten prooi aan chaotische verwarring. Psychotisch peilen we de afgrond.

Uit deze verwarring zullen we onze bevrijding moeten puren. Deze toestand kan immers niet blijven voortduren. Dit is niet de afschaffing van de Staat zoals we ons die hadden voorgesteld. De zogenaamde maatschappelijke kosten lopen steeds hoger op (kosten van de gezondheidszorg, in het bijzonder van de geestelijke gezondheidszorg; kosten van het justitie- en politioneel appraat). Dit is niet het Goede Leven waarvan we dromen. Het komt erop aan de wetten en de praktische bezwaren die tussen droom en daad in staan, op te heffen.

Lees verder...

Emancipatiepsychologie (Deel 1)

 

EmancipatiePsychologie,

StaatsPsychiatrie en Transcendentaal Spiritualisme

 

Netwerk Psychiatrie en Samenleving

 

De titel van deze bijdrage verwijst naar een triade van elementen (emancipatiepsychologie, staatspsychiatrie en transcendentaal spiritualisme): we hebben ons dagenlang het hoofd gebroken over de benoeming van deze elementen en nog zijn we niet voldaan. De drie elementen staan paarsgewijze nochtans in duidelijke oppositie en dat zou het gemakkelijk moeten maken ze positief te definiëren door te verwijzen naar wat ze niet zijn, naar waar hun opponenten voor staan. Maar zo gemakkelijk liggen de zaken echter niet. Want met een tegengestelde heb je ook altijd iets gemeen: wit en zwart zijn beide kleuren (lichthelderheden eigenlijk, maar kom). Je hebt meer gemeen met een ‘vijand' van je dan je hebt met iemand die je onverschillig laat. De verhoudingen tussen de paren van onze drie elementen zijn zoals men dat noemt dialectisch: de elementen van een paar bevestigen elkaar én ze negeren elkaar. Eerste les: we moeten deze drie elementen, emancipatiepsychologie (EP), staatspsychiatrie (SP) en transcendentaal spiritualisme (TS), zien binnen het actuele moment van de ontwikkeling van de menselijke soort, de subjectiviteit van de individuen en de vormgeving van de samenleving. We kunnen hier moeilijk de ganse geschiedenis van de mensheid naar voren brengen, maar we nemen ons voor ter gelegener tijd deze ‘eerste' les nader uit te werken en te concretiseren.

Emancipatiepsychologie (EP): dat zijn wij, wij in onze overtuigingen, in onze spontane maar ook ‘wetenschappelijke' benadering van mensen en hun samenlevingen. Maar waar staan wij precies voor? Dat kan nogal eens fluctueren met onze stemming, met de wisselende ervaringen die we dagelijks opdoen, met de boeken die we de laatste weken gelezen hebben, de personen die onlangs indruk op ons hebben gemaakt.

Zeer bewust kiezen we niet voor de term kritische psychologie, tenzij deze de betekenis zou hebben behouden die ze zich in Berlijn in de jaren 1960-1990 met Klaus Holzkamp had toegemeten (Holzkamp, 1972,1983): het begrijpen van de zich ontvouwende menselijke subjectiviteit in zijn sociale en historische context en voorwaardelijkheid, met een perspectief op de emancipatie van alle mensen. Al binnen de ‘school' van Holzkamps kritische psychologie maar vooral buiten Duitsland (waar met de val van de Berlijnse Muur Holzkamp's openlijk marxistische inspiratie de kritische psychologie in diskrediet bracht) vergleed de kritische psychologie in de praktijk echter meer en meer tot een psychologie van zogenaamde ‘minderheidsgroepen' (vrouwen, holebi's, allochtonen, asielzoekers, enz.). Hierbij zette men zich welbewust en soms met een duidelijk dédain af tegen de gesettlede ‘middenklasse' (die de Nederlanders vroeger het ‘klootjesvolk' noemden). Daarmee riskeert de kritische psychologie onderdeel te worden van een identity politics (zie b.v. Fox & Prilleltensky, 1997), waarbij diverse sociale categorieën zich definiëren in functie van categorie-specifieke rechten (vrouwenrechten, enz.). Dit in een tijd waar in filosofische kringen de roep naar wat de Fransen noemen le singulier universel - het individu dat pretendeert te spreken in naam van de universele mensheid; cf. Jacques Rancière (1995) - steeds groter wordt. Het singulier universel duikt volgens Rancière in de geschiedenis het eerst op wanneer het Griekse demos (‘het volk') zijn grieven vertaalde in de vorm van universele maatschappelijke rechten (zij het dat het universum beperkt was tot de polis of de stadsstaat) en zo de democratie en de politiek voortbracht. Reeds Sartre stelde dat als we ons engageren, we ons engageren tegenover de hele mensheid. We merken de stem van het singulier universel in het werk van Giorgio Agamben ( 2002), in dat van Michael Hardt en Toni Negri (2004) en zeer uitgesproken bij Alain Badiou (1997) en Slavoj Žižek (2000, 2003) in hun analyse van het universalistisch christendom van de Heilige Paulus, het eerste ware universalisme uit de menselijke geschiedenis dat zich richtte tot ‘alle mensen van alle naties op de aarde'. Wij hebben dit singulier universel in vroeger werk reeds samengevat in de zinsnede: Als mensen zijn wij allen éénmalig én universeel! (Rosseel, 2006). Als wij kiezen te spreken van een emancipatorische of emancipatiepsychologie (EP), dan moet het dan ook meteen duidelijk zijn dat het niet enkel gaat om een (links-liberale) emancipatie van het individu maar tegelijk om een (socialistische) emancipatie van de samenlevingsverbanden en ‘instituties'. Soms staat het ons bijzonder helder voor de geest wat we daar allemaal concreet mee bedoelen, op andere momenten slaan we vertwijfeld met de hand op ons voorhoofd. Zeker bedoelen we dat ‘psychiatrische patiënten' geen aparte categorie mensen zijn: zij hebben in onze visie net dezelfde rechten en plichten als ieder lid van de samenleving, niets meer maar ook niets minder.

Analoog aan de kritische psychologie willen we ons ook niet kritiekloos vereenzelvigen met de zogenaamde (sociale) bevrijdingspsychologie zoals die in Latijns-Amerika opgang maakt. Deze heeft minstens twee niet altijd los van elkaar staande strekkingen. Ten eerste, een network van psychoanalytici die zich inlaten met slachtoffers van de martelpraktijken van de dictatoriale regimes die Latijns-Amerika tot de jaren 1990 hebben beheerst (Hollander, 1997) en doorheen die praktijk een uitgesproken kritiek hebben geformuleerd op het concept van de therapeutische neutraliteit. Ten tweede, de door de Salvadoriaanse psycholoog en jezuïet Ignacio Martín-Baró voorgestelde nieuwe sociale psychologie ((psicología social de la liberación - PSL) die mensen niet abstraheerde van hun sociale context en openlijk partij koos voor de ‘armen' en hun ontvoogding (Aron and Corne, 1996; Burton & Kagan, 2005). Deze bevrijdingspsychologie heeft dikwijls nauwe banden met de restanten van de Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie. Voor veel van die psychologen en theologen worden alle niet-armen plots rijken en uitbuiters en wordt de ‘middenklasse' (d.w.z. zij die regulier tewerkgesteld zijn en zich een zekere way of life kunnen veroorloven) dikwijls de facto verklaard tot lakeien van de kleine groepen lieden die de economie van het Latijns-Amerikaanse continent in handen hebben. Deze ‘cultus van de armoede', waarbij subtiel ‘welzijn' verkozen wordt boven ‘welvaart', bidden en mediteren boven ‘consumeren', hebben wij steeds bestreden (Rosseel, 1985). De sociaal-culturele ontwikkelingen die de ganse geglobaliseerde mensheid bepalen en door haar bepaald worden, zijn o.i. van een andere complexere orde dan deze van de ‘verdrukking van de armen' en binnen deze ontwikkelingen vervalt de tegenstelling tussen de ‘lower classes' en de ‘middle classes', vervalt ook de tegenstelling tussen de ‘culturen', de ‘continenten' en de ‘beschavingen'. De politieke keuze voor de ‘onderdrukten' is immers niet zo evident als het lijkt: we kiezen toch ook niet voor pedofielen en nazi-adepten simpelweg omdat ze onderdrukt worden. We kiezen voor de onderdrukten in de mate dat ze een voorafbeelding zijn van een perspectief op de zelfvervolmaking van de mensen en de mensheid: in die zin koos Marx in het midden van de 19de eeuw voor het proletariaat, niet omdat de proletariërs onder zoveel ontberingen leden, maar omdat ze de voorafbeelding waren van de mens in een geavanceerde klassenloze maatschappij. De bevrijdingspsychologie riskeert dus te zweven tussen emancipatiepsychologie (EP) en transcendentaal spiritualisme (TS). Maar wij zijn nooit in Latijns-Amerika geweest en geven daarom de bevrijdingspsychologie het voordeel van de twijfel.

Wat we willen duidelijk maken is dat de emancipatiepsycholoog of - psychiater zich niet engageert uit medelijden met zijn of haar ‘cliënten' of ‘patiënten', maar omdat de ‘cliënt' of ‘patiënt' tegenover hem of haar staat als een vertegenwoordiger, een spreekbuis van de toekomst van de mensheid. De ‘cliënt' en de ‘patiënt' zijn én éénmaligheden én de mensheid tout court: zij maken vanuit hun particulier lijden, dat met het lijden van niemand anders vergeleken kan worden, aanspraak op een universeel mensenrecht, het recht op een menswaardig en perspectiefvol leven. Alle mensen dragen de toekomst van de mensheid in zich. Het komt er dus niet op aan te kiezen voor een  bepaald soort ‘cliënten/patiënten', armen of rijken, onderdrukten of uitbuiters, vrouwen of mannen, kinderen of bejaarden. Wel waar de psycholoog/psychiater met zijn of haar cliënt/patiënt naar toe wil, welke reis ze samen willen ondernemen.

Staatspsychiatrie (SP): de zelfstandige psychiater zal luidkeels protesteren dat we hem of haar hier een staatsambtenaar noemen. Laten we eens klaar stellen wat we met ‘Staat' bedoelen. Elke instelling die tegenover haar ‘onderdanen' legitieme vormen van geweld kan gebruiken (vrijheidsberoving, ontslag en ‘verbanning' als onderdaan) om deze onderdanen te dwingen zich te schikken naar haar regels, is een vorm van Staat. Het gaat dus niet alleen om de overheid die via het gerecht of de politie de naleving van de wet kan afdwingen, maar ook om psychiatrische instellingen en afdelingen van algemene ziekenhuizen (PAAZ's) die willekeurig mensen in isoleercellen kunnen plaatsen of hen kunnen dwingen bepaalde medicijnen in te nemen of een bepaalde behandeling te ondergaan. Deze instellingen hebben niet alleen het recht in te grijpen in het dagelijks leven van patiënten, maar ze hebben ook zeggenschap over de wijze waarop hulpverleners met cliënten/patiënten horen om te gaan.

Caritas Catholica Vlaanderen overkoepelt via de het Verbond der Verzorgingsinstellingen VVI 160 voorzieningen op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg met meer dan 13.000 bedden. De meeste psychiatrische klinieken in Vlaanderen vallen onder het initiatief van één of andere religieuze orde of congregatie (in de vorm van een vzw). Zo beheert de congregatie van de Broeders van Liefde in België 14 psychiatrische instellingen, waarvan 12 in Vlaanderen (St-Alexius Grimbergen, PC St-Amandus Beernem, PC dr. Guislain Gent, enz.). De zusters van het Convent van Betlehem (ook Norbertienen genaamd) runnen het St-Nobertus-huis in Duffel. Het psychiatrisch ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw Brugge wordt gemanaged door de Zusters van de Bermhertigheid Jesu. En zo kunnen we doorgaan. Elke orde of congregatie wordt gestuurd door een welbepaalde bundel regels - zoals b.v. geïllustreerd wordt door Karen Armstrongs verhaal over haar leven als non in een katholiek klooster (Armstrong, 1982). De vraag kan gesteld worden welke impact deze regels hebben op de therapeutische aanpak en het personeelsbeleid. De regels van de religieuze congregaties en ordes zijn voor een stuk terug te vinden in de geactualiseerde missieverklaringen van de instellingen, die leken bijzonder vaag overkomen maar die binnen deze instellingen fungeren als evaluatie-instrumenten om de wijze van psychiatrie bedrijven te ondersteunen en bij te sturen. Er zijn slechts twee Vlaamse psychiatrische ziekenhuizen in handen van de overheid (het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis Geel en het OPZ Rekem), wel tal van PAAZ-afdelingen van OCMW-ziekenhuizen. De OCMW-ziekenhuizen zijn openbaar, maar ze worden dikwijls in het verlengde van hun voorgeschiedenis beheerd door vzw's gelinkt aan een religieuze orde. Een aparte plaats wordt ingenomen door het AZ van de Vrije Universiteit in Jette die noch katholiek is noch in handen is van de overheid: het AZ VUB is belangrijk omdat de PAAZ-afdeling er als universitair ziekenhuis vrij veel therapeutische armslag heeft (zoals ook de universitaire ziekenhuizen van Leuven, Gent en Antwerpen) én omdat ze als uitgesproken vrijzinnig-humanistische instelling een bijzondere plaats inneemt in het Vlaams medisch landschap. Maar in onze definitie van Staat is ook de PAAZ-afdeling van het AZ VUB een ‘staat'.

Psychiaters in ziekenhuizen werken dus in ‘staatsverband'. Zij gaan met hun patiënten geen contractuele relatie aan. De patiënt die opgenomen wordt of zich laat opnemen, heeft geen vrijwillige artsenkeuze en in veel gevallen vraagt hij of zij zelfs niet om een relatie met een psychiater. De opgenomen patiënt betaalt de psychiater overigens niet rechtstreeks voor ‘bewezen diensten'. Maar ook de vrije relatie psychiater-patiënt buiten het ziekenhuis is eigenlijk geen dyadische relatie. Het is geen één-aan-één relatie maar een triangulaire verhouding: via de sociale zekerheid is het eigenlijk de overheid die grotendeels de psychiater betaalt. Daarbij komt dat de psychiater historisch gezien altijd een dubbele functie heeft gehad en nog altijd heeft. Niet alleen behandelt hij of zij de patiënt, hij of zij heeft ook de taak ‘de maatschappij te beschermen' tegen de waanzin van de patiënt. Het zogenaamde sociaal verweer bedoeld om geestesgestoorden die een misdaad hebben gepleegd, ligt in België vast in de Wet ter Bescherming van de Bescherming van de Maatschappij van 1930, aangepast in 1964, en in die hoedanigheid nog steeds van toepassing. De wet op het sociaal verweer stelt dat een beklaagde die niet verantwoordelijk wordt geacht voor zijn daden (ontoerekeningsvatbaar is), kan geïnterneerd worden: de geïnterneerden worden dan beschouwd als geesteszieken en ze moeten een bijzondere psychiatrische behandeling krijgen. Het gaat hier in de geest en de letter van de wet om een beschermingsmaatregel, niet een straf op zich, die van toepassing is op personen die een misdrijf hebben gepleegd maar die niet kunnen worden "gedetineerd". In 1998 werd België voor de eerste keer door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld omdat die geïnterneerde geesteszieken in mensonwaardige omstandigheden, zonder adequate medische en psychische verzorging en zonder aangepaste begeleiding, worden opgesloten in Belgische instellingen van sociaal verweer, in de gevangenissen van Turnhout, Merksplas, Paifve, Doornik en Brugge voor vrouwen. Maar dit terloops. Naast de internering van ontoerekeningsvatbare misdadigers kan de psychiater ook het initiatief nemen om in samenspraak met de procureur des Konings of de vrederechter een persoon die een gevaar vormt voor zichzelf (zelfmoord!) of voor anderen maar vooralsnog geen misdrijf heeft gepleegd en daar zelfs geen aanstalten toe heeft gemaakt, in gedwongen observatie te nemen of te laten nemen (Wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke). Dit wordt nog steeds in de volksmond collocatie genoemd, al bestaat deze term juridisch niet meer. De collocatie of gedwongen opname impliceert dat een persoon die geen enkele wet heeft overtreden, beroofd wordt van zijn of haar vrijheid om zelf over zijn leven te beschikken. De patiënt moet de kosten van deze gedwongen opname zelf dragen, maar aangezien hij of zij geen delict gepleegd heeft en bijgevolg niet uitgesloten is van ziekteverzekering, worden de hospitalisatie- en behandelingskosten volgens het gebruikelijke tarief terugbetaald door de ziekteverzekering. Volgens artikel 34 van de genoemde wet komen bij gedwongen opname zelfs de kosten van vervoer en van een eventuele overbrenging naar een andere dienst ten laste van de ‘zieke' (antwoord van  Minister Demotte op een parlementaire vraag 26/2/2004). Het is hoe dan ook duidelijk dat de psychiater bij internering en gedwongen opname niet zonder meer in het belang van de patiënt handelt en van een vrij aangegane samenspraak tussen psychiater en patiënt is hier hoe dan ook geen sprake.

Op het terrein is de situatie nog ingewikkelder doordat steeds meer psychiatrische patiënten thuis worden verzorgd of opgenomen zijn in dagcentra: de psychiater is er grotendeels vervangen door paramedici en slechts op de achtergrond aanwezig. Het veld van de psychiatrie is hier dus ruimer dan het enge werkterrein van de psychiater zelf, al blijft de psychiater bij cruciale beslissingen de hoofdrol spelen. Maar hoe dan ook: de psychiater, in welke verhouding hij of zij zich ook tot de patiënt bevindt, heeft naast de begeleiding van de patiënt dus ook steeds oog voor de ‘bescherming van de maatschappij' of ‘de bescherming van de persoon van de geesteszieke'. Een werkelijk contractuele verhouding waarbij de beide ‘partijen' bij het aangaan van de relatie samen uitmaken welke diensten de cliënt/patiënt in ruil voor betaling mag verwachten en welke de regels zijn die doorheen de begeleiding zullen gevolgd moeten worden (welke m.a.w. de rechten en plichten van beide partijen zijn), is er bij een consultatie bij de ‘gewone', i.e. niet psychotherapeutisch gevormde psychiater niet. De patiënt staat als een onwetende (met symptomen maar niet wetend aan welke aandoening hij of zij lijdt) tegenover een persoon die zich opstelt als een medische autoriteit. Het is diens definitie van (geestelijke) gezondheid en zijn visie daarop die bepalen of de hulpvrager ‘ziek' bevonden wordt, zelfs als die niet stroken met de gezondheidsopvattingen van die hulpvrager (b.v. wanneer die een moslim is). En de hulpvrager verlaat dan ook in 90 % der gevallen het kabinet of de polikliniek met een voorschrift voor één of zelfs meerdere psychofarmaca. De psychotherapeutische relatie is een heel andere relatie: ze is effenaf contractueel. In de psychotherapeutische relatie wordt eerst en vooral nagegaan of een ‘ontmoeting' mogelijk is tussen de persoonsspecifieke verwachtingen van de cliënt en de expertise en de persoon van de therapeut. Daarnaast wordt er regels afgesproken (verloop van de sessies, frequentie van de sessies, betaling bij niet nakomen van een afspraak, e.d.). Bij therapeuten die geen geneesheer zijn, zoals psychologen en veel psychoanalytici, wordt ook de omvang van de vergoeding vastgelegd, dikwijls in functie van de financiële draagkracht van de cliënt. De niet-terugbetaalbaarheid van de therapeutische prestaties van psychologen, niet-medische psychotherapeuten en psychoanalytici is een medaille met twee kanten: enerzijds krijgt de psychotherapie een zeker elitair karakter, anderzijds motiveert ze de cliënt om zich in te zetten om daadwerkelijk ‘aan zichzelf te werken'. Hoe dan ook: de therapeut, geneesheer of niet, treedt niet op als staatsambtenaar, maar als dienstverlener of technicus. Hij of zij beschikt niet over ‘legale' dwangmiddelen om de cliënt in zijn gevoelens en handelingen bij te sturen (wel over min of meer subtiele beïnvloedingsmiddelen, maar dat is het punt niet hier). Dit betekent natuurlijk niet dat de therapeut daarom per definitie emancipatorisch werkt. Maar er ontstaat wel een onderscheid tussen de psychiater die de patiënt beschouwt als een te controleren systeem en in die zin instructies geeft en de therapeut die de cliënt behandelt als een autonoom wezen waarmee hij of zij converseert (Varela, 1979).

Maar is de sociaal-democratische of liberaal-democratische Staat zelf ook geen dienstverlener, een verstrekker van diensten aan de burgers? De rol van de Staat in de geglobaliseerde laat-kapitalistische wereld is inderdaad dubbelzinnig in het bijzonder omdat vooral in Europa in de eerste plaats de arbeidersbeweging erin geslaagd is de Staat te dwingen de bevolking te voorzien in een aantal diensten die de levenskwaliteit van iedereen ten goede komen of in ieder geval ten goed zouden moeten komen (onderwijs, openbaar vervoer, milieubescherming, enz.). Dergelijke democratiseringsstappen vinden we ook terug op het niveau van de psychiatrie: zo heeft de overheid de laatste decennia voorzien in patiëntenrechten (die ook gelden voor psychiatrische patiënten) en per provincie een ombudspersoon psychiatrie aangesteld. In het algemeen kunnen we vaststellen dat allerlei min of meer recente openbare voorzieningen plus de proliferatie van steeds nieuwe technologieën ons toelaten ons als individu in alle opzichten te ontplooien. Wij zijn veel mobieler geworden (ook geestelijk) en uitgegroeid tot een soort nomaden: noch qua woonplaats noch qua professionele situatie noch qua burgerlijke stand noch qua ‘persoonlijkheid' kunnen wij van iemand op 20-25 jarige leeftijd voorspellen waar die iemand zich op die dimensies zal situeren wanneer hij of zij laat ons zeggen 40 jaar is geworden (Rosseel, 2000). Maar aan de andere kant zien we hoe de Staat via allerhande databanken zicht krijgt op steeds ruimere delen van ons doen en laten. De postmoderne fragmentatie van ons bestaan, versnipperd over tientallen niet met elkaar verbonden situaties, de fragmentatie dus ook van onze identiteit (werknemer, consument, partner, ouder, toerist, hobbyist, lid van diverse verenigingen, enz.) maakt het ons bijzonder moeilijk om nog een éénmakend Zelf in stand te houden (Gergen, 1991; Kvale, 1992). (By the way: met Zelf bedoelen we niet het Freudiaanse Ego maar datgene wat ons wezen als een biologisch lichaam tot een in de tijd en de ruimte gegeven ‘psychische' eenheid maakt.) Kenneth Gergen spreekt over ons Zelf als een multiphrenia en Walter Truett Anderson (1997) stelt dat we het idee van een ééngemaakt constitutief Zelf moeten opgeven en ons open stellen voor een intrinsiek inhoudsloos Zelf dat zich telkens in het aangaan van nieuwe relaties herdefinieert. Voor velen, vooral de oudere generaties, vormt de postmoderne levensconditie echter een bron van mentale verwarring en psychische zelfvervreemding. Erger is dat de fragmentatie van ons Zelf ons bovendien dreigt, zoals Giorgio Agamben stelt, om te vormen van een politiek ‘volk' tot een apolitieke ‘bevolking' die door steeds nieuwe vormen van kafkaiaanse administratie wordt gecontroleerd. De psychiatrie neemt deel aan de samenstelling van deze administratieve databanken en met de hoge vlucht die de genetica en de hersenwetenschappen (de neurogenetics) het laatste decennium hebben genomen, gaan onder verantwoordelijken voor de geestelijke gezondheidszorg steeds meer en meer stemmen op om de bevolking en meer in het bijzonder de jeugd te screenen op geestesstoornissen zodat de rotte appels bijtijds uit de mand verwijderd kunnen worden. De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV-TR) wordt elke tien jaar beduidend omvangrijker en het begint erop te lijken dat straks vijf minuten stilzitten een symptoom kan worden van één of andere stoornis. Onrustwekkend is ook dat de terrorismedreiging onze democratieën ertoe noopt van de uitzonderingstoestand de regel te maken en ons dwingt ons op de meest diverse plaatsen in de gaten te laten houden door camera's of een lijfonderzoek te ondergaan (Agamben, 2004).

De Staatspsychiatrie (SP) behandelt de patiënt niet als een subjectiviteit (een persoon in relatie met een ‘wereld') maar als een sociaal atoom losgemaakt uit zijn context. Dit komt omdat zij de patiënt ‘vanuit de hoogte' bekijkt als een object dat ontleed en ‘gedissecteerd' moet worden in zijn onderdelen. De staatspsychiater krijgt in veel gevallen ook geen toegang tot de werkelijke gevoelens en gedachten van de patiënt die dikwijls erg op zijn hoede is en niet altijd zinnens is de staatspsychiater in vertrouwen te nemen. Dit geheel van omstandigheden zorgt ervoor dat de middle-of-the-road Staatspsychiatrie gemakkelijk afglijdt naar een neurogenetisch determinisme: er zou iets mis zijn in het lichaam, in de hersenen van de betrokkene als het al niet in diens genen is, m.a.w. in datgene waar de psychiater als geneesheer wel toegang toe meent te hebben. Genetici (en enthousiaste wetenschapsjournalisten) menen dat zo ongeveer alles erfelijk is, ook b.v. de politieke partij waarop je stemt, maar hun claims dat schizofrenie en depressie erfelijk overgedragen zouden worden, zijn op geen enkele manier hard gemaakt. Aan de andere kant bevestigt allerlei onderzoek dat samenhangen aantoont tussen gedragingen en gemoedstoestanden enerzijds én zekere kenmerken van het functioneren van de hersenen anderzijds,  de psychiater in zijn of haar overtuiging dat het psychische zijn oorzaak heeft in een lichamelijk gegeven. Zo blijkt b.v. dat gewelddadige ‘anti-sociale' persoonlijkheden hersenabnormaliteiten vertonen (Barkataki et al., 2006). Dat soort onderzoeken kan echter nooit meer dan correlaties tussen specifieke gedragingen of gemoedstoestanden en hersenstructuren vaststellen. Er is geen reden om aan te nemen dat de hersenabnormaliteit de oorzaak is van het gewelddadig gedrag. Een kind kan tijdens zijn ontwikkeling naar gewelddadigheid ook een andere hersenstructuur zijn gaan aanmaken: de hersenen blijken immers, in samenhang met de levenservaringen, te groeien en te evolueren tot zeker de leeftijd van 25 jaar (Bennett & Baird, 2005). Het reductionisme waarbij fenomenen op sociaal of persoonlijk niveau herleid worden tot neurofysiologische structuren en biochemische processen, raakt veelal verstrikt in de tegenstrijdige onderzoeksresultaten die de neurowetenschappen steeds weer opleveren. De Staatspsychiatrie (SP) vergeet dat het subject, de persoon, ook in zijn lichamelijkheid, een geheel is dat meer is dan de som van zijn lichaamsorganen. Zij vergeet dat de hersenen geen gesloten orgaan vormen: hersencellen bevatten ook receptoren voor hormonen die elders in het lichaam worden gesynthetiseerd en de neurotransmitters treden doorgaans ook niet als cavalier seul op (Rose, 2005). Dit verklaart b.v. waarom hoge doses antipsychotica die de dopamine-opname in de hersencellen dempen, lactatie als nevenwerking hebben, ook bij mannen. Hersenen, mentale processen (het ‘subject') en de ‘omgeving' zijn niet los van elkaar te beschouwen en verwijzen voortdurend naar elkaar (den Boer, 2003). In zijn geheel genomen leidt de neurowetenschappelijke inslag van de Staatspsychiatrie ertoe dat subjectieve klachten niet langer au sérieux genomen worden als zij niet gepaard gaan met ‘objectief' vaststelbare klachten op het niveau van het functioneren van de hersenen en dat het subjectieve element in de benadering van de geestesstoornis, in de diagnose en behandeling, dus als niet terzake doend opzij geschoven wordt. In het biochemisch en neurofysiologisch denken van de Staatspsychiatrie verdwijnt dus het subject als de zingevende persoon die verklaart onder zekere symptomen te lijden. Het spreken van het subject wordt niet langer gehoord.

Er is nog een belangrijk aspect aan de Staatspsychiatrie die maakt dat het ‘spreken' van de patiënt niet meer wordt gehoord: de psychiatrische verplegers en verpleegsters in hospitalen staan onder steeds meer druk en worden steeds meer opgeslorpt door het voorbereiden van de medicijnen, door administratieve opdrachten en door andere zinvolle en minder zinvolle taken. Hun omgang met de patiënten wordt daardoor sterk geminimaliseerd. Wij kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat een à twee decennia geleden het personeel veel minder onder druk stond en meer tijd had om zich onder het ‘galgenaas' te begeven en een vertrouwensrelatie met de patiënten op te bouwen. Zij waren dan ook beter gewapend om over hun toeren zijnde of agressieve patiënten op te vangen. Toen viel er blijkbaar nog met agressieve patiënten te praten, zoals je partner de tijd neemt om je bij een echtelijke ruzie te bedaren. Nu lijkt het dat wanneer een patiënt agressieve neigingen vertoont, er binnen de vijftien minuten een knokploeg wordt opgeroepen waarbij de patiënt, niet opgewassen tegen zo'n overmacht, zich maar wijselijk overgeeft en zich voor een week in de isoleercel mag gaan bezinnen, na inspuiting van een flinke dosis Clopixol.

 

Transcendentaal spiritualisme (TS): het transcendentaal spiritualisme zet zich in eerste en laatste instantie af tegen het ‘materialisme' van de consumptiemaatschappij en de daarmee gepaard gaande technocratisering van de menselijke relaties. Voor wat dit laatste betreft sluit het transcendentaal spiritualisme (TS) zich grotendeels aan bij de kritiek die wij hier net op het neurowetenschappelijk reductionisme hebben geuit. In die zin neemt het transcendentaal spiritualisme (TS) een principiële stelling in tegen de overheersende medicamenteuze behandeling van ‘geestesstoornissen'. Het transcendentaal spiritualisme neigt er sterk toe ‘stoornissen' zoals depressies, wanen en angsten als in wezen gezonde reacties te zien van een persoon die moet kampen met de ziekmakende aspecten van het moderne leven zoals de steeds verder gaande prestatiedrang, interpersoonlijke concurrentie, naijver in het bereiken van bepaalde als idealen voorgestelde maatschappelijke normen (b.v. het schoonheidsideaal) en dergelijke. Het transcendentaal spiritualisme zoekt dus zoals de emancipatiepsychologie (EP) de oorzaak voor courante geestesstoornissen, in het bijzonder angsten en depressies, voornamelijk in de steeds pregnanter wordende veeleisendheid van de maatschappij. Maar in tegenstelling tot de emancipatiepsychologie ziet het transcendentaal spiritualisme (TS) die maatschappij als een aan het subject vreemde en buiten hem staande macht die als een input op het subject inwerkt, daar waar de emancipatiepsychologie die maatschappij ziet als een gegeven waaraan het subject deelachtig is en waaraan hij eigenlijk ook medeplichtig is. Het subject is voor de emancipatiepsychologie (EP) niet zomaar de output van een maatschappij die als input fungeert. We kunnen zeggen dat waar de EP de huidige maatschappelijke context ziet als een étappe in een historische ontwikkeling naar zelfvervolmaking van mens en samenleving, het transcendentaal spiritualisme onze consumptiemaatschappij ziet als een doodlopende déroute. De teloorgang van traditionele intermenselijke relaties (Gemeinschaft) zoals het gezin, de buurtschap, e.d. wordt als een onvervangbaar verlies voorgesteld.

Het transcendentaal spiritualisme (TS) ziet heil in een geestelijke loutering, liefst niet door het individu in zijn alleen-zijn, maar binnen een micro-gemeenschap van lotgenoten. Deze ‘geestelijke loutering' krijgt bijna steeds een religieuze dimensie, zij het via een inkadering in de christelijke geloofsbeleving, zij het in een Oosterse ‘filosofie' waarbij vooral het boeddhisme bijzonder in trek is. Ons natuurlijk leven wordt binnen dit spiritualisme dus ingebed in een bovennatuurlijk (transcendentaal) gegeven. Veelal wordt de geestelijke loutering bereikt via één of andere meditatietechniek. Is gebleken dat de meditatie als ontspanningstechniek bijzonder heilzaam is en dat meditatie en religieuze belevingen in het algemeen overigens samenhangen met verandering op het niveau van het functioneren van de hersenen (Austin, 1998; D'Aquili & Newberg, 1999), dan blijkt toch dat de meeste personen die mediteren deze op zichzelf areligieuze ontspanningspraktijk kaderen in een betrachting te leven volgens een Oosters aandoende levensbeschouwing die bijzonder stoïcijns klinkt. Deze personen streven met name naar verlichting of onthechting, i.e. de poging zich niet te laten meeslepen door de passies die het moderne en het postmoderne leven oproepen. Deze onthechting doet sterk denken aan de ‘ataraxia' (onbekommerdheid) van de epicureërs en de ‘apatheia' (onaangedaanheid) van de stoïcijnen. Deze onthechting resulteert dan dikwijls in een eerder ‘egocentrische' levenshouding waarbij men zich immuun maakt voor de bronnen van het lijden en dus ook geen initiatieven onderneemt om deze bronnen te neutraliseren. Ook sommige mensen die opteren voor een psychoanalytische psychotherapie, komen er door de concentratie van de analyse op hun persoonlijke uniciteit toe om hun levenshouding in een dergelijke min of meer spiritualistische zin te herdefiniëren. Dit geldt des te meer voor personen die een Jungiaanse psychoanalyse volgen of hebben gevolgd. In Jungs psychologie neemt het religieuze immers een vrij centrale plaats in en de verwijdering tussen Freud en Jung, die uitmondde in een openlijke vijandschap tussen ‘Joodse psychologie' en ‘Arische psychologie', is voor een groot deel aan Jungs belangstelling voor het occulte en het esoterische te wijten.

De combinatie van een kritische instelling tegenover de zogenaamde consumptiemaatschappij en een religieuze inspiratie leidt dan veelal tot een soort ascetische levenshouding waarbij men zich min of meer uit het maatschappelijke leven terugtrekt. Zoals de psychofarmaca van de Staatspsychiatrie de patiënt verdoven, zo behoedt de religieuze bezinning voor een afstandelijke studie en analyse van de maatschappij en vervalt het transcendentaal spiritualisme in al zijn christelijke en niet-christelijke varianten gemakkelijk in ideologische simplismen. Een soort macro-voorbeeld hiervan is de in spiritualistische kringen erg populaire Ken Wilber die pretendeert omzeggens alle filosofische en psychologische denksystemen te kunnen overkoepelen en wiens boodschap uiteindelijk blijft steken in het aanbevelen van een ‘zoektocht naar jezelf' (Wilber, 1996, 2001). Een micro-voorbeeld vinden we in de teksten van de door Jan Vanhaelen opgerichte Sarah-beweging die zich in Vlaanderen opwerpt als een vereniging voor patiëntenvertegenwoordiging in het veld van de geestelijke gezondheidszorg (Vanhaelen, 2004, 2006). Nemen we b.v. paragrafen zoals ‘Precies de mentaliteit dat je met geld alles kan kopen, ook gezondheid, tijd en geluk, is de belangrijkste oorzaak van ‘depressie' met alle gevolgen van dien' of ‘Alles gaat [zogezegd] beter als iedereen werk heeft, goed presteert en veel bezit: in die zin is de cultuur van de actieve welvaartstaat (Blair, Vandenbroucke, ...) de belangrijkste oorzaak van 'depressie'' of ‘Wie niet kan of wil meedraaien in onze 'actieve welvaartstaat', in onze 'communicatie-technologische wondermaatschappij', in het 'media- en reclamecircus', krijgt meteen het label 'ziekte' opgeplakt, of erger nog: 'psychisch ziek' (Vanhaelen, 2006). Deze zinsneden getuigen ven een populistisch simplisme dat het bij evangelisch ingestelde ‘progressieve' mensen wel eens wil doen. De oplossing voor de ‘depressie' is dan ook simpel: ‘De enige kans voor Vlaanderen om uit de impasse van depressies, gezinsdrama's, zelfmoorden en zoveel meer verschrikkingen te komen, is via bezinning opnieuw het kader van de zingeving te ontdekken' (Vanhaelen, 2004). Ondanks dit pre-modernistisch aandoende credo raakt het simplisme van het transcendentaal spiritualisme (TS) toch wel een aantal interessante punten aan. Zo wijst Vanhaelen er terecht op dat de term ‘depressie' langzamerhand een betekenisloos woord geworden is en stelt hij even terecht vast dat in de geestelijke gezondheidszorg het aanbod grotendeels de vraag is gaan bepalen. Pertinent is ook zijn vraag of de preventie van ‘depressie' niet eerder binnen het werkveld van het maatschappelijk werk (verenigingsleven, e.d.) moet gesitueerd worden dan binnen het veld van de geestelijke gezondheidszorg. Hier opent Vanhaelen een deur naar een aanpak die de depressieve persoon niet langer ziet als een enkeling temidden enkelingen. En tenslotte verwijst Vanhaelens voorstel om de ‘depressie' als een levensverschijnsel te accepteren naar de discussie of de biologische psychiatrie zo maar, desnoods zonder toestemming van de betrokkenen, alle negatieve emoties en elke vorm van psychisch lijden (angst, depressie, wanen) uit de wereld mag helpen. Heeft het psychisch lijden niet een bepaalde zingevende psychische betekenis? Tenslotte is angst een aanduiding voor een zeker gevaar dat de integriteit van de persoon bedreigt en is depressie de uiting van het gegeven dat men iets ‘moe en beu' is (een iets dat zich zowel buiten als binnen de persoon kan situeren) en dat men dat iets niet langer aan kan (Vansant, 1999).

 

Emancipatiepsychologie (Deel 2)

 

Een mensbeeld voor een emancipatiepsychologie?

Onze visie op mens en samenleving is relatief complex en we kunnen hier slechts de belangrijkste facetten aangeven. We vatten deze samen in twee gezichtspunten:

  • de moderne mens is een tweeslachtig wezen dat aan de éne kant zich affirmeert om vat te krijgen op zijn of haar leefsituatie en aan de andere kant de drang ervaart om zich te verliezen in belevingstoestanden waar zijn of haar rationeel Ego vervaagt en verdwijnt.
  • handelingen en gemoedstoestanden moeten historisch worden geanalyseerd, d.w.z. als momenten in de levensgeschiedenis van de betrokken persoon.

In de eerste plaats benadrukken wij dus het gegeven dat de moderne mens fundamenteel tweeslachtig is. Enerzijds tracht hij of zij als een rationeel wezen greep te krijgen op zijn of haar handelen in een wereld die hem of haar weliswaar gegeven is maar die hij of zij toch ingrijpend en revolutionair kan veranderen. Anderzijds wil de mens als compensatie voor dit inspannend rationeel bezig zijn ook geregeld zichzelf als rationeel individu ‘vernietigen' en opheffen en zichzelf verliezen in één of andere vorm van ‘transgressie' - in wat we als sex, drugs & rock 'n roll kunnen aanduiden, maar ook uiteenlopende fenomenen gaande van de behoefte aan slaap en ontspanning en het zich uitleven in de oorlog vallen onder deze ‘transgressie' waarbij men zichzelf verliest en zijn of haar Ego uitschakelt en opheft. Deze tweeslachtigheid van zelfaffirmatie en zelfverlies vinden we bij Freud terug in zijn polariteit van Eros (levensdrift) en Thanatos (doodsdrift) en we kunnen de dualiteit ook herkennen in Lacans onderscheid tussen aliënatie (de neiging zich te verenigen met de Ander, zich te verliezen in de Ander) en separatie (het afstand nemen van de Ander), die beide een doorslaggevende rol spelen in de subjectwording van het kind (Fink, 1995; Homer, 2005). Pionier van de studie (en praktijk) van de min of meer gewelddadige transgressie (seks, het primitieve offerritueel, feesten, de dans, extase bij pijn, e.d., maar we kunnen b.v. ook verwijzen naar het voetbalhooliganisme en aanverwante vormen van ‘gewelddadigheid') is ongetwijfeld de invloedrijke Franse filosoof Georges Bataille (1957) geweest.  We mogen zeggen dat de klassieke biologische psychiatrie in een bepaald opzicht een aanval is op deze ‘zich zelf vernietigende' min of meer manische drang van de mens (b.v. door het diagnosticeren van relatief onschuldige gemoedsschommelingen als bipolaire stemmingsstoornis of rapid cycling die dan al te gemakkelijk worden tegengegaan met geneesmiddelen als Tegretol en Depakine die eigenlijk anti-epileptica zijn). Slagen we er in de moderne beschaving in de gewelddadige vormen van de transgressie te beteugelen, de transgressie zelf duikt toch steeds in één of andere vorm weer op (b.v. de love parades van de techno-muziek). Ook ons banaal dagelijks leven is doortrokken van transgressie-momenten zoals mijmeren, zingen onder de douche, e.d. Zoals er een beschaving bestaat van de rationaliteit, zo bestaat er blijkbaar ook een beschaving van de transgressie: de ‘gewelddadigheid' van de transgressie kan tegenwoordig vormen aannemen waarbij de gewelddadigheid niemand schade berokkent (b.v. de extatische dans). Waar we hier willen toekomen is onze stelling dat heel wat psychiatrische patiënten het vermogen tot transgressie verloren hebben: ze kunnen niet meer feesten, ze kunnen zich niet meer ‘laten gaan', ze kunnen zich niet meer uitleven in een ‘irrationele' maar onschuldige manie. Psychofarmaca dempen dan doorgaans nog meer dit vermogen tot transgressie. De voor de therapie relevante vraag is dan doorheen welk lichamelijk, psychisch of mentaal proces de persoon dit vermogen verloren heeft.

Heel dikwijls zien we dat psychiatrische patiënten tegelijk dat ander vermogen verloren hebben: het vermogen om rationeel in te werken op de levenssituatie die aan zijn of haar psychisch lijden ten grondslag ligt. Of het nu gaat om soms banaal lijkende verschijnselen zoals liefdesverdriet of om indringende psychotische opstoten en hysterische wanen, telkens blijkt de patiënt de controle over zijn of haar levensvoorwaarden verloren te hebben en het leven te ondergaan: zijn of haar gemoedstoestand vertaalt een onvermogen greep te krijgen op de voorwaarden die zijn of haar leven nu letterlijk gaan determineren. Intrapsychische conflicten (doorgaans gekoppeld aan ambivalente relaties met personen of situaties in de buitenwereld) vertalen dikwijls de onmacht van de persoon om schoon schip te maken in het eigen psychische huishouden. Ook bij depressies als gevolg van langdurige stress (b.v. uitgaande van een inadequate werk-gezin combinatie) merken we dat de persoon niet bij machte is om zich efficiënt te organiseren en de omgang met de stressbronnen naar eigen inzicht te bemeesteren.

De emancipatiepsychologie zal ernaar streven:

  • de handelingsbekwaamheid van de mensen te verruimen zodat ze hun persoonlijke problemen beter kunnen aanpakken; dit is in het bijzonder nodig daar waar mensen hun problematische verhouding met de buitenwereld vertalen in interne conflicten die hun ontplooiing totaal remmen en bevriezen. We kunnen hier verwijzen naar een uitspraak van kinderpsychiater en psychoanalyticus Donald Winnicott (1968): ‘Psychotherapy has to do with two people playing together. The corollary of this is that where playing is not possible then the work done by the therapist is directed towards bringing the patient from a state of not being able to play into a state of being able to play.' Pionierswerk op het vlak van de handelingsbekwaamheid en haar verruiming is vooral verricht door de zogenaamde cultuurhistorische school binnen de Sovjet-psychologie (zie b.v. Leontjew, 1973, 1982), waarop de kritische psychologie van Klaus Holzkamp heeft voortgebouwd.
  • bij cliënten en patiënten de aanwezige wens te ondersteunen en te versterken om zich met anderen te verenigen om zo ziekmakende sociale omstandigheden te veranderen; mensen worden vooral ziek, zowel lichamelijk als geestelijk, wanneer ze hun probleem ervaren als iets waar ze alleen voor staan en hun ziek zijn ervaren als een louter gevolg van hun constitutie en ‘persoonlijkheid'. Het belang van sociale steun (social support) in de verwerking van  moeilijke levensmomenten (b.v. een ongeneeslijke ziekte of het overlijden van een nabestaande) is algemeen bekend. Ook is geweten dat een klimaat van elk-voor-zich op het werk het ziekteverzuim beduidend opdrijft (Winnubst, 2004). Het aangaan van solidariteitsverbanden met anderen (zoals b.v. bij dreigende werkloosheid) en het opzetten van of actief zijn in actiegroepen om zich te verzetten tegen één of andere aantasting van de levenskwaliteit werkt onmiskenbaar preventief tegen depressies, net zoals het deelnemen aan zelfhulpgroepen heel wat mensen helpt om niet ‘af te glijden'. Zich verenigen verscherpt in zijn geheel genomen het democratisch potentieel van de mensen en laat hen dus toe greep te krijgen op de samenleving waarin ze leven en deze samenleving bij te sturen in de richting van hun noden en verlangens.   

Rationeel ingrijpen in onze handelingsstroom en transgressief zelfverlies vormen twee kanten van dezelfde medaille van het functioneren van onze hersenen. Zoals een kat die duchtig gestreeld wordt oververhit geraakt en gaat afkoen door zich te wassen (het verdampen van het speeksel op haar vel onttrekt warmte aan het lichaam), zo geraken o.i. bepaalde delen van onze hersenen door volgehouden bewuste wilsinspanningen ‘verhit' en  vragen zij om een compensatie via rust of via een alternatieve ‘manische' of ‘extatische' hersenactiviteit. Het lijkt erop dat de psychiatrie de transgressie beschouwt als iets dat eigen is aan de primitieve mens. In die zin zou transgressie getolereerd worden bij jongeren, maar wie oudere mensen bezig ziet (b.v. op huwelijksfeesten) zal snel erkennen dat  transgressie op alle leeftijden heilzaam is. Wij geloven niet dat de mens evolueert naar een toestand waar hij of zij permanent leeft in een toestand van rationele zelfbeheersing. Ook ruimtevaarders kennen tijdens hun vlucht hun momenten van transgressie!

Een tweede pijler van ons mensbeeld betreft onze overtuiging dat handelingen en gemoedstoestanden van mensen in hun afgelopen of verlopende ontwikkelingsgeschiedenis moeten benaderd. We menen dat mensen, ook bejaarden, als wezens in wording moeten bekeken worden, steeds in een tijdelijke evenwicht, een zogenaamd meta-stabiel evenwicht zowel fysisch als psychisch (Simondon, 1964). Deze historische benadering die onderzoekt hoe een gegeven handeling of emotie zich heeft gevormd en waarnaar toe ze lijkt te evolueren, geldt zowel ‘gewone' mensen als mensen die onderhevig zijn aan één of andere ‘psychopathologie', in de mate dat hier een grens kan getrokken worden (vanaf wanneer wordt b.v. een angst dat terroristen zouden kunnen toeslaan in de metro, een ziekelijke angst? Vanaf wanneer wordt verdriet een ziekelijke depressie?). En deze historische benadering geldt ook zowel voor gegevens die zich over een relatief lange tijdsspanne van jaren uitstrekken zoals het ontstaan van een psychotische of een perverse persoonlijkheid als voor kortere gedragsepisodes zoals het ontwikkelen van een fobie via een proces van klassieke conditionering. In deze zin is iemand b.v. niet agressief, hij of zij wordt het in een gegeven context en het is zaak dit wordingsproces na te trekken om zo de verdere ontwikkeling een andere richting op te sturen. Gedragingen of gemoedstoestanden gaan we dus niet relateren aan vaste min of meer tijdloze ‘oorzaken' zoals b.v. genetische predisposities maar aan ontwikkelingspatronen die in een gegeven situatie ‘emergent' worden, gaan bovendrijven en in de mate dat de waargenomen leefwereld niet verandert verankerd geraken in onze manier van omgaan met die wereld. Principieel blijven wij, desnoods tegen de stroom van de actuele trends in, dus geloven in de maakbaarheid van de mens. We maken hoogstens één voorbehoud: kinderen bij wie door extreme verwaarlozing in de eerste levensjaren de ontwikkeling van de hersenen hopeloos achterop zijn geraakt, al blijkt dat met liefdevolle aandacht en zorg de relationele bekwaamheden van dergelijke kinderen sterk verbeterd kunnen worden (den Boer, 2003). Ruimer gezien beschouwen wij hersenactiviteit, zoals geregistreerd via brain imaging, of veranderingen op het niveau van neurotransmitters als begeleidende fenomenen van mentale processen die het op fysiologisch niveau mogelijk maken dat ons in-de-wereld-zijn omgezet wordt in een omgaan-met-de-wereld. Het is niet omdat stoffen die met deze neurotransmitters concurreren (psychofarmaca) b.v. angst kunnen reduceren, dat de oorzaak van de angst ligt in een tekort aan deze stoffen. Zoals Steven Rose (2005) het treffend uitdrukt: we zeggen toch ook niet dat de oorzaak van tandpijn een tekort aan aspirine is. Onderzoek heeft duidelijk aangetoond hoezeer de hersenen doorheen onze groei zelf een product zijn van onze interactie met de wereld (den Boer, 2003) en dit geldt in principe reeds vanaf het embryonale stadium (Rose, 2005).

Zo'n historische benadering die zich richt op het niveau van het singuliere individu en niet werkt met groepsgemiddelden, heeft uiteraard veel baat bij bestaande ‘ontwikkelingsmodellen'. De meeste daarvan worden geleverd door de psychoanalyse. Toonaangevend tegenwoordig is de subjectivering zoals die geschetst wordt in de psychoanalyse van Jacques Lacan (Fink, 1995; Verhaeghe, 2002). Binnen dergelijke modellen kan b.v. zin gegeven worden aan psychische stoornissen in het subjectiveringsproces die als een manier gaan fungeren om zich te beschermen tegen een nog grotere traumatische pijn die men niet confronteren wil of kan. Een historische al of niet psychoanalytische benadering kan verhinderen dat de persoon het éne symptoom na het andere ontwikkelt, telkens wanneer een symptoom is weggenomen (b.v. door psychofarmaca) zonder dat de oorzakelijke grond is opgeheven. Psychotherapie is dus geen  éénmalige injectie, maar een intensieve begeleiding om de persoon in zijn hoedanigheid van zich zelf ontwikkelend wezen te herstellen. Bij complexe depressies zal het niet lukken om deze in acht sessies uit de wereld te helpen, zoals minister Inge Vervotte hoopt met haar project van een combinatie van cognitieve gedragstherapie en meditatieve mindfulness (onder leiding van prof. Kees van Heeringen van de Universiteit Gent). In zijn geheel pleiten wij dus voor een nieuwe aandacht voor het gebruik van autobiografische methodes en de studie van singuliere gevallen (Van Langenhove, De Waele & Harré, 1987). Deze zijn in een eerste fase tijdrovend, maar als we, zoals nu, moeten toezien hoe honderden individuen, ondanks gedragstherapie en/of psychofarmaca, jarenlang blijven sukkelen, lijkt een bijzondere inspanning niet misplaatst. Het lezen van tien romans (die dikwijls een soort gevalstudies zijn) kan soms leerrijker zijn voor het concrete leren omgaan met bizarre patiënten dan een jaargang van de Journal of Consulting and Clinical Psychology.

We kunnen onmogelijk een volwaardig mensbeeld schetsen zonder iets over samenleving en maatschappij te zeggen. We zullen hier niet de zoveelste jammerklacht houden over de verzakelijking van de samenleving, het verdwijnen van menselijke warmte, de genadeloze ‘rat race' die mensen tegen elkaar opzet, de toenemende vereenzaming, de etnische segregatie, enz. Al deze thema's, waarvan we er een paar als kenmerk van onze samenleving bijzonder discutabel vinden, zijn al in alle toonaarden bezongen. Evenmin gaan we het zoveelste vertoog houden over de globalisering en de impact daarvan op het psychosociaal klimaat in West-Europa of over de impact van het terrorisme of de vergrijzing op dat zelfde klimaat. Ook daar hebben we weinig persoonlijks aan toe te voegen. We willen wel twee samenhangende facetten belichten die cruciaal zijn in onze postmoderne zelfbeleving:

  1. het identiteitsbesef zoals dat zich vormt bij de nieuwe generaties
  2. het soort relaties dat wij tegenwoordig aangaan.

Beide aspecten hebben we vroeger reeds uitvoerig belicht (Rosseel, 2000). We bekijken het identiteitsbesef en de relatievorming bij de nieuwe generaties hier nu in het licht van de vraag of de ontwikkelingen voor deze facetten ‘progressief' zijn en dus moeten ondersteund worden.

We hebben reeds melding gemaakt van de postmoderne fragmentatie van onze leefwereld. We hebben daarbij eerder in negatieve termen gesproken over een ‘versnippering' van ons Zelf: ons Zelf is ‘versnipperd' over een grote verscheidenheid van leefsituaties die in tegenstelling tot de leefwereld van de vorige generaties geen coherent geheel meer vormen zodat in elk van die situaties als het ware een situatiespecifiek Zelf optreedt. Voor de vorige generaties leidt dit tot verwarring en desintegratie van het identiteitsgevoel. De nieuwe generaties zijn echter opgegroeid in deze postmoderne differentiatie en zij leven bovendien in een wereld waar ook situatie-overkoepelende grote idealen (religies en ideologieën uitgedragen door politieke partijen met duidelijk verschillende programma's) opgehouden hebben te bestaan. In deze context spreiden jongeren een nieuwsoortig nihilisme ten toon, zoals de Duitse romanschrijfster Juli Zeh deze opstelling omschrijft (De Morgen, 2006). Het woord ‘nihilisme' roept uiteraard negatieve connotaties op maar het is beter het woord in zijn filosofisch neutrale betekenis te beschouwen. Juli Zeh verwijst naar twee elementen: de jongeren streven er niet langer naar de idealen van anderen (b.v. van een Kerk of politieke partij) waar te maken, maar uitsluitend hun eigen persoonlijke idealen. Ze engageren zich wanneer zij zelf er zin in hebben, niet wanneer een morele autoriteit hen daartoe oproept. Dit individualisme sluit echter niet uit dat jongeren ervan genieten allerlei vrijwilligerswerk te verrichten, maar dan wel werk dat ze zelf gekozen hebben. En in de tweede plaats hanteren de nieuwe generaties volgens Zeh niet langer een coherent systeem van grote waarden en idealen, maar zijn ze volstrekt pragmatisch in de zin dat ze elke situatie volgens specifieke en geëigende criteria benaderen. De ‘versnippering' neemt hier dus eerder de vorm aan van veelzijdigheid en morele polyvalentie: de jongere wil én kan elke situatie aanpakken op basis van wat functioneel is in die situatie. Dit doet ons onweerstaanbaar denken aan het ‘profiel' dat Marx en Engels (1974) in De Duitse Ideologie ophangen van de niet-vervreemde mens in de klassenloze maatschappij: ‘vandaag dit en morgen dat te doen, 's ochtends te jagen, 's middags te vissen, 's avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naargelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden'. Het ziet ernaar dat het ‘nihilisme' van de jongeren een stap in die richting is.

In die context gaan jongeren veel meer dan vroeger intense maar relatief kortdurende relaties aan. De nomadische wisseling van situaties waarin ze terecht komen, maakt dat ze geneigd zijn per situatie specifieke intense relaties aan te gaan met één of meerdere anderen, eerder dan relaties die hun ganse levensdomein overspannen. Vriendschappen worden in die zin ‘pragmatischer' en ‘functioneler', vluchtiger maar vermoedelijk wel oprechter. Solidariteiten zullen wellicht veel meer situatiegebonden zijn in plaats van onvoorwaardelijk (zoals onze linkse generatie ‘onvoorwaardelijk' de kant van de arbeidersklasse of van de allochtonen koos). De gemeenschap verschijnt dan als een netwerk van individuen die via losse maar veelvuldige relaties aan elkaar vasthangen. Daar jongeren geen algemeen-ideologische levensbeschouwingen of vaste idealen meer hanteren, b.v. ook de noties politiek ‘links' en ‘rechts' niet meer onderscheiden, zullen de relaties binnen de toekomstige gemeenschap niet langer gebaseerd zijn op een gedeelde identiteit of op gedeelde opvattingen, maar op wat Giorgio Agamben als whatever singularity omschrijft (Agamben, 1993). Als voorbeeld geeft hij het protest op het Tiananmen-plein in Peking 1989 waarbij er een gemeenschap ontstond die volgens Agamben geen enkele door de ganse gemeenschap gedeelde concrete eis stelde. Relaties zullen ook veeleer gebaseerd zijn op het gebruiken van dezelfde logistieke middelen eerder dan op het realiseren van gemeenschappelijke doelen. In die zin zouden we kunnen verwachten dat de komende generaties van de Staat levensvervullende voorzieningen zullen eisen zonder dat de Staat daar een tegenprestatie voor kan eisen. Ook dat lijkt ons een positieve evolutie: de Staat is er immers voor de individuen, niet omgekeerd.

Deze medaille heeft natuurlijk ook haar keerzijde. We mogen aannemen dat een leven van wisselende activiteiten en wisselende relaties ook een dosis spanning en onzekerheid met zich mee zal brengen. De nieuwe generaties zullen dan mogelijk onderhevig zijn aan korte maar relatief hevige crisissen, aan angsten en kortdurende depressies. De beste preventie hiervoor gebeurt uiteraard op het niveau van de opvoeding: warme en speelse ouders en zorgdragers die tot diepgaand contact met kinderen in staat zijn en zo bij hen op zeer jonge leeftijd reeds zelfvertrouwen, eigenwaardegevoel en autonomie kunnen bewerkstelligen.

 

Hoe verhouden EP, SP en TS zich tot elkaar?

De emancipatiepsychologie (EP) leeft niet in open oorlog met de twee andere componenten van de triade die we in de vorige bladzijden hebben geschetst. Elk paar elementen van de triade heeft namelijk iets gemeenschappelijks dat de derde niet heeft. EP en SP (Staatspsychiatrie) delen een wetenschappelijke ingesteldheid, al zijn ze geneigd zich op verschillend onderzoeksmateriaal te baseren en zullen ze dezelfde onderzoeksdata dikwijls anders interpreteren. EP en TS (transcendentaal spiritualisme) zetten zich beiden af tegen de neiging van de SP om psychische aandoening te reduceren binnen een neurogenetisch determinisme. En SP en TS zijn, althans in de ogen van de Emancipatiepsychologie, beide iets te fundamentalistisch: de SP fundeert alles in het biologische, het TS fundeert haar visie in een strikte scheiding tussen lichaam en geest. Kortom: afhankelijk van de materie kunnen er dus zekere ‘allianties' gesloten worden. Zo is het o.i. ook duidelijk dat er, zoals Lacan zelf inspiratie vond in de ethologie en de cybernetica, een dialoog op gang moet komen tussen de neurowetenschappen en de psychoanalyse en dat de uitzichtloze stellingenoorlog tussen beide zo mogelijk gestaakt moet worden. Eenvoudig zal dat niet zijn omdat psychoanalyse en biologische psychiatrie al verschillen op het niveau van het concept ‘kennis' of ‘wetenschap' zelf (Fink, 1995). De n=1 benadering van de psychoanalyse en de statistische aanpak van de neurowetenschappen kunnen als complementair beschouwd worden. Verder zou de loopgravenoorlog vermoedelijk ook al wat milderen indien een degelijk en concreet pakket psychotherapie (b.v. een volledige opleiding in één van de verschillende psychotherapeutische ‘scholen') een verplicht onderdeel zou vormen van de psychiatrie-opleiding. Maar blijkbaar hebben verenigingen langs beide kanten nog teveel een ‘vijand' nodig, zoals de Nazi-Staat van de tegenwoordig weer druk gelezen politieke filosoof Carl Schmitt in eerste instantie ook een vijand nodig had.

Verder kunnen we doorheen de tijd ook fluctuerende pendelbewegingen waarnemen. In de periode 1950-1975 waren emancipatiepsychologieën toonaangevend, met nadruk op opvoedingstheorieën, psychoanalyse en uiteindelijk de radicale anti-psychiatrie van Ronald Laing en David Cooper (Kotowicz, 1997). Daarna kreeg voor een decade een meer religieuze stroming die we nu als transcendentaal spiritualisme zouden aanduiden, de bovenhand (humanistische psychologie, zen-invloeden, e.d.). Rond 1985 begon de biologische psychiatrie, de neurosciences en de evolutionaire psychologie aan hun steile opmars. Nu the decade of the brain voorbij is, zitten we met massa's en massa's onderzoeksresultaten maar veel fundamenteel nieuwe inzichten heeft dit allemaal nauwelijks opgeleverd. Misschien zitten we in de overgangsfase naar een nieuwe kans voor de emancipatiepsychologie.   

Referenties:

Agamben, Giorgio The Coming Community. Minneapolis, University of Minnesota Press, Londen, 1993,

Agamben, Giorgio  Homo Sacer: De Soevereine Macht en het Naakte Leven. Amsterdam, BOOM/Parrèsia, 2002 (Oorspronkelijk Italiaans, 1995).

Agamben, Giorgio  The State of Exception. Chicago, University of Chicago Press, 2004.

Anderson, Walter Truett  The Future of the Self: Inventing the Postmodern Person. New York, Putnam, 1997.

Armstrong, Karen Through the Narrow Gate. New York, St. Martin's Press, 1982 (Nederlandse vertaling: Door de Nauwe Poort. Amsterdam, Anthos, 1997).

Aron, Adrianne & Corne, Shawn (eds.) Writings for a Liberation Psychology: Ignacio Martín-Baró. Cambridge, Harvard University Press, 1996.

Austin, James H. Zen and the Brain: Toward an Understanding of Meditation and Consciousness. Cambridge MA, MIT Press, 1998.

Badiou, Alain  Saint Paul : La fondation de l'universalisme. Paris, Presses Universitaires de France, 1997.

Barkataki, Ian et alii Volumetric structural brain abnormalities in men with schizophrenia or antisocial personality disorder. Behavioural Brain Research, 2006 (in press; beschikbaar online, 8 februari 2006).

Bataille, Georges  L'érotisme. Paris, Editions de Minuit, 1957.

Bennett, Craig M. & Baird, Abigail A.  Anatomical changes in the emerging adult brain: A voxel-based morphometry study (p NA). Human Brain Mapping Online, 2005, 29 nov. (Human Brain Mapping: in press).

Boer, Johan A. den  Neurofilosofie: Hersenen, bewustzijn, vrije wil. Amsterdam, Boom, 2003.

Burton, Mark & Kagan, Carolyn  Liberation Psychology:  Learning from Latin America. Journal of Community and Applied Social Psychology, 2005, vol.15, p.63-78.

D'Aquili, Eugene G. & Newberg, Andrew B. Mystical Mind: Probing the Biology of Religious Experience. Minneapolis, Augsburg Fortress, 1999.

De Morgen  Gesprek met Juli Zeh (DM Boeken). 2006, 1 maart.

Fink, Bruce  The Lacanian Subject: Between Language and Jouissance. Princeton NJ, Princeton University Press, 1995.

Fox, Dennis & Prilleltensky, Isaac (eds.) Critical Psychology: An Introduction. London, Sage Publications, 1997.

Gergen, Kenneth J. The saturated self: Dilemmas of identity in contemporary life. New York: Basic Books, 1991.

Hardt, Michael & Negri, Antonio  Multitude: War and Democracy in the Age of Empire. New York, The Penguin Press, 2004 (Nederlandse Vertaling: De Menigte: Oorlog en Democratie in de Nieuwe Wereldorde. Amsterdam, De Bezige Bij, 2004).

Hollander, Nancy Caro. Love in a Time of Hate: Liberation Psychology in Latin America. New Brunswick, Rutgers University Press, 1997.

Holzkamp, Klaus Kritische Psychologie: Vorbereitende Arbeiten. Fischer, Frankfurt/M., 1972.

Holzkamp, Klaus  Grundlegung der Psychologie. Frankfurt/M., Campus, 1983.

Homer, Sean  Jacques Lacan. London, Routledge, 2005.

Kotowicz, Zbigniew R.D. Laing and the Paths of Anti-Psychiatry. London, Routledge, 1997.

Kvale, Steinar (ed.)  Psychology and Postmodernism. London, Sage, 1992.

Leontjew, Alexej N.  Probleme der Entwicklung des Psychischen. Frankfurt, Athenäum, 1973. (Oorspronkelijk Russisch 1959).

Leontjew, Alexej N. Tätigkeit, Bewußtsein, Persönlichkeit. Köln, Pahl-Rugenstein, 1982 (Oorspronkelijk Russisch 1974).

Marx, Karl & Engels Friedrich  De Duitse Ideologie: Deel I Feuerbach. Nijmegen, Socialistische Uitgeverij Nijmegen, 1974 (In het Duits geschreven in 1845-46; eerste publicatie in 1932).

Rancière, Jacques  La Mésentente: Politique et Philosophie. Paris, Galilée, 1995.

Rose, Steven  The 21st Century Brain: Explaining, Mending and Manipulating the Mind. London, Jonathan Cape, 2005.

Rosseel, Eric  Ruiters en Ridders van de Lege Dageraad: Evoluties in de Arbeidsethiek van de Jeugd. Brussel, Vrije Universiteit Brussel, 1985.

Rosseel, Eric  Monaden, Nomaden en Pelgrims: Nomadisering en het Utopisch Ideaal. Kampen, Agora, 2000.

Rosseel, Eric  Gedwongen Copulatie: Natuur en Cultuur in de Evolutionaire Psychologie. Ongepubliceerd manuscript, 2006.

Simondon, Gilbert  L'individu et sa genèse physico-biologique. Paris, PUF, 1964.

Vanhaelen, Jan Geestelijke gezondheidszorg en psychosociaal welzijn. Sociaal Welzijnsmagazine, 2004, vol.25, nr.8, p.14-16.

Vanhaelen, Jan  Depressivi-TIJD: een cultuurfenomeen? Sociaal Welzijnsmagazine, 2006, vol.27, nr.2, p.22-26.

Van Langenhove, Luk, De Waele Jean-Marie & Harré, Rom  Individual Persons and their Actions: In Honour of Jean Pierre De Waele. Brussel, Pers van de Vrije Universiteit Brussel, 1987.

Verhaeghe, Paul Over normaliteit en andere afwijkingen. Handboek klinische psychodiagnostiek. Leuven, Acco, 2002. 

Vansant, Bob  Depressie is geen ziekte. Gent, Uitgeverij Scoop, 1999.

Varela, Francisco J.  Principles of Biological Autonomy. New York, North-Holland, 1979.

Wilber, Ken  A Brief History of Everything. Boston, Shambhala Publications, 1996.

Wilber, Ken  A Theory of Everything: An Integral. Vision for Business, Politics, Science and Spirituality. Dublin, Gateway, 2001.

Winnicott, Donald W. Playing: its theoretical status in the clinical situation., International Journal of Psychoanalysis, 1968, vol.49, p.591-599.

Winnubst, Jacques  Stress, ziekteverzuim en reïntegratie Deel I. Zaltbommel, Thema Schouten & Nelissen, 2004.

Žižek, Slavoj The Fragile Absolute - or, why is the christian legacy worth fighting for. London, Verso, 2000.

Žižek, Slavoj  The Puppet and the Dwarf: The Perverse Core of Christianity. Cambridge MA, MIT Press, 2003.

princiepsverklaring (2de versie)

Zeker 30% van de bevolking leeft in psychische miserie:

  • - is werkloos
  • - slikt psychofarmaca
  • - is verslaafd aan één of ander
  • - heeft schulden
  • - poogt zelfmoord te plegen
  • - zit in de gevangenis of in een beveiligde instelling
  • - steelt om te overleven
  • - is vereenzaamd
  • - enz.

Is dat de samenleving die we wensen?

Belgen slikken van alle Europeanen het meest psychofarmaca, zowel kalmeermiddelen, angstwerende middelen en slaapmiddelen als antidepressiva en antipsychotica (tegen opwinding, wanen en verwarring). België en vooral Vlaanderen is ook één der meest individualistische landen ter wereld. We leven in een ideologie van het zelfstandig ondernemerschap waar elkeen met één of ander talent hoopt ‘zijn eigen baas te zijn' en een kleine onderneming op te richten, ondernemingen waar ook de werknemers in een zwakke positie staan want vakbondsvertegenwoordiging wordt er niet toegestaan. Elk voor zich dus en God tegen allen. God ja, want dikwijls (we willen niet veralgemenen) is deze ideologie van het zelfstandig ondernemerschap gekoppeld aan een schijnheilig evangelisch idealisme. Compleet schizo dus.

Een ideale voedingsbodem voor psychische klachten, verwarringstoestanden en zware depressies. Een ideaal klimaat waar psychiaters hun gang kunnen gaan en van alles kunnen 'uitproberen' om in alle onbaatzuchtigheid patiënten te helpen. Dikwijls veroorzaken psychiaters meer ziektes dan dat ze er genezen. En wie desondanks niet geneest, krijgt een elektroshocktoestel of een variant ervan tegen zijn slapen en wordt een stroomstoot toegediend die dicht ligt bij deze die je krijgt als je je vinger in een stopcontact steekt.

Psychiaters hebben in onze samenleving ontegensprekelijk te veel macht. Ze dragen nauwelijks bij tot de preventie van zogenaamde geestesziekten. Het wijdverspreid gebruik van antidepressiva (Prozac, Efexor, Seroxat, Zoloft) heeft de zogenaamde depressie-epidemie niet ingedijkt en slechts een minderheid van lijders aan een depressie haalt baat uit het gebruik van antidepressiva. Het stijgend gebruik van antipsychotica zoals Risperdal en Seroquel kan niet beletten dat mensen in deze samenleving compleet over hun toeren geraken en dat gebruik ‘geneest' nauwelijks deze die al over hun toeren zijn: deze middelen verdoven alleen de mensen, leggen hen lam, leggen hen het zwijgen op.

Het gros van de psychiaters maakt ons wijs dat onze psychische problemen, onze sociale en persoonlijke problemen die we dikwijls lichamelijk vertalen, het gevolg zijn van onze genen of van afwijkingen in het functioneren van ons brein (in de werking van de zogenaamde neurotransmittters, de stoffen die een rol spelen bij de signaaloverdracht tussen de zenuwcellen in de hersenen). Ons lichaam is echter meer dan een stuk biologie, het is vanaf de conceptie maatschappelijk gevormd (al is het maar door de soort voedingsstoffen dat het embryo krijgt). Ons dikwijls onhandig en niet precies geformuleerd ‘protest' tegen het leven dat we verplicht zijn te leiden om een menswaardig  bestaansniveau te bereiken, een protest dat we uitbrengen via ons lichaam, via lichamelijke klachten en via gedrag dat het ‘samenleven verstoort', wordt zo gesmoord in een veelal niet bewezen visie dat er iets loos is in ons hoofd of in onze genen en dat we aan een ‘ziekte' leiden. Genen voor depressie of schizofrenie zijn, ondanks de vele geruchten daarover in de populaire pers, zijn nog niet gevonden en men zal die ons inziens ook nooit vinden, omdat genen biologisch gezien niet in die zin functioneren. Daarnaast worden onze kinderen die wat onrustig en opstandig doen, ervan beschuldigd aan ADHD te lijden en ze worden volgepropt met Rilatine (een gevaarlijke amfetamine), terwijl ze gewoon nood hebben aan erkenning voor het feit dat er leven in hun lijf zit en aan speelruimte waar ze zich kunnen uitleven. Mensen zijn geneigd, hetzij uit vertrouwen, hetzij uit respect voor de autoriteit van de geneesheer-psychiater, de medische denkbeelden over ziekte en gezondheid klakkeloos over te nemen, zeker in een klimaat waarin de media deze ‘fantasmen' kritiekloos populariseren. 

De psychiatrie, wat men ook moge beweren, is nog altijd tegelijkertijd én geneeskunde én ordehandhaving. Vroeger namen ordehandhavers alle tijd om iemand die over zijn toeren was, tot bedaren te brengen. Nu word je na vijf minuten opgepakt, naar de spoed van een ziekenhuis gebracht, ingespoten met een kalmeermiddel en een paar uren in een isoleercel gedropt. Waarom je over je toeren was: daar wordt nauwelijks naar gevraagd. Zoals men ook geen oor heeft voor de inhoud van de wanen en hallucinaties van schizofrenen. Zoals de meeste psychiaters ook geen oog hebben voor de inhoud van je dromen, alsof je zo maar lukraak en in het luchtledige droomt.

Wij, leden van onderhavig netwerk, klagen dit aan. Wij zetten ons op het standpunt van de kritische psychologie die beoogt:

  • de handelingsbekwaamheid van de mensen te verruimen zodat ze hun persoonlijke problemen beter kunnen aanpakken; dit is in het bijzonder nodig daar waar mensen hun problematische verhouding met de buitenwereld vertalen in interne conflicten die hun ontplooiing remmen en bevriezen.
  • hun wens te versterken om zich met anderen te verenigen om ziekmakende sociale omstandigheden te veranderen; mensen worden vooral ziek, zowel lichamelijk als geestelijk, wanneer ze hun probleem ervaren als iets waar ze alleen voor staan en hun ziek zijn ervaren als een louter gevolg van hun constitutie en ‘persoonlijkheid'.

We bekijken mensen, ook bejaarden, als wezens in wording, steeds in een tijdelijke evenwicht. Iemand is b.v. niet agressief, hij of zij wordt het in een gegeven context. Psychische stoornissen zijn in dit wordingsproces dikwijls een manier om zich te beschermen tegen een nog grotere pijn die men niet confronteren wil of kan. Psychotherapie is geen éénmalige injectie, maar een intensieve begeleiding om de persoon in zijn hoedanigheid van zich zelf ontwikkelend wezen te herstellen.

Wij hebben binnen ons netwerk psychologen en psychiaters die overtuigd zijn van een alternatieve maatschappelijke aanpak, maar ook farmacologen en apothekers die het publiek kunnen informeren over de baten en de risico's van psychofarmaca. Heel wat psychiaters zijn immers amper op de hoogte van de biochemische werking van de medicijnen die ze voorschrijven. En tenslotte vertegenwoordigen wij een ruim aantal psychiatrische patiënten die dikwijls onmondig zijn en niet de weerbaarheid hebben meegekregen om zich te wapenen tegen de behandelingen die hen dikwijls zonder meer opgedrongen worden en waar ze in veel gevallen niet om hebben gevraagd.

emancipatorische psychologie, klassieke psychiatrie en spiritualisme

(in voorbereiding).

                             EMANCIPATORISCHE
                        PSYCHOLOGIE-PSYCHIATRIE

                           

             KLASSIEKE                        SPIRITUALISME
            PSYCHIATRIE                     & RELIGIOSITEIT

princiepsverklaring

FOOLS CAN BE FOUND EVERYWHERE

EVEN IN MADHOUSES

Zeker 30% van onze bevolking zit in de problemen:
  • - leeft onder de armoede grens
  • - is werkloos
  • - neemt psychofarmaca
  • - poogt zelfmoord te plegen
  • - is verslaafd aan één of ander 
  • - is gewelddadig
  • - moet stelen om te overleven
  • - heeft schulden
  • enz.

Is dit de samenleving die we wensen?

Belgen slikken van alle Europeanen en vermoedelijk van alle aardbewoners het meest psychofarmaca. België (vooral Vlaanderen, maar meer en meer ook Wallonië) is ook één der meest individualistische landen ter wereld. In veel kringen heerst een ideologie van het kleine ondernemerschap, waarbij elkeen met één of ander talent hoopt op succes als kleine zelfstandige ondernemer, in kleine ondernemingen waar ook de werknemers er alleen voor staan want vakbondsvertegenwoordiging is er niet toegelaten. Elk voor zich dus en God tegen allen. God ja, want die ideologie van het zelfstandige ondernemerschap is bij sommigen, gelukkig niet bij allen (we willen niet veralgemenen), gekoppeld aan een dikwijls schijnheilig evangelisch idealisme. Compleet schizo dus. Daarnaast een massa mensen zonder stem, zonder goed te weten waarvoor ze leven. Anderen weer geëngageerd in één of meer sociaal zinvolle projecten.

In zijn geheel: een ideale voedingsbodem voor eenzaamheid, vertwijfeling, frustraties, verslavingen, agressieve uitingen, 'depressies', enz. Een ideaal klimaat voor ruim denkende en vooral minder ruim denkende psychiatrie en allerhande goed bedoelde therapieën maar ook enorm veel kwakzalverij.

Wij willen ijveren voor begeleiding van psychiatrische patiënten in al die vormen waarbij mensen in zichzelf de weerbaarheid kunnen vinden om hun ziekmakende persoonlijke problemen aan te pakken of samen met elkaar initiatieven te nemen om greep te krijgen op sociale leefomstandigheden die mentale en psychische problemen in de hand werken. Wij menen dat de psychiatrie in zijn geheel genomen vandaag schromelijk te kort schiet, ja: zelf oorzaak is van veel psychische problemen. 

Mensen die zich in de psychiatrie laten opnemen of gedwongen opgenomen worden, weten niet waar ze terecht komen. In België word je eerst vijf dagen van je vrijheid beroofd, zelfs als je geen gevaar vormt voor jezelf of anderen. In Nederland zal dat niet anders zijn.

De psychiatrie raakt niet los uit haar dubbele 'functie' van geneeskunde en handhaver van de openbare orde. Vroeger namen ordehandhavers de tijd om mensen die over hun toeren waren tot bedaren te brengen, nu worden ze na 5 min. opgepakt, naar een spoed van een ziekenhuis gebracht, waar hun eventueel gerechtvaardigd verzet gebroken wordt met zware medicijnen en opsluiting in de isoleercel.

In onze ogen heeft de psychiatrie te veel macht: nooit heeft zij de wetenschappelijkheid van haar behandelingen zuiver kunnen waarmaken. De antidepressiva en de antipsychotica hebben de depressies en het gek worden van mensen niet kunnen voorkomen en ook slechts in een beperkt aantal gevallen kunnen verhelpen (vandaar dat martelpraktijken als elektroshocks terug in de lift zijn; al wordt er meer en meer overgeschakeld op rTMS, het aanbrengen van magnetische velden in de hersenen, ook niet echt een onschuldig doetje en de doelmatigheid ervan wordt sterk betwist).

Het gaat bij de meest courante 'mental disorders' (zoals depressies en zelfs schizofrenie) immers veelal om sociale en relationele problemen die door de mensen persoonlijk en lichamelijk worden vertaald en die dan op een nog reductionistischer niveau neurofysiologisch met zware medicijnen worden aangepakt. Niet alleen zeer kostelijk voor de mensen en de overheid, maar ook geenszins probleemoplossend.

Website statistieken