Kind-zijn: een ziekte, een stoornis ??
De Hoge Gezondheidsraad (het wetenschappelijk adviesorgaan van de Federale OverheidsDienst Volksgezondheid, vallend dus onder het ministerie van Sociale Zaken & Volksgezondheid van Laurette Onkelinx) bereidt een expertenrapport voor rond "gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten". De daarin gehanteerde benadering is echter zeer eenzijdig. Eigenlijk wordt beoogd elk gedrag van een kind of jongere dat niet past bij gewenste waarden en normen (gewenst door wie?) als “probleem” en “stoornis” aan te duiden. Erger nog: elk “afwijkend” gedrag zal ervan verdacht worden mogelijk de voorbode te zijn van delinquent gedrag op latere leeftijd. Door het vroegtijdig opsporen én corrigeren van gedragsafwijkingen bij kinderen zou “men” via een combinatie van gedragstherapie en medicatie in staat zijn om effectief aan preventie van later delinquent gedrag te doen. Andere bestaande zienswijzen op de ontwikkeling van kinderen en op de aanpak (“therapie”) van probleemkinderen komen in het rapport niet of nauwelijks aan bod. Tegen deze eenzijdige visie die politiek van aard is (ze moet uitmonden in aanbevelingen voor de overheid) neemt het weerwerk toe. Op initiatief van het Collectief van ForumPsy wordt op 14 juni in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel (BOZAR) van 10 u. tot 18u. een tweetalige Nationale Meeting gehouden. Een petitie werd reeds ondertekend door een 2.000-tal verenigingen en praktijkmensen, therapeuten, jeugdconsulenten, sociale werkers maar ook intellectuelen en politici, uit alle delen van het land (http://www.forumpsy.be/).***
Ondanks onze Westerse welvaart zitten steeds meer mensen in de problemen, niet enkel financieel (door de toegenomen kloof tussen rijk en arm) maar ook met zichzelf, ze hebben “psychische problemen”. De geestelijke (on)gezondheid is dan ook onderwerp van grote bezorgdheid, zowel bij de mensen zelf als bij deskundigen en beleidsmakers: depressies, drugsverslaving, zelfmoord, agressie op het openbaar vervoer, etc. De “activering”, de toegenomen prestatiedruk op school en de werkstress bij volwassenen, het opzetten van mensen tegen elkaar: het ganse maatschappelijk klimaat leidt tot een toenemende geestelijke druk. Velen gaan er onderdoor, bij anderen slaan de stoppen door. Vooral onze kinderen krijgen het moeilijk. Opvoeding en onderwijs worden volledig en uitsluitend gestroomlijnd op de inpassing van jongeren in de markteconomie. In de praktijk, op school, op het werk, in het gezin, betekent dit dat elke vorm van niet gepast gedrag een probleem wordt of kan worden (bv. wat valt onder stalken, pesten op school of het werk, of seksuele intimidaties, wordt steeds breder en ruimer zodat op de duur over iedereen wel kan geklaagd worden). Zodra kinderen thuis of op school uit de toon vallen (bv. emotioneel heftig reageren, wat opstandig of ongehoorzaam zijn, kattenkwaad uithalen, eens een week minder zin hebben om te studeren of hun huiswerk te maken, enz.), maken ouders zich zorgen dat er iets met hun kind aan de hand is. Of het kind riskeert door de leerkracht naar de psychologen van het Centrum voor Leerlingen Begeleiding (CLB) gestuurd te worden.
Jeugddelinquentie, dat zal niemand ontkennen, is zeker een ernstig probleem. Voor de publieke opinie en de overheid gaat het daarbij niet enkel om individuen die een ander vermoorden voor een mp3-speler (de zaak Joe Van Holsbeek) of een sigaret (Oostende, februari 2007) of scholieren die met een mes naar school gaan, maar ook om jongerenbendes die zorgen voor overlast of rellen zoals in Anderlecht. Groepsverkrachtingen van meisjes door jongerenbendes kunnen uiteraard niet getolereerd worden. Maar het lijkt erop dat een aantal uitzonderlijk spectaculaire misdaden worden uitvergroot om de jeugd in zijn geheel repressief aan te pakken: hier en daar wordt al geroepen om jongeren te verbieden eens een pintje te pakken. In de grote meerderheid van deze gevallen is het totaal onduidelijk of het delinquent gedrag te wijten is aan het feit dat er iets “psychisch” scheelt met de dader of dat de oorzaak moet gezocht worden in maatschappelijke problemen (armoede, discriminatie, achterstelling van minderheidsgroepen, de benarde situatie van alleenstaande ouders, etc.). Het is logisch dat als de delinquentie een sociale oorzaak heeft, een medische of psychologische begeleiding (door medicatie of therapie) niet veel zal uithalen wanneer de maatschappelijke levensvoorwaarden niet worden verbeterd. Daar wringt hem uiteraard het schoentje. Want om de privileges van de rijken te beschermen betaalt de overheid graag de prijs van de jeugddelinquentie, zeker als die delinquenten armen en minder begoeden zijn. Ze levert ook jobs aan politie en allerlei deskundigen: psychiaters, psychologen, therapeuten, etc. Ondertussen laten die spectaculaire misdaden gepleegd door minderjarigen toe een klimaat te scheppen waarbij media en politici eisen formuleren voor het oprichten van heropvoedingskampen, de bouw van jeugdgevangenissen en gesloten inrichtingen, meer kinderpsychiatrie etc. We weten ondertussen wel dat als je als kind in een instelling geplaatst wordt, als je zelfs voor een tijdje in een psychiatrische afdeling wordt opgenomen, dit in veel gevallen betekent dat je ganse verdere leven om zeep is. Enkele maanden geleden klaagde UNICEF-België nog aan dat minderjarigen in de psychiatrie dikwijls zonder echte aanleiding en als “straf” opgesloten worden in isoleercellen of op hun bed vastgebonden worden (www.unicef.be/MFiles/Hopital2.pdf). Het is uiteraard ook duidelijk dat een repressieve aanpak vooral en zelfs uitsluitend kinderen van arme gezinnen zal treffen.
Om de sociale aspecten van probleemgedrag en delinquentie te verdoezelen wordt de ganse kwestie dan maar “gemedicaliseerd” en “gepsychologiseerd”: een zaak voor dokters, psychiaters en psychologen dus. Men maakt ons wijs dat al deze mensen die ongewenst of misdadig gedrag vertonen, iets verkeerd hebben aan hun genen, dat ze erfelijk belast zijn of dat hun hersens niet goed functioneren. Het probleemgedrag zou dus wijzen op een “ziekte” of een “stoornis” en zou dus in de eerste plaats met medicijnen of met individuele gedragstherapie kunnen worden aangepakt. Wat het kind zelf te zeggen heeft over het hoe en waarom van zijn gedrag, speelt dan geen rol meer. Vandaar de plannen van sommigen om alle kinderen te onderzoeken naar tekenen van afwijkend gedrag dat volgens deze deskundigen later zou verworden tot delinquent gedrag.
Plannen om alle kinderen te “screenen” op “afwijkend” of “antisociaal” gedrag om zo die kinderen te detecteren die geacht worden te eindigen als de “rotte appels in de mand”, liggen niet alleen klaar in België. Bij de Bush-administratie in de Verenigde Staten zijn deze plannen al jaren geleden uitgewerkt door “specialisten” van de American Psychiatric Association (de beroepsvereniging van psychiaters). Alle kinderen van 3 tot 6 jaar zouden met psychologische tests gescreend worden op “voorbestemdheid” tot antisociaal gedrag en wie slecht scoort zou aan “speciale behandelingen” (van therapie tot plaatsing in een instelling) onderworpen worden. Loic Wacquant’s boek “Straf voor de armen” (EPO, 2006) laat zien hoe sinds 1995 in de USA, maar sindsdien ook in Europa, budgetten voor welzijn en educatie (bv. voor alleenstaande moeders) overgeheveld worden naar justitie en jeugdpsychiatrie. Het rapport en de screening van kinderen die in België door de Hoge GezondheidsRaad zullen worden voorgesteld, lijken dan weer een getrouwe kopie van het werkstuk “Trouble des Conduites chez l’enfant et l’adolescent” dat in 2005 in Frankrijk werd gepubliceerd door de INSERM (Institut National de la Santé et de Recherche Médicale). Daarin wordt gepleit om “gedragsstoornissen” reeds op te sporen bij kinderen onder de 36 maand. Daar lezen we: “het is geweten dat agressiviteit, ongehoorzaamheid en zwakke emotionele controle tijdens de kindertijd gedragsstoornissen in de adolescentie voorspellen" (zie ook www.pasde0deconduite.ras.eu.org/). In deze context is het niet onvermeldenswaardig dat Sarkozy stelde dat de jongeren die de voorbije jaren rellen veroorzaakten in de Parijse banlieues “biologische afwijkingen” vertoonden; kortom: een medisch en geen maatschappelijk probleem!
Het Collectief ForumPsy dat de meeting van 14 juni organiseert, benadrukt een viertal punten.
1. Het begrip “gedragsstoornis” is een vreemde diagnose die de noties van “psychisch lijden” en “afwijkend gedrag” op één hoop gooit. Een kind dat eens een woedeaanval heeft of ongehoorzaam is, lijdt niet en misschien is zijn opstandig gedrag niet eens negatief maar heeft het kind gegronde reden. Het begrip “gedragsstoornis” wordt dan voor de deskundigen van de HGR een passe-partout voor de meest uiteenlopende situaties en problematieken. Blijkbaar gaat men ervan uit dat al die problematieken dezelfde oorsprong hebben. De ideologie hierachter herleidt elk persoonlijk of sociaal onbehagen tot een strikt gedragsmatige of biologische oorzaak. Al geeft men en passant wel toe dat sociale- en onderwijshervormingen nodig zijn, toch gaat alle aandacht naar het in de prilste kindertijd opsporen van de eerste tekenen van een soort “voorbeschiktheid” tot later onaangepast gedrag. Ter preventie hiervan zal men dan maatregelen op gedragsmatig én medicamenteus vlak voorstellen. Deze benadering wil ons doen geloven dat het mogelijk is wetenschappelijk en vroeger dan ooit te voorspellen dat een kind dat op zijn eerste of tweede jaar opvallend “raar” doet, later in aanvaring zal komen met de wet. Op deze wijze wordt een opvoeding gepromoot die niets meer is dan een zuivere dril en wordt de ouder-kind-verhouding een eenvormig en strak gedragspatroon. Dat de “psyche” van een kind bijzonder complex is en meer is dan wat oppervlakkig aan zijn gedrag valt waar te nemen, wordt niet meer in rekening genomen. De bijzonderheid van elk kind en van elk probleem, zoals die naar voren kan komen in niet-gestandaardiseerde ontmoetingen en gesprekken waaraan degene die “lijdt” zelf ook actief deelneemt, gaat volledig verloren. De “gedragsmatige” benadering kan dus hoogstens leiden tot een uitgekiende combinatie van conditionering én medicamenteuze controle van het gedrag. Een controle die, zoals elke controle, het gevaar inhoudt uit de hand te lopen, met catastrofale gevolgen, niet alleen voor de gezondheid van het kind, maar ook voor de sociale relaties in het algemeen, voor het sociale weefsel dus.
2. De impasses van een over-medicalisering van het psychisch lijden bij kinderen. De eenzijdige nadruk op het opsporen van ongewenst gedrag bij kleine kinderen en dit aanduiden als een “stoornis” brengen vrij automatisch met zich mee dat dit gedrag zo snel mogelijk uit de wereld moet geholpen worden, hetzij door gedragstraining (“gedragstherapie”), hetzij met behulp van medicamenten. En dit laatste is in wezen het “goedkoopst”. Het vaststellen van ongepast gedrag bij kinderen zal er dus onvermijdelijk toe leiden dat nog meer kinderen omwille van eerder banale problemen een medisch-psychiatrische diagnose krijgen en behandeld worden met psychofarmaca waarvan de werking en de nevenwerkingen op de verdere ontwikkeling van het kind, van zijn hersenen en andere organen en van zijn gevoelsleven en zijn intellectuele groei, nauwelijks bekend zijn, zeker niet op de lange termijn. Ongetwijfeld denkt u daarbij aan de gulzigheid waarmee geneesheren kinderen het ADHD-medicijn Rilatine voorschrijven, maar ook het toedienen van zware antipsychotica grijpt om zich heen, zelfs als die middelen niet geregistreerd zijn als geschikt voor kinderen. De marketing van de farma-industrie speelt hier handig in op de ongerustheid van ouders en op de wens van dokters om aan de ouders de indruk te geven dat ze “echt iets doen aan het probleem”. In de Verenigde Staten lopen nu reeds een tiental processen van Staten die de farmaceutische bedrijven voor de rechter hebben gedaagd wegens onverantwoorde praktijken en misleiding van geneesheren en consumenten. Hierbij worden kinderen opgezadeld met zware antipsychotica (zoals Risperdal van “onze” Janssen Pharmaceutica) voor “aandoeningen” waarvoor het geneesmiddel niet is goedgekeurd. De farma-firma’s zoals Eli Lilly hebben de laatste twee jaar al miljarden dollars betaald om rechtszaken minnelijk te schikken. De situatie is nu zo dat in de USA 60 op 10.000 kinderen antipsychotica gebruiken (wat nog maar één soort van de groep van de psychofarmaca is); in Groot-Brittanië is dit 10 à 15 op 10.000. Bedenken we daarbij ook dat de meeste “dolle schutters” die in scholen schieten op alles wat beweegt, psychofarmaca nemen (Rilatine of antidepressiva). Bij ons loopt het nog niet zo uit de hand: en we laten dit best zo!
3. De ontsporingen waartoe het “voortijdig opsporen” van onaangepast gedrag zal leiden. Uit het voorgaande kan u reeds zekere gevaren en mogelijke ontsporingen afleiden. Het nodeloos opsolferen van kinderen met een psychiatrische diagnose, waardoor ze het gevaar lopen door vriendjes, familieleden en kennissen als “zotten” behandeld te worden (de zogenaamde “stigmatisering”) en riskeren in instellingen opgenomen te worden; het overmatig en dikwijls volkomen nodeloos medicijnengebruik met haar impact op de sociale zekerheidsbudgetten; ongerustheid bij ouders dat hun kind als misdadiger kan of zal eindigen; enzovoort.
4. De ideologie van de mens als machine. De benadering om op basis van gedragsuitingen van kinderen die als het ware pasgeboren zijn, jeugddelinquentie af te leiden en te voorspellen en de aanpak om deze delinquentie door een soort gedragsdressuur te verhinderen, ziet kinderen blijkbaar als een soort machines waarvan het goed functioneren kan verzekerd worden met wat smering met de juiste olie. De geschiedenis leert ons dat mensen als machines behandelen steeds met mislukkingen en rampen is geëindigd. Kinderen zijn een vat vol mogelijkheden: laten we hen de ruimte geven om hun mogelijkheden zo goed en zo veel mogelijk te ontplooien in plaats van hen in te perken op manieren die hun mens-zijn niet meer respecteren.
Het zijn vooral de psychoanalytici die op de meeting van 14 juni weerwerk bieden, maar zeker niet alleen zij. Wel al wie meent dat een “afwijkend” i.e. “ongewenst” gedrag voor het kind zelf zeer veel betekenissen kan hebben en niet zo maar als “ziekelijk” kan worden geïnterpreteerd. Gedragstherapie en medicijnen hebben het “voordeel” op psychoanalyse en andere dieper werkende therapieën dat zij snelle resultaten beloven, omdat zij zich enkel richten op het detailgedrag en niet op de hele persoon van de cliënt of patiënt. Gedragstherapie krijgt daarom uit progressieve hoek dikwijls de kritiek dat ze de mensen alleen zo snel mogelijk oplapt zodat ze zich terug kunnen laten “uitbuiten”. De ganse kwestie doet me soms denken aan de vertwijfeling die me overviel wanneer ik ergens in 1968 als 17-jarige in mijn dorp naar een lezing van een dokter van de Derde Wereld Beweging ging luisteren, die in de jaren 1960 in Congo in de Katangese mijnen werkte: “Als ik de zieken niet help, kreperen ze. Als ik ze genees, moeten ze terug naar de mijn en staan ze hier een maand later terug met dezelfde ziekte want met hun loon kunnen ze geen degelijk voedsel kopen en velen die ik verzorg, gaan uiteindelijk toch dood.”
Kortom, de discussie over de aanpak van moeilijke jongeren, is geen thema waar enkel psychiaters, dokters en andere kinderdeskundigen zich moeten over buigen. Het gaat niet alleen om een wetenschappelijke kwestie, maar in wezen in de eerste plaats om een politieke kwestie van sociale rechtvaardigheid en verdeling van de welvaart: want dan zouden ook de oorzaken weggenomen zijn waarom kinderen moeten gaan stelen, met of zonder gebruik van geweld en waarom kinderen door gebrek aan opvoedingsmiddelen van hun ouders of van de scholen waar ze school lopen, ontwricht raken en ontsporen. Het komt er niet op aan zoveel mogelijk blauw op straat te hebben, maar de voorwaarden te scheppen waarbij zo weinig mogelijk mensen (terecht of ten onrechte) de straat opgaan met misdadige bedoelingen. En dit is geen zaak van alleen maar psychiaters, psychologen of politiedeskundigen. Zij verbergen zich alleen achter de wetenschap om in wezen als belanghebbende burger (behorende tot de begoede klasse) politieke uitspraken te doen over hoe mensen horen samen te leven. Wel: daar hebben in een democratie niet alleen deskundigen iets over te zeggen.
De aanpak gebeurt nu feitelijk volgens het marktprincipe. De geestelijke en morele miserie van de bevolking vormt een basis voor allerlei privé-initiatieven om winst te maken. De ene verkoopt pillen, de andere bewakingscamera’s, nog een andere slaat winst uit de bouw van gevangenissen, en nog anderen door het propageren van allerhande therapieën waar soms een jaar later al niet meer over gesproken wordt. De éne maakt winst met “genezende” maatregelen, de andere met preventieve. Uiteraard kan een sociale en preventieve aanpak niet betekenen dat grove misdaden gepleegd door jongeren niet “genezend” worden aangepakt. Maar een evenwicht tussen al deze initiatieven kan pas bereikt worden door een beleid dat niet bepaald wordt door de markt maar dat door de overheid onder gemeenschapscontrole wordt uitgewerkt, met nadruk op het wegnemen van de voedingsbodem van armoede en achteruitstelling van zekere bevolkingsgroepen, die de oorzaak zijn van de ontwrichting van de geestelijke en persoonlijke ontwikkeling van kinderen en jongeren. Kortom, een socialistische aanpak.

Reageren