Gratis muziek?
Luister nu gratis naar muziek!
www.nl.fm
Date Spotter
Nog geen date gespot?
www.datespotter.nl
Pagina maken?
Deel je kennis met anderen!
www.startspot.nl
StartVriend.nl
Maak een eigen website!
www.startvriend.nl

Weer USA-rechtszaak tegen antipsychoticumproducent plus nieuws over de zaak Janssen Pharmaceutica

[bericht vanwege Mind Freedom International, de internationale door de Verenigde Naties erkende ngo die de psychiatrie kritisch doorlicht]

Met dit bericht krijgen we ook wat nieuws over het proces van de Staat Arkansas tegen Janssen Pharmaceutica omtrent haar wetsovertredingen betreffende het bij ons meest gebruikte antipsychoticum Risperdal. Janssen poogde blijkbaar de zaak naar het federale niveau te brengen, maar werd dus teruggefloten.

ARKANSAS DEMOCRAT-GAZETTE
State suit targets AstraZeneca over antipsychotic medicine
May 21, 2008
BY CAROLYNE PARK

LITTLE ROCK - Arkansas Attorney General Dustin McDaniel filed suit Tuesday against drug manufacturer AstraZeneca claiming the company encouraged doctors to prescribe a dangerous drug to children and the elderly for uses beyond its federal approval, harming patients and costing the state millions of dollars. The suit filed in Pulaski County Circuit Court claims London-based AstraZeneca PLC and four of its related companies in the U.S. and abroad misled doctors and the public to increase sales of the antipsychotic drug Seroquel, even though the company knew people taking it were at risk of injury, disease and sickness.

AstraZeneca is the last of three major drug companies the state is suing with claims they illegally marketed the antipsychotic drugs Zyprexa, Risperdal and Seroquel to be paid for by the state Medicaid and employee health-insurance programs.

McDaniel filed suit against Titusville, N.J.-based Janssen Pharmaceutica of Johnson &Johnson Inc., in November 2006 and Eli Lilly & Co. of Indianapolis on May 1. McDaniel's office is working on the cases with the help of private firm Bailey Perrin Bailey LLP of Houston, which is handling similar suits in at least six other states.

"We want to send a message that these pharmaceutical companies need to walk a straightline when they are dealing with Arkansas and other states because the health and safety of consumers across this country depend on that," said Justin Allen, chief deputy attorney general.

Arkansas is one of several states, including Pennsylvania, Connecticut and South Carolina,suing the companies in hopes of recouping Medicaid payments for the drugs and for treatment of patients who suffered ill effects after taking them.

Eli Lilly settled its case with Alaska in the midst of a jury trial
in March for $15 million.

AstraZeneca spokesman Jim Minnick said Tuesday the company couldn't comment about Arkansas' lawsuit because officials had not been notified of its filing or had a chance to review it. "Seroquel has helped millions of people suffering from mental illness and has made a meaningful difference in their lives," Minnick said.

Seroquel was approved by the U.S. Food and Drug Administration for treatment of adults with schizophrenia in September 1997. In 2004 it was approved for treatment of adults with acute mania and in 2006 for major depressive episodes associated with bipolar disorder. Aside from its approved uses, the lawsuit claims the company also marketed the drug for nonmedically necessary uses including sleeplessness, attention deficit-hyperactivity disorder, depression, anxiety, mood disorder, and aggression associated with late-onset dementia.

Seroquel is an atypical antipsychotic, also known as second
generation antipsychotics. Such drugs first came on the market in the 1990s as an alternative to 'typical' antipsychotics, which cause physical problems, such as spasms or involuntary movement, according to the lawsuit.
Today atypical antipsychotics account for more than 90 percent of all drugs prescribed for psychiatric purposes, regardless of whether they are approved for those indications.
Seroquel is the fastest-growing atypical antipsychotic in terms of sales, according to the lawsuit. AstraZeneca failed to properly warn consumers that the drug had the potential to cause diabetes, stroke, pancreatitis, seizures and other
illnesses, according to the lawsuit. The FDA reprimanded AstraZeneca in May 1999 and October 2006 for giving misleading information about the drug.

Chief deputy attorney general Allen said the state Medicaid program spent about $200 million on Zyprexa, Risperdal and Seroquel since they came onto the market. "We believe that the evidence will bear out that a large majority of that $200 million was improperly paid for improper prescriptions of
those drugs - not based on the fault of the physicians, but based on the off-label marketing efforts of the companies in pushing those drugs to be given to people to whom they shouldn?t be given," Allen said.

According to the lawsuit, AstraZeneca violated several state laws by engaging in 'a protracted and willful course of corporate misconduct and misrepresentation'. "The state is charging Astra-Zeneca with eight counts including Medicaid fraud, which entitles the state to triple damages, and violation of the Arkansas Deceptive Trade Practices Act, for which the state could receive up to $10,000 for each of many, many
violations," he said. "Several hundred million we believe the state could ultimately prove up in damages in trial," Allen said. Allen said the AstraZeneca filing was delayed because attorneys for the company contacted the state about the case but "that dialogue recently came to a close." "There were discussions of the issues," Allen said. "It's safe to say that given that we're filing suit, certainly no resolution was reached."

Eli Lilly has until early June to respond to Arkansas' lawsuit.
Janssen attempted to move its case with the state to federal court, but it was remanded back to state court about a month ago, Allen said. The case is now undergoing discovery as the company and state exchange information and documents.
"It will be at least a year before any of the cases go to trial," Allen said. A trial is expected to take six to eight weeks. "This is not going to be a quick process. It's going to take time and a lot of work by this office and this office's lawyers, but we're
hopeful it will reveal some bad improper behavior by these companies that was injurious not only to the Medicaid program, but potentially to consumers in Arkansas," Allen said.

Het Wetsvoorstel Vienne voor de Psychotherapie

Het is sinds de verkiezingen en de heisa erna (of het gebrek aan heisa) stil gebleven rond de wetgeving psychotherapie. Je herinnert je nog dat de voormalige minister Demotte een soort compromis wou tussen het zogenaamde "Vlaamse" standpunt van de VVKP (Vlaamse Vereniging Klinische Psychologen) dat van de psychotherapie een soort eenheidsworst wou maken met een soort monopolie voor de universiteiten qua vorming en opleiding (die "Vlamingen" toch) en het "Waalse" of qua therapievormen en opleidingsmodaliteiten meer "pluralistische" standpunt dat onder gangmaking van het inderdaad voornamelijk franstalig en brussels Platform voor de Beroepen in de Geestelijke Gezondheidszorg een maximum aan diversiteit op alle vlakken wou garanderen.
Het Netwerk koos steeds voor een minimalistisch standpunt waarbij de psychotherapie niet meer wetelijk werd geregeld dan nodig. Een aantal topfiguren van ons Netwerk (Vlamingen, jawel!) hebben zich daarbij van hun flinkste kant laten zien, waarbij het 80 blz. lange dossier Psychotherapie dat we in 2006 samenstelden een inspirerende rol speelde.

Om duidelijk te maken dat niet alle Vlamingen achter de smakeloze eenheidsworst van de overigens vrij reactionair denkende besturen van de verenigingen voor klinische psychologen, seksuologen en orthopedagogen staan (het clubje van de universitaire privileges dus) hebben een aantal Vlaamse psychologen, therapeuten en aspirant-therapeuten het Nieuw Forum Psychotherapie opgericht. De spilfiguren zijn Wendy Leyn, psycholoog met een gedragstherapeutische opleiding maar nu aspirant-psychoanalyticus (kortom, de omgekeerde beweging dan deze van de Freud-bashers van de laatste decennia, die uitsluitend heil zien en zagen in universitair opgedane expertise en er daarbij niet voor terugschrokken en -schrikken roddels te verspreiden als zou Freud zijn cliënten seksueel misbruikt hebben, nu ja, als je Lou Salomé als analysand hebt!!) (wleyn@skynet.be) en Riane Malfait, een body-mind therapeut, kortom een soort bioenergeticus (bioenergetica wordt ook wel Emotioneel Lichaamswerk genoemd) (riane.malfait@skynet.be; zo te zien twee Belgacommers).

Dat Nieuw Forum Pychotherapie steunt het ondertussen enigszins gewijzigd heringediende wetsvoorstel van senator Christiane Vienne (een taaie PS-ster van het Henegouwse Mouscron, Moeskroen in het Vloamsch, zij was ooit minister Welzijn en Gezondheid in de Waalse Gewestregering), dat inderdaad diversiteit centraal stelt en van psychotherapie en ggz-beroepn geen universitair geprivilegieerden maakt. Wij drukken hieronder de Vlaamse versie af van haar voorstel al heeft Christiane (laten we haar maar bij de voornaam noemen, zij tekent toch ook met "amitiés" als ze ons een mail stuurt) ondertussen nog nieuwe wijzigingen aanvaard op voorstel van dat Nieuw Forum. In het bijzonder wordt de gebruikers een ruime rol toebedeeld, ook al een idee dat gelanceerd werd door het Netwerk in 2006 (en zoals alles wat het Netwerk voorstelt, snel door iedereen behalve twintig man en vier paardenkoppen overgenomen). Thus here she comes: Christiane Vienne.

4-92/1

4-92/1

Belgische Senaat BUITENGEWONE ZITTING 2007 17 JULI 2007


Wetsvoorstel tot wijziging, wat de uitoefening van de beroepen uit de sector van de geestelijke gezondheidszorg betreft, van koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (Ingediend door mevrouw Christiane Vienne c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-807/1-2003/2004).
De samenleving evolueert snel, wat de individuele burger ertoe noopt zich voortdurend aan te passen aan nieuwe situaties.
Die voortdurende veranderingen bedreigen het evenwicht van een toenemend aantal mensen waardoor zij al te vaak niet meer weten waar zij aan toe zijn. Niet zelden blijven zij dan verweesd achter, zonder enig aanknopingspunt.
Het sociaal en familiaal weefsel vertoont bovendien aftakelingsverschijnselen en biedt niet langer een vangnet voor de problemen waarmee een individu, als lid van de samenleving, te kampen heeft of die problemen zich nu op familiaal, echtelijk, sociaal of arbeidsvlak voordoen.
De bestaande solidariteitsregelingen of -netwerken functioneren niet altijd correct of staan niet voor iedereen open.
Het psychisch lijden doet zich geregeld in nieuwe vormen voor, wat reflectie en voortdurend onderzoek vergt van de praktijken en theorieën die hulp kunnen bieden. De lijdende mens verlaat zich op gezondheidswerkers wier taak er niet uitsluitend moet in bestaan zijn fysiek lijden te verzachten, maar ook hem door middel van een waaier van mogelijke therapievormen te begeleiden en moreel te steunen, zodat hij van zijn pijnlijke en hinderende psychische symptomen verlost geraakt, of nog, na een analyse van de zin van zijn lijden op dat moment in zijn bestaan voldoende psychische samenhang en een groter vermogen tot individuele en maatschappelijke ontwikkeling herwint.
Tijdens zijn levensloop wordt ieder mens onvermijdelijk geconfronteerd met diverse problemen of beproevingen, met tegenslagen die ofwel onafwendbaar zijn (bijvoorbeeld sterfgevallen), ofwel onvoorzienbaar (bijvoorbeeld verschillende vormen van echtscheiding).
Sommigen spartelen zich door de moeilijkheden heen, maar voor anderen kan externe hulp op een bepaald ogenblik nuttig of zelfs noodzakelijk blijken.
De aanpak van geestesziekten vergt een overlapping van deskundigheden, waarbij het soms moeilijk is een onderscheid te maken tussen wat strikt gezien behoort tot de geneeskunde, en meer bepaald de diverse psychiatrische benaderingen, wat behoort tot de diverse psychotherapeutische disciplines en ten slotte wat behoort tot de psychologie; dat alles draagt ertoe bij dat nog meer twijfel ontstaat omtrent de specifieke bijdrage die elk van die disciplines kan leveren.
De geestelijke gezondheid als biologische en psychosociale realiteit moet worden bekeken vanuit het standpunt van de patiënt als individu, maar ook vanuit het standpunt van zijn sociaal milieu.
Het is van belang dat de mens die zich in een sociaal, familiaal, professioneel of zelfs cultureel milieu beweegt, informatie kan krijgen en vrij en veilig een beroep kan doen op andere technieken en verzorgingsmethodes dan louter geneeskundige.
Teneinde rekening te houden met en vat te krijgen op de tegenstrijdigheden, conflicten en innerlijke moeilijkheden waarmee een mens te kampen krijgt, is het noodzakelijk het individu opnieuw centraal te plaatsen. Door zijn persoonlijke en sociale situatie is elk individu immers in wezen uniek.
Om ervoor te zorgen dat eenieder een optimaal welzijnsgevoel kan ervaren, is er hoe dan ook nood aan een specifieke en aangepaste begeleiding waarvoor de patiënt zelf kiest en die tot doel heeft zijn geestelijk lijden te verzachten of hem beter te wapenen tegen de diverse moeilijkheden die het leven in een samenleving meebrengt.
In het licht daarvan is het noodzakelijk de gezondheid van de patiënt in al haar facetten te beschouwen, door alle beroepstakken van de gezondheidszorg onder een gemeenschappelijke norm samen te brengen. Daarbij moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen de strikt medische (somatische, ...) vereisten en de vereisten op het stuk van de geestelijke gezondheidszorg (intrapsychische [psychodynamische], interpsychische [systemische] en psychosociale aspecten, ...). In het eerste geval gaat het erom zorg te verstrekken om fysiek lijden uit te schakelen; in het tweede geval is het veeleer de bedoeling de betrokkene te helpen de psychische gevolgen op te vangen alsmede diverse persoonlijke, familiale, professionele en sociale problemen het hoofd te bieden.
Het is van belang te erkennen dat de psychische en sociale dimensie van de geestelijke gezondheidszorg in onze samenleving een primordiale en steeds belangrijker plaats inneemt. De beroepsmensen uit de sector van de geestelijke gezondheidszorg spelen een almaar grotere rol in onze samenleving en zij leveren een aanzienlijke bijdrage tot de evaluatie en de ontwikkeling van specifieke behandelingen.
De regeling inzake gezondheidszorg is niet uitsluitend curatief van opzet. Bijgevolg moet de psychische en psychosociale (de intrapsychische, interrelationele en omgevingsaspecten) dimensie van de gezondheidszorg hoe dan ook worden versterkt door de beroepen in de sector van de geestelijke gezondheidszorg, zoals de psychologen en de psychotherapeuten autonomie te garanderen uiteraard in het belang van de patiënt en door het specifieke karakter van die zorgverstrekking te waarborgen.
Het is de bedoeling mensen die bij de psychische gezondheidswerkers te rade gaan, hulp te bieden om zoveel mogelijk voor zichzelf te zorgen. Meer nog : zij moeten in de beste omstandigheden leren hoe zij zelf het heft in handen kunnen nemen, op een persoonlijke en oorspronkelijke manier. Het komt erop aan te luisteren naar wat men zelf wil, met zichzelf in het reine te zijn en tegelijkertijd rekening te houden met de medemens en de maatschappij. Ook is het van belang te aanvaarden dat ongemak en lijden deel uitmaken van eenieders levensweg.
Door middel van specifieke begeleiding en/of deskundige hulp kunnen de raadplegers die moeilijkheden en smart ombuigen teneinde hun individuele ontwikkeling te vervolmaken en te pogen een zo intens mogelijk gevoel van welzijn te bereiken.
Er mag geen sprake van ondergeschiktheid zijn tussen de somatische en de psychische disciplines, want dat zou de fundamentele rechten van de patiënt schenden en een objectieve diagnose belemmeren. Een en ander neemt echter niet weg dat die disciplines elkaar kunnen aanvullen.
Coherentie en een multidisciplinaire aanpak moeten bij de behandeling van de patiënt centraal staan. Daarbij kan een beroep worden gedaan op practici die al dan niet arts zijn, zodat elkeen vanuit zijn eigen specialiteit maar met eerbied voor de bekwaamheden van de ander een inbreng kan hebben. In die zin is de verwijzing naar (beroeps)ethische regels onontbeerlijk.
In die zin ligt het voor de hand dat de beroepsbeoefenaar in de sector van de geestelijke gezondheidszorg autonoom moet kunnen werken, en gelet op de belangrijkheid van het persoonlijke rijpingsproces wat niet in een gewone academische cursus kan worden geboden moet hij toegang blijven hebben tot een waaier van opleidingsmogelijkheden.
De klinische psychologie en de psychotherapeutische disciplines zijn specifieke praktijken die duidelijk verschillen van de geneeskunde. Artsen hebben geen gedegen opleiding in de klinische psychologie genoten en zijn niet strikt opgeleid in een of meer psychotherapeutische disciplines; hoewel het uiteraard uitermate wenselijk is hun klinische aandacht zodanig aan te scherpen dat zij onder andere ook het nut of de noodzaak van een psychotherapeutische aanpak onderkennen, zijn zij bovendien niet bij machte een dergelijke therapie en het aantal vereiste sessies in te schatten.
Het is derhalve zaak de beroepstakken van de sector van de geestelijke gezondheidszorg in te passen in een wetgevend raamwerk dat rekening houdt met de kenmerken ervan, alsook met de opleidingsvereisten en de diverse erkenningsvormen. Aldus krijgen de patiënten de garantie dat de hun verstrekte zorg kwaliteitsvol is en kunnen zij een keuze maken uit het aanbod van de diverse practici van geestelijke gezondheidszorg.
Garanties voor de eerbiediging van de fundamentele rechten van de patiënt en voor de eerbiediging van zijn recht op welzijn, kunnen slechts worden geboden via een adequate en aan de beroepstak van de geestelijke gezondheidszorg aangepaste wetgeving.
Als de betrokkene volkomen vrij de begeleider kan kiezen van wie hij denkt dat die het meest in aanmerking komt om zijn situatie op te lossen, en als hij die deskundige zonder enige verplichting kan aanspreken, vergroot de kans dat hij zich opnieuw leert te ontplooien in de samenleving, die daar op haar beurt beter van wordt.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het aangewezen ware een specifiek hoofdstuk in te voegen in koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
De beroepen uit de sector van de geestelijke gezondheidszorg moeten worden gereglementeerd en opgenomen in een omvattende zorgstructuur. De aldus in die structuur vervatte algemene reglementering moet bevorderen dat het specifieke karakter en de autonome uitoefening van die beroepen worden erkend. Tegelijk moet in het belang van de patiënt een interventie van of samenwerking met andere practici mogelijk blijven.
In dat opzicht is het opportuun te benadrukken dat de uitoefening van de klinische psychologie alleen bestemd is voor wie in het bezit is van een door de bevoegde minister verleende erkenning, die volgens specifieke diplomavoorwaarden wordt uitgereikt, omdat beroepsactiviteiten in verband met die titel beperkt moeten blijven tot wie houder is van een dergelijke erkenning.
Het is evident dat de beoefenaar van de geneeskunst in het raam van zijn werkzaamheden interesse heeft voor de psychische toestand van zijn patiënt. Hij heeft zich tijdens zijn basisopleiding evenwel niet de specifieke beroepsinstrumenten van de klinische psychologie en de psychotherapie eigen gemaakt.
Het is met andere woorden ontoelaatbaar dat als een bijzondere opleiding wordt gevergd om een praktijk als klinisch psycholoog of psychotherapeut te voeren, andere personen van wie een vergelijkbare bijzondere opleiding niet wordt gevergd, dezelfde handelingen mogen verrichten als de klinisch psychologen of de psychotherapeuten; het doel daarbij is toe te zien op de specificiteit van die beroepen en op de kwaliteit van de verstrekte zorg, alsook op de bescherming van de patiënt.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel voegt in koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen een hoofdstuk III (nieuw) in, dat gewijd is aan de uitoefening van beroepen in de sector van de geestelijke gezondheidszorg en heeft tot doel het autonome optreden, de specificiteit en de onafhankelijkheid van de beroepen inzake geestelijke gezondheidszorg te beklemtonen.

Artikel 35quinquies decies bepaalt wat onder « de uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » moet worden verstaan. Paragraaf 2 verleent de Koning de mogelijkheid die definitie te verfijnen, nadat hij daartoe het advies van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen (zie artikel 35septies decies).

Artikel 35sexies decies vermeldt de categorieën van beroepen die gemachtigd zijn te praktiseren in de sector van de geestelijke gezondheidszorg.

Artikel 35septies decies voorziet in de oprichting van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg. Artikel 35octies decies omschrijft de taken die de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg toegewezen krijgt en artikel 35novies decies bepaalt dat een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg alleen kan worden uitgeoefend door iemand die houder is van de erkenning die door de voor Volksgezondheid bevoegde minister wordt verleend.

Artikel 4

Dit artikel verleent de Koning de mogelijkheid de nummering van koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, te coördineren en aan te passen.

 

 

 WETSVOORSTEL

Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2
In koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, wordt een hoofdstuk III (nieuw) houdende de artikelen 35quinquies decies tot 35novies decies ingevoegd, luidend als volgt :
« HOOFDSTUK III : uitoefening van de beroepen in de sector van de geestelijke gezondheidszorg
Art. 35quinquies decies. — § 1. Onder « uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg » wordt verstaan de gebruikelijke verrichting van autonome handelingen inzake preventie, onderzoek, opsporing, diagnosestelling, verzorging en begeleiding van lijden van psychische oorsprong of van psychisch lijden dat verband houdt met een somatische aandoening.
Die uitoefening impliceert, zo nodig en zo de patiënt daar om verzoekt, een samenwerking tussen de diverse beroepsbeoefenaren die in de gezondheidszorg actief zijn.
§ 2. De Koning kan, nadat Hij het advies van de in artikel 35septies decies bedoelde Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de in § 1 bedoelde handelingen nader omschrijven en de voorwaarden voor de uitvoering ervan bepalen.
Art. 35sexies decies. — De volgende vier categorieën van beroepen zijn gemachtigd te praktiseren in de sector van de geestelijke gezondheidszorg :
a) de geneeskundige beroepen, met name de artsen-psychiaters, de neuropsychiaters en de in artikel 2, § 1, bedoelde kinderpsychiaters, alsmede de andere houders van een diploma in de geneeskunde, voor zover die beoefenaars een door de Koning, na advies van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg, bepaalde bijkomende opleiding met betrekking tot de uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijk gezondheidszorg hebben gevolgd;
b) de niet-geneeskundige universitaire beroepen waarvan de beoefenaars houder zijn van een van de volgende diploma's :
1º licentiaat in de psychologie;
2º licentiaat in de seksuologie;
3º licentiaat in de orthopedagogie;
4º licentiaat in de criminologie;
5º licentiaat in de logopedie;
c) de volgende beroepen van hoger niet-universitair niveau, op voorwaarde dat de beoefenaars ervan een aanvullende, door de Koning vastgestelde opleiding inzake het verlenen van geestelijke gezondheidszorg hebben gevolgd :
1º de assistenten in de psychologie;
2º de sociaal assistenten;
3º de logopedisten van niveau A1;
4º de niet-universitaire seksuologen;
5º de huwelijksconsulenten van niveau A1;
6º de therapeuten psychomotoriek;
7º de ergotherapeuten;
8º de opvoeders;
9º de psychiatrisch verplegers;
d) de psychotherapeuten : de voonoemde beroepsbeoefenaars, van wie het aantal hoe dan ook niet mag worden beperkt, mogen de titel voeren van psychotherapeut nadat zij een door de Koning, na advies van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidzorg, omschreven opleiding inzake de uitoefening van de psychotherapie hebben gevolg.
Andere beroepsopleidingen kunnen toegang verschaffen tot het beroep van psychotherapeut, na een aanvullende opleiding vastgesteld door de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg.
Voor elk van die beroepen gelden de al dan niet op schrift gestelde gedrags- en beroepsregels die door de vertegenwoordigers ervan zijn opgesteld.
Art. 35septies decies. — Bij de FOD Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg opgericht.
De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de samenstelling en de werkwijze van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg met inachtneming van de diversiteiten. De Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg is evenwel paritair samengesteld uit de psychotherapeuten bedoeld in artikel 35sexies decies, alsmedeuit de diverse, in artikel 35sexies decies, a), b) en c) bedoelde categorieën van beroepen.
Art. 35octies decies. — De Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft tot taak de voor Volksgezondheid bevoegde minister op diens verzoek dan wel uit eigen beweging adviezen te verlenen in alle aangelegenheden die verband houden met de geestelijke gezondheidszorg en met de noodzakelijke diplomavereisten voor de uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg.
Art. 35novies decies. —
§ 1.
De uitoefening van een beroep in de sector van de geestelijke gezondheidszorg vereist het verkrijgen van een erkenning, verleend door de voor Volksgezondheid bevoegde minister.
§ 2. De Koning bepaalt, nadat Hij het advies van de Nationale Raad voor de geestelijke gezondheidszorg heeft ingewonnen, de voorwaarden en de regels voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in § 1 bedoelde erkenning, alsmede de aanvullende voorwaarden, stageperiodes en monitoring die de erkenning vereist. ».

Art. 3
De huidige hoofdstukken III en IIIbis worden respectievelijk de hoofdstukken IIIbis en IIIter.

Art. 4
De Koning kan koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen stroomlijnen met de bepalingen die het expliciet dan wel impliciet zou hebben gewijzigd op het tijdstip waarop de coördinatie plaatsvindt.
Daartoe kan Hij :
1º de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de indeling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2º de eventuele, in de te coördineren bepalingen vervatte verwijzingen wijzigen, teneinde ze met de nieuwe nummering te doen overeenstemmen;
3º de tekstredactie van de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde de onderlinge overeenstemming ervan te waarborgen en ze terminologisch op elkaar af te stemmen, zonder dat aan de in die bepalingen opgenomen beginselen kan worden geraakt;
Bovendien kan Hij de voorstellingswijze wijzigen van de verwijzingen naar in de gecoördineerde tekst vervatte bepalingen, waaraan andere bepalingen refereren die niet in die tekst werden opgenomen.
12 juli 2007.
Christriane Vienne
Philippe Mahoux
Olga Zrihen

Geïnterneerd of Levenslang

Iedereen weet hoe schrijnend tot voor kort de toestand was van onze geïnterneerden in de Belgische gevangenissen. Geïnterneerden (tbs'ers in Nederland) zijn mensen die een misdaad hebben gepleegd maar omdat ze geestesziek worden bevonden of ontoerekeningsvatbaar worden verklaard, worden ze niet veroordeeld worden maar voorwerp worden van een verplichte psychiatrische of psychotherapeutische behandeling. Bij een goede afloop van deze behandeling zijn ze geen gevaar meer voor de samenleving en komen ze terug vrij.
Door het gebrek aan accomodatie en voorzieningen stelde die behandeling tot voor kort nauwelijks of nog minder voor. De geïnterneerden kwijnden weg in de gevangenis en de Belgische regering werd hiervoor een paar keer door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op de vingers getikt.
Een paar jaar geleden heeft toenmalig minister van Justitie, Laurette Onkelinckx, vermoedelijk met de beste bedoelingen een begin van maatregelen genomen. Een paar psychiatrische ziekenhuizen bouwden afdelingen om en plaatsen wat bloembakken. Vleugels van gevangenissen worden nu beheerd door psychiaters van Caritas Catholica. Onze informanten onder het gevangenispersoneel beweren dat de geïnterneerden nu wel een geprivilegieerd statuut hebben vergeleken met de "normale" gevangenen: zij worden omkaderd door psychologen, sociale assistenten, etc. Maar bij de verschillende opeenvolgende niveaus die de geïnterneerden moeten halen doorheen hun therapeutisch programma, ligt de lat zo hoog dat ze eigenlijk nooit boven deze lat kunnen uitkomen en dus ook riskeren levenslang vast te zitten. Kortom: had je gewoon veroordeeld geweest, dan was je er met twee, vijf of tien jaar gevangenis van af. Nu riskeer je levenslang voor ditzelfde misdrijf, gewoon omdat je advocaat dacht je perspectieven te vrijwaren door de kaart van de ontoerekensvatbaarheid te spelen. Of omdat in een sfeer anno 2008 waar criminaliteit nogal snel met geestesziekte in verband wordt gebracht, de onderzoeksrechter naar believen en door een vrije of toevallige ingeving veel frequenter dan voorheen een psychiater aanstelt, die uiteraard overal een "geestesziekte" kan ontdekken. Het zal een psychiater gewis niet veel moeite kosten om met de DSM-IV in de hand ook de voorzitter van een Assisenhof een "mental disorder" aan te smeren.

In Nederland is blijkbaar een zelfde evolutie vast te stellen.

‘Tbs’er zit vaak ten onrechte blijvend vast’

[De Volkskrant 26/02/2008]

AMSTERDAM - De meeste tbs’ers die het predicaat onbehandelbaar krijgen, zijn dat niet. Toch worden zij langdurig opgesloten in een zwaar beveiligde longstay-afdeling. Daarmee is de longstay een verkapte vorm van levenslang geworden, waarbij van behandeling geen sprake meer is.

Dat schrijft de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) in een advies aan staatssecretaris Albayrak van Justitie. De Raad adviseert het huidige longstaybeleid af te schaffen. Er moet meer rekening worden gehouden met de verschillen tussen gevangenen en met hun mogelijkheden tot terugkeer in de samenleving.

Het aantal longstayplaatsen is tussen 2000 en 2006 bijna verzevenvoudigd (van 21 tot 143). Vóór 2005 moest een tbs’er minimaal zes jaar behandeld zijn in twee klinieken voordat hij op een longstay-afdeling geplaatst kon worden. In 2005 versoepelde toenmalig minister van Justitie Donner die eis na enkele incidenten met tbs’ers die op verlof opnieuw misdaden begingen. Tbs’ers komen nu eerder en op jongere leeftijd in de longstay terecht, terwijl ze daar volgens de RSJ eigenlijk niet thuishoren.

De raad wijst erop dat tbs oorspronkelijk is ingesteld met terugkeer in de samenleving als einddoel. De longstay heeft zich echter ontwikkeld tot een permanente variant van de tbs. De raad keurt dat af en stelt dat niet het risico op herhaling van de longstay’ers voorop moet staan, maar hun behandelbaarheid.

Een vrij grote groep longstay’ers zou onder toezicht en begeleiding in de samenleving kunnen terugkeren. ‘Er zijn niet zo veel psychopathische moordenaars’, aldus Arno Visser, voorzitter van de RSJ en oud-Tweede-Kamerlid voor de VVD. ‘Bij veel longstay’ers gaat het om mensen die niet zelfstandig kunnen wonen, daar hoeven geen drie hekken omheen. Die moet je vooral verzorgen, en minder met bewakers en prikkeldraad beveiligen.’

Dat kan gerealiseerd worden door het besluit over plaatsing naar een resocialisatieafdeling in handen te geven van de klinieken. Ondanks een verhard maatschappelijke klimaat ziet Visser kansen voor zo’n beleidswijziging: ‘De klinieken en politici moeten draagvlak creëren. Ik acht de kans groot dat Albayrak hiervoor openstaat. Ze weet van de hoed en de rand.’

Albayrak, in 2006 lid van de parlementaire onderzoekscommissie naar de tbs, benadrukt in een reactie dat zij werkt aan een nieuw longstaybeleid, maar dat ‘de maatschappelijke veiligheid’ uitgangspunt van beleid blijft.

Jos Poelmann, voorzitter van het landelijk beraad van directeuren van Forensisch Psychiatrische Centra, is enthousiast over het idee de huidige longstay af te schaffen.
 

Na Florida, nu New York

We hebben op deze blog reeds meermaals bericht over de strijd van Amerikaanse overheden om de overconsumptie van antipsychotica, in het bijzonder bij kinderen, in te dammen. Verleden week gaven we verslag van hoe in Florida het gevecht tussen patiënten, de publieke opinie, de overheden (die uiteraard hun gezondheidskosten in de hand willen houden) en de farma-industrie (met haar misleidende marketingstrategeiën) verloopt.
Ook in de Staat New York begint nu een ander te roeren. Het watervaleffect van vroegere schadeclaims m.b.t. antipsychotica en zoals Risperdal en Zyprexa en de ermee verbonden gerechtelijke onderzoeken lijkt niet meer te stoppen.

[Bron: Parents Against TeenScreen]

The State of Florida recently announced  they are reviewing their policy on antipsychotic drugs for kids. 
See here: http://www.news-journalonline.com/NewsJournalOnline/News/Headlines/frtHEAD03013108.htm and here:
http://www.pharmalot.com/2008/01/florida-medicaid-to-review-antipsychotics-adhd/
Now the New York Attorney General's office is planning to look into this: 
"Claims are paid without question based on a doctor's judgment that the drug is "medically necessary," even when it's not approved for kids, Medicaid officials said. But they added that the state plans to look closer at how and why some drugs are prescribed."
Letters can be sent here: http://www.nypost.com/postopinion/letters/letters_editor.htm
New York Post

By SUSAN EDELMAN susan.edelman@nypost.com  and MELISSA KLEIN

February 3, 2008 -- New York state's Medicaid program paid $82.8 million in 2006 for two dozen psychiatric drugs for tens of thousands of children - with many of the meds not FDA-approved for kids, records obtained by The Post show.

Use of the powerful antipsychotics, anticonvulsants and antidepressants once prescribed only for adults has skyrocketed as more New York kids are diagnosed with mental illnesses and behavioral disorders.

But experts fear some children may be misdiagnosed, overmedicated and at risk for horrendous side effects such as diabetes, breast growth in boys and suicidal tendencies. Most of the drugs have not been thoroughly tested or studied on kids. The psychiatric drugs are generally used - and can be effective - in treatment of schizophrenia, depression, bipolar disorder, autism, attention deficit-hyperactivity disorder, aggression and other behavior problems.

But state Health Department officials say they do not know what illnesses the children in the Medicaid program are suffering.

"Pharmacy claims do not require a diagnosis," a state Health Department spokeswoman said.

Claims are paid without question based on a doctor's judgment that the drug is "medically necessary," even when it's not approved for kids, Medicaid officials said. But they added that the state plans to look closer at how and why some drugs are prescribed.

The lucrative sale of the drugs also has drawn scrutiny from law-enforcement authorities in New York and other states. Several states are investigating whether pharmaceutical companies are illegally promoting the drugs to doctors "off label" - for uses not FDA approved.

Eli Lilly & Co. said last week it was subpoenaed by a federal grand jury in Pennsylvania seeking documents on the marketing of its best-selling antipsychotic, Zyprexa, which was prescribed to 2,647 New York Medicaid kids in 2006. Connecticut's attorney general has joined the probe.

John Milgrim, a spokesman for state Attorney General Andrew Cuomo, would not comment on the Zyprexa case, but told The Post: "We currently have open investigations regarding this kind of conduct. Marketing of pharmaceuticals for off-label usage may be a fraud on the state Medicaid program."

Risperdal was given to 17,393 New York Medicaid kids in 2006, making it the most heavily prescribed psychiatric drug in the program. It was recently approved by the FDA to treat autism but is also often prescribed for bipolar disorder in kids. It's blamed in lawsuits nationwide for side effects including diabetes caused by weight gain, Parkinson's-like movement disorders and gynecomastia, in which males grow breasts.

Stephen Sheller, a Philadelphia lawyer, said he has filed suits in New Jersey on behalf of four boys, ages 14 to 16 - two who underwent mastectomies.

"You blitz the kids, and they're under control," Sheller said, noting that the drugs often cause drowsiness. "They're out of it."

Dr. Mark Olfson, a psychiatry professor at Columbia University Medical Center, led a study published in September that found outpatient treatment of kids for bipolar disorder rose 40-fold from 1994 to 2003. Doctors frequently prescribed the kids mood stabilizers, antipsychotics and antidepressants. The study found an "urgent need" to evaluate the drugs' safety and effectiveness.

Olfson said Friday that many kids need help. "The much greater problem is that we have large numbers of young people in the United States with mental-health problems who receive no treatment," he said.

Medicaid's 2006 expenditure of $82 million on psychiatric drugs for children was up $8 million from the previous year and $15 million from 2004. In all, Medicaid counted more than 85,000 child recipients of psychiatric drugs in 2006 but said that number duplicates kids who got two or more drugs.

Brief aan de Nationale Loterij

Geachte Nationale Loterij,

Wij stellen vast dat U de vereniging Ups & Downs (vroeger Vlaamse Vereniging Manisch Depressieven) sponsort. Op de nieuwe website Ups & Downs vind je naast de Nationale Loterij nog 5 farmaceutische firma's plus de KBC-bank. We wijzen er u graag op dat als je op vergaderingen van VVMD - Ups & Downs durft te zeggen dat je geen medicijnen wilt nemen of als je niet gelooft dat de ziekte "erfelijk" is en dat je "je er niets kunt aan doen", je met grote waarschijnlijkheid gevraagd wordt op te hoepelen: je zou de andere leden kunnen "besmetten". Het tijdschrift van VVMD, met misschien 30 leden, is op rijk glanzend papier, vol reclame voor geneesmiddelen en zelfs voor elektroshocks. M.a.w. de Nationale Loterij steunt een vereniging die quasi volledig gefinancierd wordt door de farmaceutische industrie en effectief ook reclame maakt voor de geneesmiddelen van deze firma's, zelfs als deze op basis van onze eigen psychopathologisch competentie terzake niet aangewezen zijn. Eén van de firma's is Eli Lilly, voor het ogenblik internationaal onder vuur liggend na een schandaal in december 2006 waarbij op basis van door een werknemer uitgelekte documenten en interne research-studies bleek dat Eli Lilly met betrekking tot het antipsychoticum-geneesmiddel Zyprexa (ook in België veel gebruikt, o.a. bij manisch-depressieven) reeds wist dat dit geneesmiddel fatale diabetes kon veroorzaken (blijkbaar minstens één dodelijk geval in de proefstudies; wij zijn in het bezit van deze "Zyprexa-files", maar riskeren inbreuk op eigendomsrecht indien we ze aan de pers doorgeven) maar deze studies niet doorgaf aan de Amerikaanse Food & Drug Adfministration toen het geneesmiddel eind de jaren 1990 moest geregistreerd worden. Deze maand nog regelde Eli Lilly in de USA 900 schadeclaims in minnelijke schikking, wat het totaal op geregelde schadeclaims op 25.000 brengt, met nog 1.100 niet geregelde claims. In het totaal gaf Eli Lilly daarvoor nu reeds 1,2 miljard dollar uit.
Kortom: wij zouden U willen vragen deze sponsoring te herbekijken.

Hoogachtend,

Netwerk Psychiatrie & Sameleving

De Kleine Goedheid

Een Netwerker bezorgde ons zijn bedenkingen bij een artikel dat hij las in Tertio, het kwaliteitstijdschrift van het christelijk en meer bepaald katholiek denken in Vlaanderen. Het artikel en zijn bedenkingen dateren weliswaar van 2004, maar die bedenkingen hebben eind januari anno 2008 geenszins aan geldigheid ingeboet.

UIT DE PERS

TERTIO: het Vlaamse maandblad van de christelijke denkers.

In februari 2006 schreef Dr. Dirk De Wachter (43) over de vzw DE KLEINE GOEDHEID. Hij is diensthoofd systeem- en gezinstherapie in UC-Kortenberg St-Jozef (de psychiatrische instelling verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven) en heeft een eigen praktijk in Antwerpen. Hij volgt de filosoof Levinas in diens betoog:
"Het menselijk bestaan krijgt pas zin in de ogen van de ander.
 In de ontmoeting met de ander wordt mij een zin gegeven ".

Op die manier beleeft hij zijn job: het appel van een patiënt die voor hem zit en een beroep op hem doet, ervaart hij als bijzonder dwingend. En dan komt het veelal aan op kleine goedheid - "la petite bonté" - zegt Levinas. In het beste geval kun je hen iets beter maken, af en toe kun je de ziekte stabiliseren, maar vaak zie je patiënten achteruitgaan en kun je er alleen maar "zijn" (tijdens de werkuren).
De grote valkuilen waarin elke therapeut dreigt te trappen, zijn die van het cynisme enerzijds en de reddersfantasie anderzijds. De idee van de kleine goedheid, zeg maar de bescheidenheid van zorg, helpt hem die valkuilen te vermijden.

Dit roept bij mij enkele vragen op rond feitjes in het werkwereldje van de  psychiatrie:
1-In Brussel heeft de chef van de 100 beslist dat gecolloceerden (collocatie is in België nog steeds het courante woord voor “gedwongen opname”: er zijn er zo’n 1200 per jaar) enkel nog s'nachts vervoerd zullen worden. Dit wil zeggen dat een dringend gek geval de dag door maar in de politiecel moet blijven krijsen. Het geduld, dat goedkoop van de ellendige wordt gevraagd, moet wellicht komen uit zijn "petite bonté". Lonen en verzekeringen rond personeel zijn duur.
2- In de nieuwe wetsvoorstellen inzake internering en collocatie is voorzien dat alle kosten daaromtrent door de  zieke moeten worden betaald. Daarbij wordt natuurlijk aan de SIS-kaart gedacht, die aan gerecht en klinieken een vlotte toegang tot de gelden bij de ziekenkassen mogelijk maakt. De nachtmerrie is echter dat vele zieken niet in orde zijn met dat geSIS en  ook zo arm als Job zijn. Daarom worden nu ook maatschappelijk assistenten verplicht gesteld in de begeleiding en … zo kosten die dus weer meer.
3- Patiënten kunnen geen eigen psychiater betalen in tegensprekelijke procedures en bieden dus ondermaats weerwerk… wat een democratische must is in een beschaafd land. De rechter zal zowel een advocaat als een psychiater toewijzen aan de zieke en … dus weer kosten.
Psychiaters zoals Dr. Dillen weigeren dus soms expertises en de gek blijft maanden nagelbijtend nietsen in de cel, onveroordeeld. Nu onderhandelen psychiaters over erelonen met de procureurs en er is al aanvaard dat elk attest of deskundig verslag 100 € opbrengt voor de spoedgevallendienst van de  psychiater-stageair.
4- Dikwijls laat de psychiater een voorschriftje van 5 minuten door zijn secretaresse aanrekenen als  het honorarium voor een therapeutisch gesprek van 45 minuten.
5- Clinique Saint Luc in Brussel weigert nog gecolloceerden op te nemen en zegde zijn overeenkomst met de staat op. Ditzelfde overwegen alle Brusselse ziekenhuizen.
6- En zwijgen we maar over zieken, die om de haverklap een jong "doktoorke" voor zich krijgen terwijl de erelonen op naam van steeds dezelfde Psychiater worden geïnd zonder dat die ooit te zien is geweest.
7- De vakbonden en de verplegers: eisen minder uren te werken, meer aanwervingen enz…

LA PETITE BONTE is handig EN  PAST IN DE RECHTER BINNENZAK.
De  zieke is zeer verdraagzaam en bezit zo te zien misschien  meer goedheid.

De vraag is natuurlijk ...

... waarom zou je als verzekeringsmaatschappij een psychiater die gedurende een opname van 1 maand in een Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis die patiënt hooguit 30 minuten ziet (wat nog niet eens betekent dat hij of zij luistert), betalen op basis van een nomenclatuur die veronderstelt dat een psychotherapeutische sessie (per stuk) 45 minuten duurt?

[Bron: De Standaard]

Verzekeringen verwerpen psychische ziekten vaak

BRUSSEL - Niet alleen de overheid maar ook de verzekeringsmaatschappijen zijn te restrictief voor psychische ziekten.

De overheid zorgt niet voor een voldoende gedifferentieerd aanbod van behandelingen voor psychische aandoeningen. Zeker voor kinderen en jongeren is dit aanbod te beperkt.

De officiële ziekteverzekering is bovendien te terughoudend voor de terugbetaling van de behandeling van die aandoeningen. Maar dat laatste geldt nog veel meer voor de verzekeringsmaatschappijen die aanvullende ziektekostenpolissen ('hospitalisatieverzekeringen') aanbieden. Dat meldden verschillende lezers na de publicatie van het dossier Te Gek!?(DS 8 januari).

De twee nieuwe CD&V-senatoren, Pol Van den Driessche en Els Schelfhout, signaleren dat ook. En ze spreken daarover onmiddellijk met regelgevende gedachten in het achterhoofd.

'Verzekeraars zijn nog steeds niet verplicht om de terugbetaling van opnames in gespecialiseerde psychiatrische centra op te nemen in hun polis', luidt het in een gezamenlijke nota daarover. Als het van de twee senatoren afhangt, gaat dat veranderen. 'We nemen ons voor dat probleem politiek aan te kaarten', bevestigen ze.

Ze verwijzen naar het Vlaams Patiëntenplatform, dat bekwam dat de wet de rechten van chronisch zieken op zo'n verzekering vrijwaart. Ook mensen met een psychische aandoening mogen niet gediscrimineerd worden, vinden de twee senatoren.

De toestand verschilt van verzekeringsmaatschappij tot verzekeringsmaatschappij, ondervonden ze. 'Sommige verzekeraars betalen gewoon niets terug voor de behandeling van psychische aandoeningen, anders hanteren allerlei beperkingen. Vooral mensen die opgenomen worden voor verslavingen, vallen uit de boot.'

Veel verzekerden zijn daardoor al zwaar verrast geworden. 'Mensen gaat er - terecht - van uit dat alle ziekten voor terugbetaling in aanmerking komen', zeggen Schelfhout en Van den Driessche.

'Die verzekeringsmaatschappijen zitten nog volledig in de verouderde mentaliteit dat “geestelijke aandoeningen wel gefingeerd zullen zijn,.'

Bij de ziekenfondsen is de toestand anders, zeggen de senatoren. Navraag leert dat de aanvullende verzekering die ziekenfondsen aan hun leden bieden, doorgaans zelfs voorzien in de terugbetaling van kosten die de officiële ziekteverzekering verwerpt, bijvoorbeeld sessies bij een psycholoog.

De wettelijke ziekteverzekering betaalt alleen psychiaterbehandelingen terug.

******
Het viel natuurlijk te verwachten: elke politicus zal nu ook wel zijn graantje meepikken. Hoe meer geestelijk ongezonden, hoe beter voor iedereen!
Het wordt stilaan tijd dat we met onze hobby ophouden. Psychiatrie was eerst een tragedie, nu wordt het een Middeleeuwse wagenklucht. Toen we jong waren verzamelden we postzegels. Ligt de waarde van onze beschaving niet in ons verleden, ons "patrimonium"? (Maar wanneer we zagen met welke analiteit onze stiefvader postzegels verzamelde, hebben we toch onmiddellijk getwijfeld: zijn we nu neuroticus of psychoticus - of misschien zelfs pervert? We kozen voor de derde optie en begonnen overal aan te likken, maar niet meer aan postzegels.)

Idee voor een wetsvoorstel ??

Geachte Minister, Parlementair, Volksvertegenwoordiger, Senator,
Misschien een idee voor een wetsvoorstel ??
Reporting of Payments to Physicians
Laws and Bills

FEDERAL BILL
Physician Payments Sunshine Act of 2007
Introduced by Sen. Charles Grassley on Sep 6, 2007

MAINE LAW
2698-A. Marketing costs. Includes: 1)All expenses associated with educational or informational programs, materials and seminars and remuneration for promoting or participating in educational or informational sessions, regardless of whether the manufacturer or labeler provides the educational or informational sessions or materials; 2) All expenses associated with food, entertainment, gifts valued at more than $25 and anything provided to a health care professional for less than market value; 3) All expenses associated with trips and travel; and 4) All expenses associated with product samples, except for samples that will be distributed free of charge to patients; and the aggregate cost of all employees or contractors of the manufacturer or labeler who directly or indirectly engage in the advertising or promotional activities listed in paragraphs A and B, including all forms of payment to those employees. The cost reported under this paragraph must reflect only that portion of payment to employees or contractors that pertains to activities within this State or to recipients of the advertising or promotional activities who are residents of or are employed in this State. Excludes: A. Expenses of $25 or less; B. Reasonable compensation and reimbursement for expenses in connection with a bona fide clinical trial of a new vaccine, therapy or treatment; and C. Scholarships and reimbursement of expenses for attending a significant educational, scientific or policy-making conference or seminar of a national, regional or specialty medical or other professional association if the recipient of the scholarship is chosen by the association sponsoring the conference or seminar.

MINNESOTA LAW
151.47 WHOLESALE DRUG DISTRIBUTOR LICENSING REQUIREMENTS. (f) A wholesale drug distributor shall file with the board an annual report, in a form and on the date prescribed by the board, identifying all payments, honoraria, reimbursement or other compensation authorized under section 151.461, clauses (3) to (5), paid to practitioners in Minnesota during the preceding calendar year. The report shall identify the nature and value of any payments totaling $100 or more, to a particular practitioner during the year, and shall identify the practitioner. Reports filed under this provision are public data.

VERMONT LAW
4632. Pharmaceutical marketers. Annually on or before December 1 of each year, every pharmaceutical manufacturing company shall disclose to the office of the attorney general the value, nature, and purpose of any gift, fee, payment, subsidy, or other economic benefit provided in connection with detailing, promotional, or other marketing activities by the company, directly or through its pharmaceutical marketers, to any physician, hospital, nursing home, pharmacist, health benefit plan administrator, or any other person in Vermont authorized to prescribe, dispense, or purchase prescription drugs in this state. Disclosure shall include the name of the recipient. Disclosure shall be made on a form and in a manner prescribed by the office of the attorney general and shall require pharmaceutical manufacturing companies to report the value, nature, and purpose of all gift expenditures according to specific categories. The office of the attorney general shall report annually on the disclosures made under this section to the general assembly and the governor on or before April 1.

Newspaper Editorials and Articles on Disclosure
USA Today, March 20, 2007 Doctor-drug company laws questioned
Want to know if your doctor accepts money and gifts from drug companies? Minnesota and Vermont were the first two states to enact laws designed to shed light on the practice...California, the District of Columbia, Maine and West Virginia also have disclosure laws and similar legislation was proposed last year in 11 other states... Drug companies' efforts to influence doctors are pervasive. An article in the journal last year said about 90 percent of the industry's roughly $21 billion annual marketing budget is spent on doctors. The issue is important to consumers because doctors may end up recommending drugs because of industry influence, not patients' best interests...

New York Times, May 10, 2007 Psychiatrists, Children and Drug Industry’s Role
...the intersection of money and medicine, and its effect on the well-being of patients, has become one of the most contentious issues in health care. Nowhere is that more true than in psychiatry, where increasing payments to doctors have coincided with the growing use in children of a relatively new class of drugs known as atypical antipsychotics...including Risperdal, Seroquel, Zyprexa, Abilify and Geodon, A New York Times analysis of records in Minnesota, the only state that requires public reports of all drug company marketing payments to doctors, provides rare documentation of how financial relationships between doctors and drug makers correspond to the growing use of atypicals in children. From 2000 to 2005, drug maker payments to Minnesota psychiatrists rose more than sixfold... During those same years, prescriptions of antipsychotics for children in Minnesota’s Medicaid program rose more than ninefold. Those who took the most money from makers of atypicals tended to prescribe the drugs to children the most often, the data suggest. On average, Minnesota psychiatrists who received at least $5,000 from atypical makers from 2000 to 2005 appear to have written three times as many atypical prescriptions for children as psychiatrists who received less or no money.

USA Today, June 3, 2007 After Sanctions, Doctors Get Drug Company Pay
A decade ago the Minnesota Board of Medical Practice accused Dr. Faruk Abuzzahab of a "reckless, if not willful, disregard" for the welfare of 46 patients, 5 of whom died in his care or shortly afterward. The board suspended his license for seven months and restricted it for two years after that. But Dr. Abuzzahab, a Minneapolis psychiatrist, is still overseeing the testing of drugs on patients and is being paid by pharmaceutical companies for the work. At least a dozen have paid him for research or marketing since he was disciplined. Dr. John Simon, a Minneapolis psychiatrist ... earned more than $350,000 from five drug makers from 1998 to 2005 for consulting and giving drug marketing talks. Of this, Eli Lilly paid more than $314,000. Dr. Ronald Hardrict, a psychiatrist from Minneapolis who pleaded guilty in 2003 to Medicaid fraud. In 2004 and 2005, he collected more than $63,000 in marketing payments from seven drug makers. Gene Carbona, who left Merck on good terms in 2001 as a regional sales manager after 12 years in drug sales, said the only thing the company considered when hiring doctors to give marketing lectures was “the volume or potential volume of prescribing that doctor could do.”

New York Times, July 2, 2007 Editorial: Is Your Doctor Tied to Drug Makers?
Several states have tried to rein in abuses by requiring some form of disclosure, but every state law has defects, most notably a failure to make doctor-specific data readily available to the public. Last week Senator Herb Kohl, a Wisconsin Democrat who is chairman of the Special Committee on Aging, and Senator Claire McCaskill, Democrat of Missouri, said they would push for a national registry that would force drug and medical device companies to report their gifts and payments to physicians. The legislation ought to require electronic reporting of all payments to individual doctors for posting in a registry that could be easily searched from home computers. If there is nothing wrong with such payments, neither the doctors nor the industry should object to public disclosure.

Denver Post, August 9, 2007 Editorial: More disclosure needed on drug company payouts
When a doctor prescribes medication, we like to think it's in the best interests of the patient and not because the doctor is on a drug company's payroll.But patients in Colorado and most other states have no way of finding out how much money a drug company has paid a doctor. Some are paid tens of thousands of dollars by drug companies for all sorts of things, from consulting to attending seminars. It certainly raises concerns about whether the money influences their prescribing habits. U.S. Sen. Charles Grassley of Iowa plans to propose federal legislation requiring drug makers to disclose the payments they make to doctors. He wants the information placed on a federal registry available to the public. It's a proposal whose time is way overdue. Patients should have the opportunity to know about potential conflicts of interest.

Newspapers across the U.S. have written stories and editorials on disclosure of pharmaceutical payments and gifts to doctors.   
See here: http://www.psychsearch.net/disclosure.html  (webpage under construction)
Legislation was proposed last year in 11 states  and a federal bill was filed by Senator Grassley to require reporting of these payments.  

Euthanasie bij psychisch lijden: het standpunt van de Broeders van Liefde

Het mag vreemd lijken dat wij als radicale vrijdenkers en vrijgeestigen ons in de kwestie van euthanasie bij psychisch ondraaglijk lijden meer verwant voelen met de tsjeven van de Broeders van Liefde (de beheerders en eigenaars van het gros van de psychiatrische instellingen in Vlaanderen) dan met zekere vrijzinnigen die als echte fanatici zoveel mogelijk mensen willen euthanaseren, in het geval van "geesteszieken" zelfs als deze daarom niet gevraagd hebben. Ons standpunt is hier al meermaals verduidelijkt.
Vreemd ook dat onze vrijzinnige broeder (en ex-collega van onze coördinator aan de VUB) Prof. Wim Distelmans het vertikte antwoord te geven op een heel beleefde vraag tot verduidelijking van zijn standpunt terzake.
Hieronder dan maar het standpunt van de Broeders van Liefde, uiteraard in weinig militante taal geschreven, maar toch heel klaar en duidelijk.
http://www.fracarita.org/documenten/ethiek/ethisch%20advies%20ggz%20-%20%20euthanasie%20060111.pdf

Hoe antichristelijk als Nietzsche wij ook zijn, er mag wel aan herinnerd worden dat onder het nazi-regime priesters en dominees ongeveer de enigen waren die publiekelijk weerwerk boden aan de uitroeiingsprogramma's voor geesteszieken en mentaal gehandicapten (en de rest natuurlijk!).

Ook in de Sport met grote S !!

Of hoe ook in de sport de mens een zuiver lichaam wordt dat op ieder moment kan worden gecontroleerd, betast, etc. Maar in onderstaand artikel uit De Volkskrant van vandaag, waar terecht protest wordt geuit, doet men alsof alleen sporters er hun persoonlijke vrijheid hebben bij ingeschoten. Met de flexibilisering van de arbeid zijn er nog wel heel wat anderen die permanent "beschikbaar" en "bereikbaar" moeten zijn. Maar het is inderdaad wel zo dat bij topsporters één en ander groteske vormen begint aan te nemen. Dat komt er natuurlijk van als sport een business is geworden waar één wereldprestatie van hooguit 10 sec. of een ritzege in de Tour de France je schatrijk kan maken. Dan kweek je "cheaters" natuurlijk, of in het Westvlaams: mensen die zeuren!


‘Knevelarij bij Spelen is te gek’
[Bron: De Volkskrant: verslaggever John Volkers
gepubliceerd op 06 december 2007 02:51 , bijgewerkt op 6 december 2007 07:41]

AMSTERDAM - Het nieuws dat volgend jaar bij de Spelen van Peking de deelnemers voor dopingcontroles buiten wedstrijdverband – out-of-competition – elke twee uur hun verblijfplaats moeten opgeven, heeft tot ergernis en hoofdschudden geleid bij de jurist dr. Janwillem Soek. ‘Het wordt steeds gekker met de beperking van de persoonlijke vrijheid van sporters. Dit is knevelarij. Als sporter is er geen ruimte voor een persoonlijk leven. Dit kan echt niet.’

Soek is onderzoeker van het TMC Asser Instituut en schrijver van een proefschrift over de mensenrechten van sporters in dopingzaken. Hij geldt als een autoriteit in het schemergebied van privacy en topsport. Hij ondertekende deze zomer, na de zaak-Rasmussen, het manifest over ‘dopinginquisitie’.

‘Welke andere beroepsgroep dan de topsporters laat zich dit alles welgevallen? Per twee uur in Peking je verblijfplaats doorgeven. Niemand toch? Misschien militairen, bezig met een operatie.'

Privacy
‘Mijn stelling is dat het recht op privacy zoals dat in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt gegarandeerd, niet zomaar kan worden opzijgeschoven, als het de beroepssporter betreft. De landen die het Unesco-verdrag over de antidopingstrijd hebben aanvaard, kunnen waar dan ook en onaangekondigd een inbreuk plegen op het leven van hun onderdanen.

‘Hoe verhoudt dat zich tot artikel 8 van dat Europese verdrag, ieders recht op respect voor zijn privé-leven, zijn woning en zijn correspondentie. In lid 2 van dat artikel wordt bepaald dat zulk recht op privacy slechts onder nauw omschreven voorwaarden kan worden opgeschort.

‘Met enige goede wil kunnen die dopingcontroles buiten wedstrijdverband gerechtvaardigd worden op basis van de bescherming van de gezondheid, de goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Maar de discussie daarover is slechts academisch. Omdat het plegen van inbreuk op de privacy is voorbehouden aan openbaar gezag.’

‘Een antidoping instantie als WADA is een stichting, een private onderneming en valt niet onder die noemer van openbaar gezag’, zegt jurist Janwillem Soek. ‘De politie mag bij jou binnenkomen, de dopingpolitie heeft dat gezag niet. De Doping Autoriteit in Nederland is een private instelling en heeft geen enkel mandaat tot opsporingsactiviteit.'

Huwelijksfeest
‘Gunda Niemann, de schaatskampioene uit Duitsland, werd op haar huwelijksfeest gecontroleerd op doping. Out-of-competition. Sporters moeten zich op hun vakantie beschikbaar houden. Met welk recht gebeurt dit? Het ontbeert een wettelijke basis. Sterker: het is in strijd met de wettelijke basis.

‘Het is in mijn ogen een juridische luchtbel. Het recht in de wereld is gevormd, maar sport, uit dezelfde cultuur en beschaving voortgekomen, gaat zijn eigen regels schrijven.

‘Afstand doen, voor bepaalde tijd, van je mensenrechten, dat machtsmiddel komt aan een vereniging, zoals een sportorganisatie, niet toe. Toch verleent de door overheden gesanctioneerde wereld antidoping code (WADC) de sportorganisatie het recht sporters afstand te laten doen van hun recht op privacy.

Code
‘Ons land heeft die code mede ondertekend. Het is stilzwijgend door ons parlement gegaan. Er valt geen Kamerstuk over te vinden. De Nederlandse overheid zou moeten zeggen: we hebben iets over het hoofd gezien. En dan teruggaan naar het WADA. Maar niemand doet dat, want dan zal je worden uitgesloten van grote toernooien.

‘De sporter die tegen deze regeling bezwaar heeft gemaakt, de Kazachse wielrenner Kasjetskin, deed dat in het verkeerde land, België. Hij woonde daar al niet meer. De rechter heeft zichzelf vervolgens onbevoegd verklaard. Die zaak bloedt dood. En welke sporter durft het wel aan? Als je dat doet, lig je wel heel moeilijk in je eigen sport.

‘Dat het IOC voor de Spelen van Peking nog strengere regels aankondigt, kun je in deze wereld verwachten. Elke week wordt het nog gekker. Elke twee uur je verblijfplaats bekendmaken, straks word je elke minuut gevolgd, vanuit een satelliet. Als iedereen het met WADA eens is in het huidige antidopingbeleid, denkt het IOC: we kunnen misschien nog wel een stapje verder gaan. Zo zit de wereld in elkaar.’

Kinderpsychiaters er erger aan toe dan de Kinderen zelf?

Blijkens onderstaand artikel in de Artsenkrant zijn de kinderpsychiaters er blijkbaar erger aan toe dan onze kinderen zelf. De sukkels. Als je de klaagzang leest, krijg je de indruk dat die kinderpsychiaters veel meer geïnteresseerd zijn in geld dan in het helpen van kinderen. Geld om dan die kinderen te herscheppen naar hun "beeld en gelijkenis". En dat geld dat die kinderpsychiaters dan gebruiken om zo snel mogelijk een villa in Brasschaat of in Knokke te kunnen kopen, kan natuurlijk niet gaan naar de aanpak van de maatschappelijke mistoestanden die er precies voor zorgen dat kinderen met psychische problemen opgezadeld worden. De kinderpsychiaters zullen vermoedelijk denken: "hoe meer kinderen met problemen, hoe beter wij die kinderen kunnen gebruiken om van de overheid geld af te luizen voor onze eigen bollenwinkel!"

Hier het bewuste artikel in de Artsenkrant:

Kinderpsychiatrie is oorlogsgeneeskunde

Er zijn in ons land 300 kinderpsychiaters te weinig, schreef Artsenkrant korte tijd geleden. Dr. Jan De Corte, die al jaren op twee kinderpsychiatrische diensten werkt, beaamt dat volmondig.
“De situatie is ronduit schrijnend”, getuigt hij. “Onze sector is er zowel in Vlaanderen als Wallonië enorm slecht aan toe”, steekt De Corte van wal. Hij werkt op K-diensten in Genk en Sint-Truiden en is bestuurslid van de Vlaamse Vereniging voor kinder- en jeugdpsychiatrie.
“Zowel residentieel als ambulant kampen we met ellenlange wachtlijsten. Maar we zijn met te weinig, en onze patiëntjes betogen niet…”

Stress
Er woedt een heuse disciplinestrijd in de sector, vertelt Dr. De Corte. “Toen vorig jaar in de pers gewag werd gemaakt van een tekort aan kinderpsychiaters, kwam er onmiddellijk reactie van de psychologen. Je moet alles niet zo psychiatriseren, ook tussen psychologen en huisartsen kunnen we goede resultaten behalen, klonk het. Allemaal goed en wel, maar die mensen zijn hier nog nooit eens een dag komen kijken hoe wij werken. De telefoon staat niet stil, meestal schrijnende gevallen, die wij niet verwerkt kunnen krijgen. Dit is echt oorlogsgeneeskunde, met alle stress vandien.

Te veel jongeren komen terecht in belendende sectoren, zoals geestelijke gezondheidszorg en bijzondere jeugdzorg, zegt De Corte. Uit onderzoek is gebleken dat de helft van die kinderen een psychiatrische problematiek vertonen, weet hij. “Ik zeg niet dat die allemaal in de psychiatrie moeten worden opgenomen. Maar het is wel zo dat een aantal van hen in hun hele ziekteverloop niet één keer door een kinderpsychiater worden gezien.”
Ook in de intensieve ambulante zorg zijn er gigantische wachtlijsten, zegt de Limburgse arts. “Daardoor wordt de diagnose van bv. autisme of een hechtingsstoornis vaak te laat gesteld, en zijn er dikwijls al serieuze complicaties. En dat is schandalig in een land als het onze.”
Op Vlaams noch op federaal niveau worden de kinderpsychiaters au sérieux genomen, betreurt Jan De Corte. Hoeft het dan te verwonderen dat iedereen zijn boeltje pakt naar Nederland? De situatie in ons land steekt schril af met de goed ondersteunde en georganiseerde werking in Nederland, zegt hij. “Kinderpsychiaters worden er veel beter betaald, en hebben een beter sociaal statuut. Bovendien werd de kinderpsychiatrie in Nederland een paar jaar geleden erkend als knelpuntberoep. Dat betekent dat buitenlanders
die er gaan werken op 30% van hun inkomen geen belastingen hoeven te betalen.”

Volgens Dr. De Corte werken er momenteel zo’n 25 à 30 Vlaamse kinderpsychiaters in Nederland. De kinderpsychiaters hebben dringend nood aan een draagvlak. “Want dat hebben we duidelijk niet. Iedereen doet integendeel duchtig mee aan de verkleutering van het vakgebied. Er mag op straat en in de pers gelijk wat worden verkondigd over kinderen en adhd, wij hebben gewoonweg de tijd niet om op dat emotionele debat te reageren.
Je moet eigenlijk getikt zijn om nog kinderpsychiater te willen worden, zegt Dr. De Corte. Er moeten nu jaarlijks in Vlaanderen minstens 12 nieuwe kinderpsychiaters worden
opgeleid. “Maar daarmee blijven we gewoon in hetzelfde straatje voortsukkelen, als die nieuwkomers tenminste in België willen blijven.”

[Bron: Artsenkrant van vrijdag 19 oktober 2007]

Dwangarbeid zegeviert ook in Nederland

Bewust baanloze zwicht voor ‘repressie’

Interview  Van onze verslaggeefster Elsbeth Stoker
[De Volkskrant 31/10/2007]

Amsterdam - Bewust kiezen voor werkloosheid. Dit type werkloze is bijna uitgestorven.

Gertjan van Beijnum in zijn atelier in Den Bosch. Na ruim 28 jaar van een bijstandsuitkering te hebben geleegd, gaat Van Beijnum aan het werk. Hij begint voor zichzelf met het bedrijf Glaslicht-Glasinlood.
Bewust baanloze begint bedrijf

Liever een baanloos bestaan, dan een loze baan. Onder dit motto leeft de bewust baanloze Gertjan van Beijnum (51) al ruim 28 jaar van een bijstandsuitkering. ‘Het is niet dat ik niet kán werken, ik wil het niet. Ik ben tegen loonarbeid’, zei hij afgelopen april in de Volkskrant.

Vanaf morgen komt hier verandering in. Inmiddels is ook Van Beijnum – een van de laatst overgebleven aanhangers van de jaren-tachtig-beweging de Nederlandse Bond tegen het Arbeidsethos en zijn clubblad De luie donder – gezwicht voor de ‘repressie’ van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Deze wet werd in 2004 ingevoerd en heeft als doel iedereen die kan werken uit de uitkering te krijgen en naar de arbeidsmarkt te sturen. Donderdag begint Van Beijnum voor zichzelf met het bedrijf Glaslicht-Glasinlood.

‘Ik ben ervan overtuigd dat ik tot mijn pensioen een betaalde werkloze kan blijven’, zei je afgelopen april nog vol overtuiging. Waarom zwicht je nu ineens wel voor de 'repressie’?

‘Na de publicatie in de Volkskrant is de sociale dienst enorm gaan pushen. Vroeger lag ik onder op de stapel werklozen, nu lag ik opeens bovenop en wilden ze dat ik meteen aan het werk ging.

‘Daar heb ik bezwaar tegen gemaakt. In het verleden was er tijdens zo’n bezwaarprocedure nog wel enige ruimte voor discussie. Nu was de commissie unaniem: naar een reïntegratiebedrijf of intrekken die uitkering.’

De publicatie in de Volkskrant had een storm van kritiek tot gevolg. Op onder meer de website Geen-stijl werd je uitgemaakt voor nietsnutman en nietswiller. Sommige bezoekers van de site wilden je op 'een lek vlotje en bloedend uit diverse holtes’ de zee op sturen. Anderen opperden een werkkamp of een nekschot. Speelden deze bedreigingen en scheldwoorden ook mee bij je beslissing?

‘Ik was al bekend met de toon die sommigen aanslaan op site van Geenstijl of De Telegraaf. Ik trek me niets aan van die onderbuikgevoelens.’

Vanaf morgen ben je zelfstandig ondernemer. Waarom heb je daarvoor gekozen?

‘Ik ben in 2002 begonnen met het maken van glas in lood als hobby. Ik maakte het als vriendendienst, soms verkocht ik het tegen de kostprijs.

‘Toen de sociale dienst de druk opvoerde, begon het door mijn hoofd te spelen dat ik dit kan gaan doen voor de kost. Daarna is het allemaal heel snel gegaan. Ik weigerde dwangarbeid te verrichten voor een reïntegratie en werd in september 100 procent gekort op mijn uitkering. Daar werd ik erg giftig van, zeker omdat de sociale dienst al wist dat dit bedrijfje ook een optie was. Ik heb toen een ondernemersplan geschreven, dat werd goedgekeurd en kreeg alsnog mijn uitkering in september.

‘Vanaf morgen krijg ik nog een jaar lang een uitkering in de vorm van een lening. Afhankelijk van hoe het bedrijf loopt, wordt een deel van dit bedrag omgezet in een gift. Over een jaar ben ik definitief af van de sociale dienst.’

Als bewust betaalde baanloze heb je een afkeer van de kapitalistische maatschappij en winstbejag. Je streeft naar een wereld waarin iedereen gewaardeerd wordt om wat hij doet en een basisinkomen ontvangt. Kom je niet in gewetensproblemen nu je zelf ondernemer bent?

‘Ik probeer tussen mijn principes en de realiteit door te fietsen. Op mijn website zijn de door mij gemaakte glas-in-lood-ramen te koop en soms zal ik een opdracht krijgen. Hopelijk krijg ik bij die opdrachten de vrijheid en lijken ze niet te veel op rechttoe, rechtaan productiewerk.

‘Ik ben geen fan van woekeren en het willen van meer, meer en meer. Als het mij niet bevalt, kan ik opdrachten weigeren. Al jaren leef ik van 800 euro per maand. Als ik een dergelijk bedrag verdien, ben ik al dik tevreden.’

Heb je spijt van je uitlatingen dit voorjaar in de Volkskrant?

‘Nee, ik geef de voorkeur aan het leven van een uitkering en het doen van vrijwilligerswerk voor mijn website Kleintje Muurkrant en de stichting De Stelling. Maar het leven hoeft niet altijd precies te verlopen zoals ik wil.’

de geestelijke gezondheidszorg van de toekomst? of van 1984?

Och, in Vlaanderen hebben we dit ook.

[Bron: NRC-Handelsblad 27/10/2007]

Focus in wijken op aanpakken gezinnen

Rotterdam, 27 okt. Steden die geld krijgen van minister Vogelaar (Wonen, Werken en Integratie, PvdA) om hun probleemwijken aan te pakken, werken bijna allemaal aan soms vergaande plannen om in te grijpen in de levenssfeer van gezinnen in die wijken.

Minister Vogelaar op bezoek in Ondiep, een probleemwijk in Utrecht.    (Foto WFA) 

 

Dat blijkt uit een inventarisatie die deze krant maakte van inmiddels opgestelde plannen voor die wijken. Minister Vogelaar (zie foto: de minister op bezoek in Ondiep, een Utrechtse probleemwijk) heeft de steden om die plannen gevraagd.

Utrecht overweegt bijvoorbeeld in Kanaleneiland hulp bij de opvoeding verplicht te stellen als ouders van probleemgezinnen daar niet vrijwillig aan meewerken. Deventer wil ‘trajectbegeleiders’ die jongeren zonder diploma opsporen en terugbrengen naar school. Groningen is van plan nieuwe ouders een ‘felicitatiekoffer’ te geven, bezorgd door een welzijnswerker die meteen beziet of opvoedingsondersteuning gewenst is.

Het verst gaat Leeuwarden, dat waar nodig wil ,,aansturen op drang en dwang, dan wel bemoeizorg”, aldus de gemeente in het actieplan voor de wijk Heechterp-Schieringen. De stad wil alle werklozen in die wijk benaderen met een „niet-vrijblijvend voorstel”, bijvoorbeeld voor een leerwerkbaan. Zijn ze nog niet klaar voor een baan, dan is „intensieve lifecoaching” mogelijk.

Minister Vogelaar heeft de komende tien jaar 250 miljoen euro per jaar toegezegd voor de aanpak van veertig probleemwijken. Het geld is al verdeeld, hoewel Amsterdam, Alkmaar en Maastricht nog geen plannen hebben ingediend. Het meeste geld gaat naar de buurten met de meeste inwoners en de zwaarste problemen.

Red de Solidariteit

Enkele honderden vakbondsmilitanten smeden plannen om communautaire opbod te counteren

[Bron: Indymedia: http://www.indymedia.be/nl/node/
25/10/2007]

ANTWERPEN -- Op een infoavond in Antwerpen over de splitsing van de sociale zekerheid werd de temperatuur gemeten bij de militanten van de vakbonden. Deze week nog beraden het ABVV en het ACV zich over een mogelijke reactie op de communautaire plannen.

zaal2IMG_9610.jpg 

Met enkele honderden waren ze in de grote zaal van het ABVV-gebouw in de Ommeganckstraat in Antwerpen. Militanten van het ABVV en hier en daar ook van het ACV. “Het is nog geen stormloop zoals tijdens de vergaderingen over het Generatiepact, maar het toont dat er toch reactie begint te komen op de communautaire twisten”, stelde ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw tevreden vast. Serge Seret en Sven Naessens, de twee delegees die aan de basis liggen van de avond, hebben er ook hard voor moeten werken. Al in mei begonnen ze hun eerste pamfletten te versturen. De avond zelf werd verschillende keren uitgesteld omdat de tijd nog niet rijp was. Maar wanneer zijn de geesten wel rijp? Wachten op de media? “Ik zou me daar niet te veel illusies over maken”, zegt oud-journalist en Wallonië-kenner Guido Fonteyn. “Kranten zijn geen opiniekranten meer zoals in de tijd dat Het Volk nog een ACW-krant was en de Gazet van Antwerpen een echte katholieke krant. Het zijn commerciële bedrijven en hun standpunten leunen nauw aan bij de standpunten van de werkgevers.” Fonteyn ergert zich naar eigen zeggen ook aan het flamingante nieuws van VRT en de eenzijdige focus op Brussel en de rand in kranten als Le Soir. “Als je echt wil weten wat er leeft in Wallonië moet je Vers l'avenir en La nouvelle gazette lezen.”

guidoIMG_9636.jpg

"Het kan Vlaanderen ook overkomen"
Om informatie verspreiden zullen er dus andere kanalen gezocht moeten worden en daar draaide het rond op deze infoavond. Guido Fonteyn schetste de historische achtergrond van het huidige debat. “Van 1800 tot 1950 was Wallonië het eerste geïndustrialiseerde gewest van Europa. Er werd enorm veel geld verdiend met de export van ondergrondse rijkdommen als ijzererts, marmer en steenkool. Maar dat geld is nooit in Wallonië gebleven”, aldus Fonteyn. In diezelfde periode vocht het landelijke Vlaanderen tegen de hongersnood. “Alleen Antwerpen kon als haven profiteren van de Waalse export. En natuurlijk de vele Vlaamse gastarbeiders die in Wallonië gingen werken en die aanvankelijk wel met argwaan ontvangen werden, maar uiteindelijk toch geïntegreerd raakten.” Op die manier was er vanaf het einde van de oorlog tot de jaren zestig zelfs een transfer van zuid naar noord in de sociale zekerheid. Maar na 1950 valt heel die industrie weg. In de marmerindustrie in één stadje alleen al gingen er in een paar jaar tijd 15.000 arbeidsplaatsen verloren. “Wallonië werd na het eerste geïndustrialiseerde gewest ook het eerste gewest dat kreeg af te rekenen met delocalisatie. Maar wat Wallonië overkwam, kan ook Vlaanderen overkomen. Kijk maar naar de autoindustrie en de textiel”, waarschuwt Fonteyn. Voor hem is het duidelijk. “Als werkgeversorganisatie de splitsing van de sociale zekerheid vraagt, is dat omdat ze denken dat ze die in Vlaanderen zonder de PS makkelijker kunnen afbouwen”, aldus Fonteyn.

annIMG_9665.jpg

Grote uitdagingen
Ann Van Laer van het ACV wist in twintig minuten tijd het bouwwerk van de sociale zekerheid te schetsen. “Elke inwoner van dit land of hij nu zelfstandige, arbeider of politicus is komt voortdurend in aanraking met de sociale zekerheid. Dat wordt soms gereduceerd tot enkele uitkeringen, maar het gaat ook om gezondheidszorg, pensioenen, kinderbijslag, tijdskrediet, brugpensioen en zelfs dienstenchèques.” In die sociale zekerheid gaan enorme bedragen rond. In totaal gaat het over 60 miljard euro en daarvan gaat bijna de helft naar gezondheidszorg en 27 procent naar pensioenen. De sociale zekerheid wordt voor twee derden gefinancierd door de bijdragen op loon. Daardoor nemen de vakbonden als vertegenwoordigers van de werknemers ook deel aan het beheer van de sociale zekerheid. Ann Van Laer ziet drie uitdagingen opduiken. “Het aandeel van de bijdragen uit de lonen daalt door de opeenvolgende lastenverlagingen voor werkgevers. Daardoor moet de overheid extra geld geven, maar daar moeten we ze wel telkens opnieuw van overtuigen”, aldus Van Laer. De twee andere uitdagingen zijn de vergrijzing en de uitkeringen die achterop hinken op de stijging van de welvaart.

De manier waarop politici die uitdagingen te lijf gaan, baart Van Laer zorgen. “Ze stellen voor om de uitkeringen te beperken waardoor de armoede nog meer zou stijgen. Of ze zetten alles op de tweede en derde pijler in de pensioenen wat geen oplossing is voor mensen met een laag inkomen of in een zwakke sector. En de manier waarop ze meer mensen aan het werk willen krijgen zoals met het Generatiepact is ook zorgwekkend.”

rudyIMG_9709.jpg

Dominostenen
ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw nam het communautaire opbod in het vizier. “Gaan we het loonbeleid regionaliseren? Nu al worden we vergeleken met Frankrijk en Duitsland. Worden we binnenkort ook uitgespeeld tegen de Waalse werknemers? We gaan toch niet aanvaarden dat werknemers in hetzelfde magazijn in de rand van Brussel verschillende lonen hebben.” De Leeuw is niet van plan te laten raken aan de federale solidariteit. “Wij hebben dit systeem met onze hulpkassen uitgebouwd. Welke nationalist heeft daar aan meegewerkt? We mogen geen enkele domino laten vallen. Het moeilijkste wordt het dossier van de werkloosheid. Als we daar aan laten raken, dan valt heel ons systeem omver.”

En toen kwam de vraag waar het op een avond als deze allemaal omdraaide: wat nu? “Wij wachten op het geschikte moment om in gemeenschappelijk front te reageren”, zegt Ann Van Laer. Zij wijst er wel op dat het bijzonder moeilijk is om precies te weten wat er op tafel ligt. “Maar gaan we niet te laat zijn als we wachten tot er een doorbraak is”, vraagt Rudy De Leeuw zich af. Nog deze week steken de vakbonden de koppen bij elkaar om afspraken te maken. Ondertussen loopt de petitie Red de solidariteit door en komt er wellicht een concert in Brussel bij het bereiken van de 100.000 handtekeningen. Dat zou al eind november kunnen zijn.

schrijvenIMG_9672.jpg redIMG_9655.jpg zaalIMG_9625.jpg

"Prep Camps" in Nederland

Prep camp moet werklust opwekken

[artikel NRC Handelsblad 10 okt. 2007]

LET WEL: het gaat hieronder om Nederlands jongeren die nooit iets strafbaars hebben gepleegd, wat men ook moge suggereren !!!

De Nederlandse Jeugdminister Rouvoet wil in het hele land prep camps voor onhandelbare jongeren hebben. Voor de nodige dwangmaatregelen wordt gezorgd.

[Door onze redacteur Antoinette Reerink]

Morgen bespreekt minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChistenUnie) in de Tweede Kamer zijn plan om de komende vier jaar het hele land te voorzien van prep camps voor probleemjongeren zoals het Tilburgse meisje. Crossroads in Tilburg geldt als een van de voorlopers. Rouvoet wil in 2011 „een landelijk dekkend netwerk van campussen” voor jongeren tussen de 12 en 23 jaar die op een normale manier niet aan het werk of een opleiding te krijgen zijn; de zogheten „onwillige jongeren”.

Op de campus worden deze probleemjongeren, die nu soms uit verveling hele wijken terroriseren, naar een baan of school geleid. Ze wennen er aan een een strak dagritme en lange „werkdagen”. De bedoeling is dat ze weinig tijd over houden om rotzooi te schoppen en minder vatbaar zijn voor negatieve invloeden uit hun omgeving.

Heropvoedingskampen, prep(aration) camps, opvoedingsinternaten, drilkazernes, strafkampen, tuchtscholen of campussen. Jarenlang doken er in politiek Den Haag onder verschillende namen plannen op om hopeloze jongeren zonder strafblad op speciale locaties discipline, werklust of leergierigheid bij te brengen. Meestal waren het stoere luchtballonnen. De plannen bleken juridisch onhaalbaar omdat burgers niet van hun vrijheid mogen worden beroofd als ze geen strafbare feiten hebben gepleegd.

Crossroads in Tilburg begeleidt dan ook voornamelijk jongeren met een strafblad, op last van de kinderrechter. Maar aan het project doen ook jongeren mee die op het punt staan naar de criminaliteit af te glijden. Zij hebben nog geen strafbare feiten gepleegd. Niemand kan deze jongeren verplichten mee te doen.

„Uitgangspunt van de campussen is dat jongeren er vrijwillig heen gaan”, zegt Rouvoet. „Maar dat zal voor een aantal onvoldoende zijn.” In dat geval heeft de overheid twee dwangmethoden. Zo heeft het kabinet zich een leerwerk-plicht voorgenomen voor jongeren tot 27 jaar. Wie niet leert of werkt, kan dan een uitkering worden ontzegd, tenzij hij naar zo’n campus gaat. Ook krijgen burgemeesters met het wetsvoorstel bij extreme overlast grotere bevoegdheden om probleemjongeren bij de kladden te grijpen. Rouvoet onderzoekt of er aanvullende wetgeving nodig is.

Naar schatting komen er jaarlijks duizenden jongeren in aanmerking voor de opvoedkampen waarvoor tot 2011 een bedrag van 20 miljoen euro is gereserveerd. Het is een bescheiden bedrag gezien de kosten van een plaats in een prep camp. Die worden geschat op 40.000 euro per jongere per jaar. De duur van een verblijf op een campus varieert van vier maanden tot anderhalf jaar. Crossroads biedt begeleiding aan niet meer dan vijftien jongeren en is daar de komende drie jaar al meer dan twee miljoen euro aan kwijt.

In het land zijn nog acht andere experimenten met prep camps. Ze zijn voornamelijk gericht op jongeren die nog niet met justitie in aanraking zijn geweest. Bij slechts één, in de Friese gemeente Gaasterlân-Sleat, blijven de jongeren op de campus overnachten. De campus in de Friese gemeente Gaasterlân-Sleat is de enige die nog voldoet aan het beeld van de oude internaten, of jeugdkampementen waar premier Lubbers moeilijk opvoedbare kinderen in wilde afzonderen. Op de andere proefcampussen gaan de jongeren elke avond weer naar huis en treden de volgende morgen weer vroeg aan.

Het Rotterdamse experiment van Horizon stoomt 81 jongeren in levensechte minibedrijfjes klaar voor de arbeidsmarkt . Zij worden de hele dag onderworpen aan „een strak maar aantrekkelijk” lesprogramma dat na een jaar concrete perspectieven biedt op werk. Komen de leerlingen niet opdagen, dan worden ze met een busje opgehaald. Jeugdzorgmedewerkers sleuren ze dan bijna eigenhandig uit bed. Ook de ouders worden volgens Hans du Prie van Horizon „voortdurend en niet zachtzinnig” op hun verantwoordelijkheid gewezen.

De betrokkenheid van ouders vinden ook Kamerleden cruciaal. „Een integrale benadering met het gezin is heel belangrijk”, zegt Kamerlid Voordewind (CU). PvdA-Kamerlid Bouchibti wil een veel duidelijkere omschrijving van de doelgroep. „We kunnen niet 15.000 jongeren in campussen gaan plaatsen.” CDA-Kamerlid Sterk vraagt zich af of het nu wel goed is om het idee van de gesloten internaten te verlaten. „Zijn deze jongeren wel op het goede spoor te brengen in een twaalf-uursvoorziening?”

Het is niet goed om jongeren uit hun eigen omgeving te rukken en ze ver van de stad apart te zeggen, zegt PvdA-jeugdwethouder Hugo Backx uit Tilburg, verantwoordelijk voor Crossroads. „Als je dat doet kan je ze juist van de maatschappij vervreemden.”

Viva El Ché

Vandaag 9 oktober werd 40 jaar geleden Ché Guevara in Bolivia fysiek uitgeschakeld na een revolutionair leven dat nog steeds tot de verbeelding spreekt, zoals u kan zien op t-shirts op straat zowat overal ter wereld of in het ardente voetbalstadion van Standard Liège. We zullen hier niet uitweiden over El Ché, dat kun je dezer dagen wel in alle kranten.

Maar als tegengewicht voor de giftige propaganda dat Cuba een hel is voor geesteszieken en dat Fidel en Raoul in  min of meer geheime deals met de USA hun geesteszieken ruilen voor wat goederen waar Cuba gebrek aan heeft, geven we een verwijzing naar één der beste artikels die we gelezen hebben over het systeem van de geestelijke gezondheidszorg in Cuba, al dateert het van 1987, toch al bijna 30 jaar na de Cubaanse Revolutie.

Hosp Community Psychiatry 38:755-758, July 1987
© 1987
American Psychiatric Association
Mental Health Services in Cuba
Nick Kates F.R.C.P.(C)1
1 Department of psychiatry at McMaster University in Hamilton, Ontario, Canada

East Region Mental Health Services, 615 Britannia Avenue, Hamilton, Ontario, L8H 2A5

Despite its limited resources, Cuba has developed an integrated mental health system that emphasizes prevention and community care. It consists of three distinct organizations: the Committee for the Defense of the Revolution, one of many mass community organizations that strive to protect the revolution; the policlinics, which provide comprehensive health services to geographic areas containing 25,000 to 40,000 people; and the psychiatric hospitals. All three use treatment approaches that are based on a social systems model and that emphasize solving current problems and disturbances. Behavioral and milder psychiatric problems are treated by policlinic psychologists, in the community whenever feasible, and major psychiatric disorders are treated by psychiatrists at the hospitals. Services for children and adolescents, research, and staff training in Cuba are also discussed.

Michael Moore's SICKO

Eén dezer dagen is ook in onze bioscopen SICKO te zien, Michael Moore's film over de Amerikaanse gezondheidszorg, waar we ook hier bij ons ook snel naar evolueren.
Voor info over de film, zie o.a.:
http://www.moviemeter.nl/film/42351
http://www.indymedia.be/nl/node/10464
http://en.wikipedia.org/wiki/Sicko (Engels)

Voor de officiële SICKO site:
http://www.sicko-themovie.com/ (Engels)
http://www.sicko-lefilm.com/ (Frans)
Bij ons weten is er geen Nederlandstalige officiële site.

Invoering Wilsonbekwaamheid om Psychiatrisch Patiënt zijn Rechten te ontnemen

We hebben reeds meermaals aangehaald dat een Federale Commissie zich aan het buigen is over de rechten van de psychiatrische patiënt. De Wet betreffende de Rechten van de Patiënt geldt nu voor alle patiënten en dat zint de psychiaters niet (en blijkbaar ook niet de officiële patiëntenvertegenwoordigers van Uilenspiegel en Similes, deze laatste is overigens geen patiëntenvereniging, maar een vereniging van familieleden, maar in Vlaanderen is een persoon natuurlijk "eigendom" van zijn familie).

Ene Marie-Noëlle Veys van de Universiteit Antwerpen heeft nu een onderzoek gemaakt op maat van de psychiaters. Zie hieronder de voorstellen die zij doet aan de Minister. Ons vallen in ieder geval twee dingen op:

1. de beroepsbeoefenaar (psychiater dus) mag volledig eigenmachtig een psychiatrisch patiënt wilsonbekwaam verklaren, waardoor zijn rechten op informatie, op instemming met de behandeling en inzage van zijn dossier, enz. volkomen vervallen.

2. een handig kader wordt uitgewerkt om in alle omstandigheden dwangbehandeling mogelijk te maken wanneer de beroepsbeoefenaar dat wenst, zelfs wanneer de betrokkene weigert of zich verzet. Dwangbehandeling is voor het ogenblik wettelijk verboden.

Stellingen van Mevr. Veys

1. De rechtspositie van de minderjarige (psychiatrische) patiënt vereist verder onderzoek. In navolging van de Werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg heb ik besloten in dit onderzoek de rechtspositie van de minderjarige (psychiatrische) patiënt buiten beschouwing te laten (supra nr. 11). Maar ook hier kunnen vragen rijzen, zoals bv. met betrekking tot de verhouding tussen de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (B.S. 15 april 1965, err., B.S. 19 mei 1965) en de Wet Patiëntenrechten.

2.
Het toepassingsgebied van de Wet Patiëntenrechten zou moeten worden uitgebreid via de Wet Gezondheidsberoepen tot o.a. de klinisch psycholoog, de klinisch seksuoloog en de klinisch orhtopedagoog. Deze stelling is gebaseerd op het wetsvoorstel-Vandenberghe c.s., met de aanpassingen van de amendementen nrs. 1-4. Het houdt rekening met de opmerkingen van de Belgische Federatie van Psychologen en de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten (supra nrs. 29 e.v.).

3.
Het beroep van psychotherapeut moet een bijzondere beroepstitel worden. Zowel de Belgische Federatie van Psychologen als de Hoge Gezondheidsraad menen dat het beroep van psychotherapeut een bijzondere beroepstitel moet worden. De lege ferenda kan dit best gebeuren via art. 35ter Wet Gezondheidszorgberoepen (supra nr. 47).

4.
De wilsbekwaamheid van de patiënt wordt in concreto beoordeeld. In art. 14 § 1 en 2 Wet Patiëntenrechten staat dat de patiënt die niet in staat is om zijn rechten uit te oefenen, wordt vertegenwoordigd. “Wilsbekwaamheid” verwijst naar “in staat zijn”. In tegenstelling tot de handelingsbekwaamheid voor verlengd minderjarig verklaarden en gerechtelijk onbekwaamverklaarden (art. 13 § 1 Wet Patiëntenrechten), wordt de wilsbekwaamheid door de beroepsbeoefenaar beoordeeld. De beroepsbeoefenaar zal dus in feite vaststellen of de patiënt in staat is om zijn rechten uit te oefenen (supra nrs. 64 e.v.).

5.
De beoordeling van de wilsbekwaamheid is ook van belang voor de patiënt die wordt vertegenwoordigd. Die bepaalt immers de mate waarin hij moet worden betrokken bij de uitoefening van zijn rechten. In de Wet Patiëntenrechten staat immers dat de patiënt die wordt vertegenwoordigd zo veel mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen, moet worden betrokken bij de uitoefening van zijn rechten (art. 13 § 2 en art. 14 § 3 Wet Patiëntenrechten) (supra nrs. 71 e.v.).

6.
De patiënt die wordt vertegenwoordigd kan soms op basis van zijn wilsbekwaamheid in staat zijn om zijn rechten uit te oefenen met bijstand van de vertegenwoordiger. Dit kan worden afgeleid uit de verplichting om deze patiënt “zo veel als mogelijk en in de mate van zijn begripsvermogen” te betrekken bij de uitoefening van zijn rechten. In het gemene recht onderscheidt men twee vertegenwoordigingssystemen. Er zijn de vertegenwoordigingssystemen waarin de patiënt wordt vertegenwoordigd, d.w.z. dat hij zijn rechten niet meer zelf en zelfstandig kan uitoefenen. Daarnaast heeft men de bijstandssystemen. In een bijstandssysteem kan de persoon die wordt bijgestaan wel op eigen initiatief zijn rechten uitoefenen, maar volstaat zijn eigen optreden niet opdat daaraan rechtsgevolgen zouden worden verbonden. Zijn rechtshandeling moet nog worden bekrachtigd door de persoon die hem bijstaat. Een dergelijk bijstandssysteem kan m.i. ook worden gelezen in de Wet Patiëntenrechten, nl. wanneer de patiënt die wordt vertegenwoordigd over voldoende begripsvermogen beschikt om met bijstand van de vertegenwoordiger zijn rechten uit te oefenen (art. 13 § 2 en 14 § 3 Wet Patiëntenrechten) (supra nrr. 71 e.v.).

7.
De patiënt die wordt vertegenwoordigd, moet zich tot de ombudsfunctie kunnen wenden. In principe worden de rechten van de patiënt die wordt vertegenwoordigd, uitgeoefend door zijn vertegenwoordiger. Daaronder valt dan ook het recht om zich tot de ombudsfunctie te wenden (art. 11 Wet Patiëntenrechten). In de geestelijke gezondheidszorg blijkt de patiënt die wordt vertegenwoordigd in de praktijk nochtans dit recht toch te kunnen uitoefenen. In het gemene recht kan de gerechtelijk onbekwaamverklaarde of onder voorlopig bewind geplaatste persoon steeds persoonlijk om de opheffing van dat statuut vragen. Naar analogie daarvan zou de patiënt die wordt vertegenwoordigd ook steeds het recht moeten behouden om een zich tot de ombudsfunctie te wenden, omdat de ombudsfunctie juist een bemiddelingsfunctie kan uitoefenen waar het verkeerd gaat. Zo wordt de patiënt die wordt vertegenwoordigd beter beschermd (supra nr. 111).

8.
Derden zouden onder bepaalde voorwaarden een klacht bij de ombudsfunctie moeten kunnen indienen. Een patiënt kan bv. onterecht een vertegenwoordiger worden ontzegd. In die instantie heeft de patiënt nood aan bescherming. Die zou kunnen worden geboden door aan derden een klachtrecht te geven. Zij zouden zich dan tot de ombudsfunctie kunnen wenden wanneer zij het niet eens zijn met de beslissing van de beroepsbeoefenaar over de wilsbekwaamheid van de patiënt. De ombudsfunctie zal dan wel steeds contact moeten opnemen met de patiënt zelf (supra nrs. 113-115).

9.
Het recht op bijstand door een arts in de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke, moet ook het recht impliceren dat de kosten die die bijstand met zich meebrengt, niet moeten worden gedragen door de patiënt. Deze stelling kadert in het recht op vrije keuze van de beroepsbeoefenaar (art. 6 Wet Patiëntenrechten). Op basis van de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke heeft de te beschermen persoon het recht om zich tijdens de procedure te laten bijstaan door een arts (psychiater) naar keuze. Het is echter niet duidelijk of hij de kosten van die bijstand zelf moet dragen (art. 34 Wet Bescherming Persoon Geesteszieke). Als de wetgever bepaalde personen een recht op bijstand geeft, dan moet dat recht ook in de praktijk kunnen worden uitgeoefend. De lege ferenda zou de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke in dat opzicht ondubbelzinnig moeten worden geformuleerd (supra nr. 150).
Tijdens de observatieperiode of het verder verblijf in een psychiatrische dienst heeft de patiënt het recht om bezoek te ontvangen van een door hem vrij gekozen arts (art. 32 § 2, lid 2 Wet Bescherming Persoon Geesteszieke). Deze arts heeft ook een zekere controlerende rol. In de nomenclatuur is hiervoor geen terugbetaling voorzien. De lege ferenda is dat om de in de vorige paragraaf uiteengezette reden wel wenselijk (supra nrs. 151-152)

10.
Het recht op informatie kan in de praktijk worden versterkt door de beroepsbeoefenaar de nodige communicatievaardigheden aan te leren en door daarnaast de patiënt ook schriftelijk informatie te verstrekken. In de praktijk zijn er klachten rond een gebrek aan luisterbereidheid en omgangsvormen (supra nr. 172). Een degelijke informatieverstrekking kan ook therapeutisch nuttig zijn (supra nr. 174). Wanneer de beroepsbeoefenaar de nodige communicatieve vaardigheden krijgt aangeleerd en eventuele zich ook permanent moet bijscholen, zullen volgens de voormalige Nederlandstalige federale ombudspersoon het aantal klachten over een goede informatieverstrekking afnemen (supra nr. 180).
Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek meent dat er voor gedwongen opgenomen patiënten extra maatregelen moeten worden genomen om hen beter te informeren. Het beveelt naast een mondelinge informatieverstrekking een schriftelijke toelichting aan. Dat zou bv. door meedeling van het huishoudelijk reglement kunnen gebeuren. In de praktijk gebeurt dit nu reeds – voor alle patiënten – in bepaalde instellingen (supra nr. 181).

11.
De therapeutische exceptie kan slechts tijdelijk worden toegepast en nooit wanneer de beroepsbeoefenaar de geïnformeerde toestemming van de patiënt vraagt. Vanuit de medische wereld wordt steeds meer het belang van een volledige informatieverstrekking beklemtoond. Ook het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek is in een recent advies over de therapeutische exceptie echter terughoudend wat de toepassing ervan betreft. De therapeutische exceptie kan enkel uitstel betekenen en nooit afstel. Het doel van de therapeutische exceptie lijkt vanuit een goede medische en ethische praktijk niet zozeer het verzwijgen van informatie te zijn, als het uitstellen tot een moment waarop de omstandigheden (bv. meer tijd) zich lenen tot een betere informatieverstrekking. De Wet Patiëntenrechten laat echter geen toepassing van de therapeutische exceptie toe wanneer de geïnformeerde toestemming van de patiënt wordt gevraagd. Op dat moment moet de informatieverstrekking steeds volledig zijn, ook met betrekking tot de gezondheidstoestand van de patiënt (supra nrs. 209 e.v.).

12.
De patiënt die wordt vertegenwoordigd heeft recht op informatie. De patiënt die wordt vertegenwoordigd, moet immers zo veel mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen worden betrokken bij de uitoefening van zijn rechten (art. 13 § 2 en art. 14 § 3 Wet Patiëntenrechten) (supra nr. 215).

13.
De Wet Bescherming Persoon Geesteszieke is een lokalisatiewet. Voor de behandeling van de psychiatrische patiënt is de Wet Patiëntenrechten van toepassing.
De Wet Bescherming Persoon Geesteszieke voorziet enkel in een regeling voor de in observatieneming en het verder verblijf in een psychiatrische dienst en in een maatregel tot verpleging in een gezin. De Wet Patiëntenrechten bepaalt welke regels er moeten worden nageleefd wanneer patiënten die op wie een maatregel in de zin van de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke van toepassing is, worden behandeld (supra nr. 229).

14.
“Verzet” is een begrip dat moet worden voorbehouden voor patiënten die worden vertegenwoordigd. Op die manier wordt een onderscheid gemaakt tussen wilsbekwame en handelingsbekwame patiënten en hun recht om een tussenkomst te weigeren of hun toestemming in te trekken (art. 8 § 4 Wet Patiëntenrechten) (supra nr. 276).

15.
De ouders en de voogd kunnen op basis van de gemeenrechtelijke regeling toestemmen in de opname van de patiënt die ze ertegenwoordigen, wanneer deze zich hiertegen niet verzet. De ouders of de voogd vertegenwoordigen op basis van het gemene recht immers ook de verlengde minderjarige of de gerechtelijk onbekwaamverklaarde in de uitoefening van zijn persoonlijkheidsrechten, daaronder valt ook de opname van deze patiënten (supra nr. 257).

16.
Als de patiënt die wordt vertegenwoordigd, zich verzet tegen de opname, moet de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke worden toegepast.
Het is mogelijk dat er onvoldoende of geen rekening wordt gehouden met de wilsbekwaamheid van deze patiënt en dus met zijn verzet. De Wet Bescherming Persoon Geesteszieke kan dan voorkomen dat deze patiënten onterecht worden opgenomen (supra nrs. 256-257).

17.
De vertegenwoordiger in de zin van art. 14 § 1 en 2 Wet Patiëntenrechten zou over de mogelijkheid moeten kunnen beschikken om toe te stemmen in de opname van de patiënt die hij vertegenwoordigt, wanneer deze zich niet verzet. De lege lata beschikt hij m.i. niet over die mogelijkheid, nu de Wet Patiëntenrechten van toepassing is op de rechtsverhouding tussen de beroepsbeoefenaar en de patiënt (supra nr. 258).

18.
Dwang is elke tussenkomst die plaatsvindt ondanks de weigering of het verzet van de patiënt.
De mogelijke definities van dwang worden overlopen in de nummers 259-276.

19.
De ontvankelijkheidsvoorwaarde voor een verzoek tot in observatieneming of verpleging in een gezin zou moeten worden versoepeld. Wanneer de indiener van het verzoekschrift geen omstandig medisch verslag kon verkrijgen, zou de vrederechter onder bepaalde voorwaarden een deskundige moeten kunnen aanstellen.
Het omstandig medisch verslag moet worden opgesteld op basis van een onderzoek dat wordt verricht met het oog op het opstellen van het verslag. Dat onderzoek moet in overeenstemming met de Wet Patiëntenrechten verlopen. Dat wil zeggen dat de geïnformeerde toestemming van de feitelijk en handelingsbekwame patiënt is vereist.
Wanneer de patiënt weigert om zich te laten onderzoeken, kan er dan ook geen omstandig medisch verslag worden opgesteld.
De lege ferenda zou de vrederechter dan een deskundige moeten aanstellen. De Nationale Raad voor de Ziekenhuizen heeft reeds in die zin een voorstel geformuleerd: “Wanneer de verzoeker in de volstrekte onmogelijkheid is om zich te
voorzien van het bedoeld verslag, dan stelt de vrederechter bij toepassing van art.594,1.GWB een geneesheerdeskundige aan; deze vergezelt de vrederechter bij zijn bezoek aan de zieke zoals bedoeld in art.7§2 en geeft op zicht van zijn bevindingen een advies hetwelk in het PV van bezoek wordt genoteerd.” (supra nr. 284).

20.
De lege lata is een dwangbehandeling mogelijk wanneer de patiënt wordt vertegenwoordigd en er rekening werd gehouden met het verzet van de patiënt door hem zo veel als mogelijk en in verhouding tot zijn begripsvermogen te betrekken bij de uitoefening van zijn rechten. Door de dwangbehandeling niet expliciet te legitimeren, wordt ze niet als iets vanzelfsprekend aangezien. Deze benadering houdt rekening met de kritiek die op de wettelijke regeling van de dwangbehandeling in het buitenland wordt gegeven. Door de dwangbehandeling te koppelen aan de wilsonbekwaamheid of handelingsonbekwaamheid, wordt de autonomie van de patiënt zo veel mogelijk geëerbiedigd. Bovendien is ook bij vertegenwoordiging het gebruik van dwang niet vanzelfsprekend. Er zal immers rekening moeten worden gehouden met het verzet van de patiënt. Deze verplichting volgt uit art. 13 § 2 en art. 14 § 3 Wet Patiëntenrechten. Impliciet zit in deze bepalingen dan ook de verplichting vervat om het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel te eerbiedigen (supra nrs. 335 e.v.).

21.
Het ethisch comité zou de functie van beroepsinstantie/adviesinstantie en toezichtsinstantie in individuele gevallen moeten krijgen, met betrekking tot:
o klachten over de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de patiënt;
o het gebruik van dwang;
o situaties waarin de beroepsbeoefenaar de patiënt vertegenwoordigt.
Oorspronkelijk hadden de ethische comités de bevoegdheid om te worden betrokken in individuele gevallen inzake ethiek, maar omwille van een bevoegdheidsoverschrijding werd deze bepaling door het Arbitragehof vernietigd (supra nr. 360). Het ethisch comité lijkt me de geschikte instantie omdat:
o het zowel uit artsen als uit een jurist bestaat;
o het minder formalistisch is dan een rechterlijke instantie;
o de ombudsfunctie een bemiddelaar is en geen beroepsinstantie;
o er dan geen nieuwe instantie moet worden opgericht;
o er in de opgesomde situaties behoefte kan bestaan aan een beroepsinstantie of een “watching dog” (supra nrs. 119, 359-360 en 453 e.v.)

22.
Een dwangbehandeling van patiënten die niet worden vertegenwoordigd, moet via de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke worden geregeld. Een dwangbehandeling van wilsbekwame patiënten op basis van de Wet Patiëntenrechten zou afbreuk doen aan het recht op geïnformeerde toestemming en weigering (art. 8 Wet Patiëntenrechten) (supra nrs. 327 e.v.).
Ik ben echter geen voorstander van het voorstel van een regeling van dwangbehandeling via de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke (supra nrs. 310 e.v.) omdat er in de praktijk geen groot verschil bestaat tussen vrijwillige en onvrijwillige patiënten en dat een aantal patiënten dan onvoldoende bescherming zouden genieten (supra nr. 325). Bovendien wordt er in het buitenland soms sterke kritiek geuit op een wettelijke regeling van de dwangbehandeling (supra nrs. 335 e.v.).

23.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het gebruik van dwang als behandeling en het gebruik van dwang ter beveiliging. Beveiligingsmaatregelen moeten ongeacht de wilsbekwaamheid van de patiënt en ongeacht hun statuut (vrijwillige of onvrijwillige patiënten) kunnen worden toegepast. Een wettelijke regeling moet van toepassing zijn op iedere patiënt, opdat iedere patiënt eenzelfde bescherming geniet. Hoewel ik geen voorstander ben van een regeling van de dwangbehandeling op basis van de wilsbekwaamheid, meen ik dat beveiligingsmaatregelen (zoals fixatie en isolatie) wel steeds moeten kunnen worden aangewend om onmiddellijk dreigende schade voor de patiënt of derden te voorkomen (supra nrs. 366-367).

24.
Er is verder onderzoek vereist over de voorafgaande wilsverklaring. Hier werd in de werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg nauwelijks aandacht besteed. Toch meen ik dat hierover nog heel wat vragen kunnen rijzen en dit niet alleen ten aanzien van psychiatrische patiënten (supra nrs. 339 e.v.).

die hypocrieten toch

De Vlaamse overheid (het Vlaamse Agentschap Zorg en Gezondheid) verspreidt via het tijdschrift Klasse voor Ouders zo maar eventjes 70.000 folders waarin ze waarschuwt voor de gevaren van gsm-gebruik door kinderen. Alhoewel er geen enkele wetenschappelijke studie bestaat die een sluitend bewijs levert voor de schadelijkheid van gsm-straling. De Vlaamse overheid beweert via haar woordvoerder dat de folder nodig is "omdat ouders vaak via het Internet op zoek gaan naar studies over de gevaren, waar ze al te vaak zogenaamd wetenschappelijke informatie te lezen krijgen die door de industrie gesponsored werd." Wel, wel!

Dat zal natuurlijk wel waar zijn. Maar moet de Vlaamse overheid op de duur de ouders niet op het hart druikken dat hun kinderen best twee keer nadenken voor ze lucht inademen?

In ieder geval waarschuwt dit agentschap Zorg en Gezondheid de ouders niet voor het gebruik van psychofarmaca allerhande door kinderen. En hier bestaan wel ernstiger wetenschappelijke aanwijzingen dat heel wat van deze medicijnen die met massa's geld van "de industrie" op Internet worden gepropageerd en waarvan het voorschrijven de artsen via handig opgezette 'informatie' en marketing wordt ingelepeld, WEL schadelijk zijn, zowel op korte als op lange termijn.
 

Risico-taxatie

Eén der recente nieuwigheden in de psychiatrie draagt de naam "risico-taxatie", waarbij patiënten gecodeerd worden als "low", "medium" of "high" riskant, een voorspelling van de mate dat ze riskeren agressief of baldadig te worden. Het systeem deed zijn intrede rond 2000.
Op de meeste afdelingen in psychiatrische ziekenhuizen worden de patiënten tegenwoordig "getaxeerd". De vermelding "low risk", "medium risk" of "high risk" wordt in een apart dossier bijgehouden.
De verzekeraars houden met de taxatie rekening voor de bepaling van de verzekeringspremies.
Meteen kwam ook in de psychiatrie het thema veiligheid bovendrijven: voor het personeel is het een belangrijk gegeven of ze eventueel gevaar lopen door een "high risk" patiënt bedreigd of aangevallen te worden. Door de patiënten vooraf een code toe te kennen (vóór hij of zij ook maar iets uitgespookt heeft) ligt meteen ook vast hoe hij/zij zal aangepakt worden wanneer de patiënt een crisissituatie doormaakt.
In de meeste psychiatrische ziekenhuizen wordt over het veiligheidsthema maandelijks overlegd tussen directie en vakbondsafgevaardigden. Zo wordt het verplegend personeel van begeleiders, die voor veel patiënten dikwijls een vertrouwenspersoon waren (veel meer in ieder geval dan de psychiater), weer toezichters en bewakers, een terugkeer naar een situatie van dertig jaar geleden. De "risico-taxatie" is ook op de gewone afdelingen, waar in principe weinig agressieve patiënten aanwezig zijn maar waar er soms toch ook herrie is, echt "in" geworden en ze wordt op uitdrukkelijk verzoek van het personeel en de vakbondsafgevaardigden ingevoerd. Dit leidde in veel instellingen b.v. tot de regel dat een isoleercel slechts door 2 verplegers tegelijk mag betreden worden, op basis van afspraken met het ministerie.

De psychiater kan in geval van "grensoverschrijding" door de patiënt deze in een andere risk-categorie onderbrengen. Zo gebeurt het dat in het Oosten van het land "mediums" die door één of ander incident tot "high risk" zijn bevorderd, vanuit de privé-ziekenhuizen van Caritas naar de staatsinstelling in Rekem worden overgeplaatst.

Het is zeer de vraag of het meetinstrument waarmee de codes "low", "medium" en "high" worden toegekend, wel deugen. Experts zoals de psychiater prof. Cosyns en deskundigen van de Faculteit Rechten van de KUL vinden de meetschaal broodnodig, maar zij geven toe dat fouten inherent zijn aan het systeem van de risicovoorspelling en dat elke meting in wezen toch een beetje nattevingerwerk is.

Het is ook de vraag of het gebruik van het meetinstrument voor risicovoorspelling niet moet worden gemotiveerd in het patiëntendossier met recht op tegenspraak en weerlegging door de nauwst betrokken partij, de patiënt dus. Maar sedert 2003 heerst de ongeschreven wet dat de psychiaters de risicovoorspelling rekenen bij hun "persoonlijke notities" wat betekent dat deze gegevens volgens de wet niet (zoals wel het geval is voor het medisch dossier) mogen ingekeken worden door de patiënt noch aan hem of haar mogen worden meegedeeld.

Er is nu ook een interuniversitaire opleiding met specialisatie "risico-taxatie" voorzien: zowel juristen, geneesheren als psychologen mogen zich inschrijven voor deze opleiding en bij succes zich risico-deskundigen noemen.

De risicovoorspelling lijkt noodzakelijk en vanzelfsprekend voor geïnterneerden, "psychisch zieken" die criminele feiten hebben gepleegd. Zo heeft minister Onckelinx besloten om prof. Cosyns in de buurt van Antwerpen een spiksplinternieuw gebouw te offreren voor "medium risk" geïnterneerden.
Bij Caritas lopen subsidie-aanvragen voor de privatisering van de bewaking van de "low risks". Er lopen reeds projecten in Bierbeek en Rekem met een ligdagprijs die drie maal zo hoog is als de normale. In Zekeren (St-Truiden) is er de nieuwe afdeling "Limes" (grens in het Latijn) waar "medium" mentaal gehandicapten met een strafblad "gewassen" worden. Zijn ze niet braaf, dan vliegen ze naar de gevangenis of als "high risk" naar Rekem. Daarover hebben Caritas-ziekenhuizen "stringente afspraken" met de parketten.

Organisatie van de gedwongen opname (i.h.b. in Brussel)

Zoals we op deze weblog enkele maanden geleden al berichtten, maakte het wetenschappelijk tijdschrift EOS verleden jaar melding van wat iedereen eigenlijk al 10 jaar weet, nl. dat de uitzondering de regel werd bij collocaties (“gedwongen opname”). Waar de in de wet van 1991 voorziene dringende noodprocedure via de Procureur des Konings bedoeld was als uitzondering en dam tegen ontsporingen (ontsporingen die legio waren bij de vroegere collocatiewetgeving) is de noodprocedure nu regel en de “normale” procedure uitzondering geworden.

Alleen zijn er nog veelsubtielere wijzigingen bezig en merkbaar. In de dorpen krijgt de Procureur het nodige "schriftelijk attest" van de arts (art 9) en een huisbezoek aan de geestesgestoorde wordt betaald door het RIZIV, zoals de wet stipuleert.

In Brussel levert de politie echter menig persoon af op de "dure" spoedgevallen. Daar zijn de directie, de dokters en de verpleging niet gediend met 1 consultatie-honorarium. Daarom kwam er onderhands gesjacher tussen de procureur en de ziekenhuizen. Men vond een nieuw onwettig, maar duur woord uit voor art.9, namelijk "het expertiseverslag" en voor dit papier van een dokter-stageair zou de spoedkassa 84 € krijgen van de kas van de procureur in Brussel althans.
Om de aanslibbing te voorkomen en een vlotte verdeling en versassing van kandidaten naar de "verbonden" psy-instellingen te verzekeren, maken politie, parket en spoedgevallendiensten blijkbaar gebruik van de centrale anti-terreurlijn, de NIXON-lijn te Brusssel (grappig? jazeker).
De wet voorziet dat enkel 100-ziekenwagens het vervoer mogen doen. Dezen hebben echter hun handen vol en gruwen van de slechte betaling door arme, soms brutale gekken (de gedwongen opgenomen geestesgestoorde moet immers zelf de kosten voor transport naar het psychiatrisch ziekenhuis betalen) endoor de Staat. Verder wensen ze gecolloceerden enkel nog ‘s nachts te leveren, zodat de kwaadwordende zieke soms meer dan 24u. in "armzalige isolatie" zit in een cel of een gesloten kamerke ergens op de Spoed (b.v. de zogenaamde Blauwe Kamer op de spoed van het AZ-VUB Jette, nu UZ by the way). M.a.w. dus soms langer dan de 24 u van een administratieve aanhouding!). Nu wil men dat ook privé-ziekenwagens de levering mogen doen.

De ziekenhuizen zien nog kosten te verzilveren: een PC-programma moet op poten gezet worden voor de dispatching en ze vragen hiervoor dan weer geld van minister Onckelinx.
En nog geld: zij willen subsidies van minister Demotte voor een wetenschappelijk project "gedwongen opname" met het oog op “kwaliteitsbevordering”. Alleen moet de "testbatterij" van een 30-tal  uitgelezen gecolloceerden nog terloops inzage willen verlenen in hun dossiers, wat inbreuk i sop de wettelijk voorziene privacy.

PS:
aantal zaken m.b.t. gedwongen opname voor de vrederechter in Landen : 1 (één) in 2006.
en in St Truiden: 600 (zeshonderd) voor die vrederechter aldaar in 2006.
Maar in de streek van St-Truiden liggen twee psychiatrische instellingen van de Broeders en Zusters van Liefde.
De wet zegt dat bij gedwongen opname het vredegerecht van "de plaats waar de patiënt zich bevindt" bevoegd is. De zieken (b.v. uit Landen) worden dan de week voordien kilometers ver versast naar een psychiatrische instelling (b.v. St-Truiden, waar de contacten tussen vrederechter en ziekenhuisdirecties en psychiaters op een jarenlange geschiedenis kunnen bogen).
Ongetwijfeld wist de "wijze" wetgever in 1991 reeds op voorhand dat dit soort praktijken schering en inslag zouden worden. Sinds 1985 werkten inderdaad Caritas-mensen (Caritas bezit en beheert het leeuwenaandeel van de Vlaamse ziekenhuizen; wij noemen b.v. ere-magistraat Oscar Vandemeulebroucke) achter de coulissen aan het wetsontwerp. Ook nu werkt deze Vandemeulebroucke werkt al 8 jaar aan 2 nieuwe wetten i.v.m. internering en gedwongen opname ten dienste van premier Yves Leterme in 2007.

Hieronder geven we u een verslag van de Werkgroep Gedwongen Opname-Intervisie die zich in Brussel buigt over de “organisatie” van de gedwongen opname. In die commissie zetelen hoofdpsychiaters en administrateurs van Brusselse ziekenhuizen, procureurs en politiemensen.

in NL mogen nu ook verpleegkundigen pillen geven en voorschrijven

Wat moeten we hierover denken? Een nieuwe doelgroep voor de farma-industrie? Een opwaardering van het paramedisch personeel?

[Overgenomen van ezine Psy: http://psy.nl/index.php?id=88&tx_ttnews[tt_news]=141&tx_ttnews[backPid]35&cHash=1a3287b599

Verpleegkundigen mogen pillen voorschrijven

Verpleegkundigen kunnen in de nabije toekomst medicijnen voorschrijven. Dat is mogelijk omdat de Eerste Kamer de nieuwe Geneesmiddelenwet heeft aangenomen. Sommige verpleegkundigen geven patiënten nu al op eigen initiatief pillen, zo blijkt uit een onderzoek van het Nivel.

Bijna driekwart van de onderzochte verpleegkundigen uit alle sectoren van de gezondheidszorg vindt het geen goed idee als zij medicijnen mogen gaan voorschrijven.  Als het alleen om gespecialiseerde of hoog opgeleide verpleegkundigen gaat is het een ander verhaal: daar zijn ze wel in meerderheid voor.

Zelfstandig voorschrijven
Nu de Eerste Kamer akkoord is gegaan met de nieuwe Geneesmiddelenwet mogen naast artsen, tandartsen en verloskundigen ook verpleegkundigen zelfstandig medicijnen voorschrijven. Om welke soort verpleegkundigen het precies gaat moet de minister nog vaststellen. De verwachting is hij zal kiezen voor verpleegkundig specialisten en gespecialiseerd verpleegkundigen. 

In opdracht van arts
Uit het onderzoek van het Nivel blijkt dat het nu al regelmatig voorkomt dat verpleegkundigen recepten uitschrijven. In de psychiatrie doet 21 procent dat in opdracht van een arts. Twaalf procent van de psychiatrisch verpleegkundigen verandert op eigen houtje de dosering van een medicijn en zestien procent verstrekt wel eens op eigen initiatief slaap- en kalmeringspillen. Zeven procent geeft aan patiënten een medicijn waar eigenlijk een recept voor nodig is.

Geen regels
In ruim de helft van de teams waar verpleegkundigen zelf medicijnen verstrekken bestaan hiervoor geen schriftelijke regels. Echter, 87 procent van de ondervraagde verpleegkundigen vindt dat er geen onduidelijkheden over bestaan.
De onderzoeksgroep van het Nivel bestaat uit een panel van vierhonderd verpleegkundigen en driehonderd verzorgenden, gelijkelijk verdeeld over algemene ziekenhuizen, psychiatrie, verstandelijk gehandicaptenzorg en thuiszorg. (ML)

Voor meer informatie: www.nivel.nl

Gemaakt op: 1 maart 2007

Ziekenhuis-ombudspersonen minder afhankelijk

U zal de ombudspersoon in uw ziekenhuis in de toekomst wat meer mogen vertrouwen. De ombudspersoon in ziekenhuizen wordt wat minder afhankelijk. Dat is de boodschap die de federale minister van Volksgezondheid, Rudy Demotte (PS), uitzendt.

De ombudspersoon in de ziekenhuizen - eigenlijk geen ombudsdienst, maar een gewone klachtendienst - heeft, zo blijkt uit onderzoek, meestal nog een andere functie in het ziekenhuis. Hij of zij heeft dus twee petjes op, en het is bijgevolg mogelijk dat hij of zij niet geneigd is om de eigen collega's onafhankelijk te benaderen, als daar klachten over komen. Een ombudspersoon die ook op de boekhouding werkt of in het operatiekwartier, zal niet snel zijn collega's of de baas van de boekhouding of van het operatiekwartier op het matje roepen.

Uit een antwoord van minister Rudy Demotte (PS) op vragen van kamerlid Annelies Storms (Spirit) blijkt dat aan sommige aspecten van die afhankelijkheid een einde zal worden gemaakt. De minister zegt dat "nog voor het einde van dit jaar" een aantal "onverenigbaarheden" zal worden ingeschreven in de regelgeving over de ombudsfunctie in de ziekenhuizen.

De functie van ombudspersoon in een ziekenhuis mag dan niet meer gecumuleerd worden met die van ziekenhuisdirecteur, hoofdgeneesheer, hoofd van de verpleegkundigen, en met de functie van beoefenaar van een gezondheidsberoep in hetzelfde ziekenhuis.

Het probleem is daarmee niet helemaal van de baan, maar de ergste cumuls zullen wel verdwenen zijn. Cumulatie met functies in andere diensten zoals de boekhouding, is nog niet uitgesloten. Minister Demotte belooft ook dat de bemiddeling "zal gebeuren zonder tussenkomst van derden, dat documenten en mededelingen van vertrouwelijke aard zullen zijn en dat er met het oog op onafhankelijkheid op het vlak van infrastructuur voldoende garanties zullen worden geboden". Dat laatste betekent wellicht dat het lokaal van de ombudspersoon privacy moet bieden.

Het jaarverslag van de federale ombudsdienst "Rechten van de patiënt" leerde dat maar 50 van de 167 ombudspersonen enkel die functie uitoefenen. De 117 anderen combineren die functie met een andere job in het ziekenhuis.

Annelies Storms is niet ontevreden met de wijzigingen. Ze wil echter ook nog een ontslagbescherming voor de ombudspersoon uit de brand slepen, naar analogie met die van vakbondsafgevaardigden.

Ook kampen in Nederland natuurlijk !

Jeugdhonk in oude container voor de hangjongeren in Damwoude.
  (Foto Sake Elzinga) Jeugdhonk in oude container voor de hangjongeren in Damwoude.  (Foto Sake Elzinga)

‘Opvoedingskamp kan juridisch wel’

Door een onzer redacteuren

Rotterdam, 12 dec. Het is juridisch tóch mogelijk probleemjongeren verplicht op te nemen in opvoedkampen. Het gaat om jongeren die niet werken, geen diploma hebben, en geen opleiding volgen. In een zogeheten prep camp krijgen ze een opvoedprogramma.

Dit staat in het advies ‘Juist nu doorbijten’ dat de Taskforce Jeugdwerkloosheid vandaag aanbiedt aan premier Balkenende. Het is gebaseerd op onderzoek van de Universiteit van Tilburg en de Utrechtse Juristen Groep ( UJG).

In augustus concludeerde Bureau Berenschot nog dat het juridisch niet haalbaar was. Het kabinet legde zich daar niet bij neer. Er zijn rond 13.000 ‘probleemjongeren’ tot 23 jaar zonder diploma. Formeel doen ze niets onwettigs, waardoor ze ongrijpbaar zijn. Balkenende zei al dat „zo nodig met dwang” moet worden geprobeerd hen uit de criminaliteit te houden.

Vandaag stelt de MiddelbaarBeroepsOnderwijs (MBO) Raad na onderzoek dat vier op de tien leerlingen het middelbaar beroepsonderwijs zonder diploma verlaten. Van de 160.000 leerlingen die vorig jaar het mbo verlieten, hadden er ongeveer 60.000 geen diploma.

Het kabinet heeft het budget voor experimenten met opvoedkampen verdubbeld. De leerplichtleeftijd wordt verhoogd met twee jaar tot 18 jaar en er komt een leerwerkplicht tot 23 jaar.

In augustus concludeerde Berenschot dat er zeer beperkt mogelijkheden zijn om minderjarigen tegen hun wil in een kamp te krijgen. De Tilburgse universiteit (UvT) en de Utrechtse Juristen Groep zien meer mogelijkheden. De leerplicht is immers met een jaar verlengd. Overigens moet dan nog wel de handhaving van de leerplichtwet worden aangescherpt, stelt het advies.

Voor meerderjarigen zien de UvT en UJG „veel meer mogelijkheden” dan Berenschot, bijvoorbeeld als valt aan te tonen „dat een startkwalificatie noodzakelijk is om economisch en maatschappelijk te kunnen participeren”. Toch noemen ook UvT en de UJG een generieke maatregel voor prep camps juridisch niet haalbaar. ,,Het zal steeds gaan om de beoordeling van individuele gevallen”, zegt de leider van het onderzoeksteam vandaag in NRC Handelsblad.

12 december 2006 (NRC-Handelsblad)

IN WELKE HOLOCAUST MOET DIT EINDIGEN? ZO IS HET NAZISME BEGONNEN. Het nazisme heeft zo maar niet eventjes de vergassing van miljoenen joden, communisten, homo's, zigeuners, etc. uit de lucht geplukt. O.a. dit is er aan vooraf gegaan. En wij ondertussen lullen over de al of niet kwaadaardigheid van een Dedecker en de Grieks-tragische ervaringen van Bart De Wever.

het gaat maar verder

En zo klonk het gisteren...

Vervotte wil minder zelfdodingen

vr 08/12/06 - De Vlaamse regering wil jaarlijks 120 zelfdodingen vermijden. Vlaams minister van Welzijn Inge Vervotte (CD&V) heeft daarvoor een actieplan klaar.

In Vlaanderen zijn er jaarlijks zo'n 1.100 zelfdodingen. Het is de bedoeling om dat cijfer tegen 2010 met acht procent te doen dalen. De maatregelen van Vervotte moeten 120 zelfdodingen per jaar vermijden en zijn vooral gericht op preventie. Zo komen er lespakketten voor huisartsen en krijgen centra voor geestelijke gezondheidszorg meer ondersteuning. "De huisartsen spelen een cruciale rol", zegt minister Vervotte. Zij moeten dan ook de eerste signalen zien.

Verpakkingen van geneesmiddelen zullen worden verkleind, want een overdosis pillen is een vaak toegepaste methode. Er komen ook gerichte acties naar specifieke doelgroepen, zoals psychiatrische patiënten of mensen die al een poging hebben ondernomen.

De Vlaamse regering zal ook spoorwegen, bruggen en hoge gebouwen beter beveiligen om pogingen te ontmoedigen.

Sinds 2005 groeit onder psychiaters een eensgezindheid om het voorkomen van zelfmoorden niet meer te linken aan depressies. Immers, nu de patienten nooit zogoed als ooit tevoren worden behandeld en nu de geneesmiddelen nooit als vroeger zo goed en performant blijken te zijn, blijft het aantal zelfmoorden maar stijgen. Vandaar de logische redenering van de dokters: het zal dus niet aan ons liggen of aan de medicatie. Al vergeet men daarbij ook te vermelden dat het gebruik maken van stoffen met hallucinogerende eigenschappen een sterk uitlokkende factor is. En nu denkt de Minister aan speciale geldverslindende programma's om zelfmoorden te voorkomen.

Als het bedrijf Lilly Cymbalta in de testfase had, was er al na 1 week een proefpersoon van 19 die zichzelf had opgehangen in de labo's van Lilly. De testen op het product werden toen stilgelegd, maar intussen is Cymbalta al overal in de handel.

Lees maar:

GIRL, 19, PARTICIPATING IN LILLY TRIAL of DULOXETINE (CYMBALTA) HANGS SELF 7 Feb 2004
February 11 2004 at 1:52 PM
Response to 2004: A LOOK AT CLINICAL TRIALS
Young 19 year old woman taking part in a clinical trial for new antidepressant Duloxetine (known as Cymbalta)hung herself in an Eli Lilly Research Laboratory a few days ago.
http://www.indystar.com/articles/7/119246-5807-095.html "...hanged herself Saturday night in the Lilly Laboratory for Clinical Research by tying a scarf to a bathroom shower rod, according to the Indianapolis Police Department..."
"...Duloxetine is key to future business prospects of Lilly. It is the main ingredient in Cymbalta, an anti-depressant drug, and in a stress urinary incontinence treatment, both of which are moving toward final approval by the U.S. Food and Drug Administration..."

EDITING to ADD UPDATE ON THE SITUATION Thanks to M.
http://www.indystar.com/articles/5/119765-2375-031.html
"Suicide brings changes to Lilly drug trials"
By J.K. Wall and John Tuohy
jk.wall@indystar.com
February 11, 2004
Eli Lilly and Co. has been ordered not to accept new participants for local clinical trials of an anti-depressant and incontinence drug after the weekend suicide of a teenage test subject. The Institutional Review Board that oversees all Lilly trials on the Indiana University medical school campus also decided Tuesday that the company must bring in an independent psychiatrist to evaluate participants. The company also must ask them to sign a new consent form to continue with the trials...."
EDITING AGAIN to include that Lilly, despite the girl's suicide and other suicides on the trials expect the drug to be a blockbuster (well, what do a few deaths here and there matter when there's so much money involved ?????)
http://www.southbendtribune.com/stories/2004/02/13/local.20040213-sbt-MARS-D5-Woman_who_died_durin.sto

Cymbalta is een SSRI en een thiofeenpropylamine, en behoort tot de groep van producten die de perceptie op de realiteit veranderen door schade toe te brengen aan het zenuwstelsel.

Zie ook:

Thu, 24 Mar 2005
The Chicago Tribune and The Washington Post confirm the suspicion that like the other adolescents who went on a school shooting rampage, Jeff Weise was taking an SSRI antidepressant. The Post identifies the drug as Prozac: "Those willing to be interviewed described Weise as a young man who drifted among various homes on the reservation, listening to heavy metal music, proclaiming his affinity for Adolf Hitler and periodically showing up at the high school, even though Desjarlait said that six months ago he had ordered Weise to stay at home for tutoring.
He was taking the anti-depressant Prozac and at least once was hospitalized for suicidal tendencies, said Gayle Downwind, a cultural coordinator at Red Lake Middle School, who taught Weise." Although no single aspect in this teenagers horrific circumstances is likely to be the cause of his murderous action, violence and suicidal behavior is--as has been scientifically documented--a rare, but very demonstrable adverse side effect of the drug.
Indeed, after 16 years of denial, a series of Eli Lilly documents that have recently become publicly accessible, show the company's own review (1988) revealed that even in controlled clinical trials--from which suicidal patients are excluded--38% of patients taking Prozac compared to 19% of patients on placebo experienced "activation." The term "activation" is used to describe violent and suicidal behavior. The authenticity of the Lilly-Prozac documents have not been disputed. See: http://www.ahrp.org/infomail/05/01/27.php 
After a thorough independent examination of the pediatric SSRI antidepressant clinical trial data reported to the FDA, in April 2004, the FDA required all antidepressant drugs, including Prozac, to carry explicit warnings that apply for children and adults prescribed an antidepressant.
The label warns about "the emergence of anxiety, agitation, panic attacks, insomnia, irritability, hostility (aggressiveness), impulsivity, akathisia (psychomotor restlessness), hypomania, and mania have been reported in adult and pediatric patients being treated with antidepressants..." See: http://www.fda.gov/cder/drug/antidepressants/default.htm
For children and adolescents, the FDA requires an additional Black Box warning about the twofold increased risk of suicidal behavior in children and adolescents taking Prozac or any antidepressant.

Meer goeds over de werking van SSRI's wordt dagelijks op deze site bijgehouden:
http://www.ssristories.com/index.php?sort=date
Nu is het zo dat op 1 november 2006 ( Allerheiligen), onze (cynische) nationale overheid STRATTERA ( Eli Lilly) bij ons in de handel liet komen. De actieve metaboliet van Strattera is precies dezelfde als de actieve metaboliet van Prozac.

Strattera is bedoeld om toe te dienen aan kinderen vanaf 6 jaar en dat ... terwijl ....  (hoeft er ook nog een tekeningetje bij?)

Dit misschien ?  26 juli 2006 ---

ADHD-medicatie en antidepressiva van de nieuwe soort zijn stoffen die chemisch gerangschikt staan onder de hallucinogerende producten. Stoffen die een perceptie op de realiteit veranderen, die agressief maken, en zelfmoorden kunnen uitlokken. De medische wereld is daarvan perfect op de hoogte, maar naar het heet wegen de nadelen ( hallucineren, agressie, zelfmoorden) niet op tegen de (financiële) voordelen. Vandaar dat bij agressie in de maatschappij (schietpartijen, enz...) men steeds een verklaring gaat zoeken bij wapenhandelaars en 'religieuze leiders'. Veel liever de andere kant opkijken, want ... de farmaceutische industrie is momenteel nog veel onschuldiger dan Minister Vervotte ooit is geweest, toen ze nog onder Sabena diende.

Massale pro-psychiatrie regeringscampagne in USA

(gelezen op het Amerikaanse Online Journal:
http://onlinejournal.com/artman/publish/article_1480.shtml )

Federale USA-regering lanceert marketing-campagne voor psychiatrische industrie

Onder het mom van een strijd tegen de stigmatisering van geesteszieken, start de US-regering binnenkort een massale campagne van psychiatrische indoctrinatie met de bedoeling de weerstanden op te ruimen tegen de "psychiatric chemical imbalance theories" (die stellen dat geesteszieken een zaak is van tekort of teveel van bepaalde stoffetjes in de hersenen). Zo kan de weg gebaand worden voor een natiewijde psychiatrische screening die Amerikanen zal aanmoedigen of verplichten beroep te doen op psychiatrische medicamenteuze bedhandeling.

"Collocatie"-golf in Brussel

Blijkens een rapport verschenen in Eos, populair-wetenschappelijk magazine, is er vooral in Brussel nogal wat animo op de markt van gedwongen opnames ("collocatie" in de volksmond) van geesteszieken, dikwijls eigenlijk maar mensen die voor "overlast" zorgen.

Alle hens aan dek: de klinieken maken onderling openlijk afspraken met politie en Parket om de tsunami te kanaliseren. En ze willen wat boter bij de rotte vis.

Hieronder een paar foto's van zo'n handelsovereenkomst:

DSCN0174.JPG

 
DSCN0175.JPG

een complottheorie !?

(vanwege Fernand Haesbrouck, onvermoeibare strijder tegen Rilatine en consoorten voor kinderen)

Een land waar het aantal zelfmoorden een probleem is.
Maar gelukkig hebben wij een lange termijn beleid op dat vlak.
Op Allerheiligen (dus ook een lange termijn visie !... ) bracht onze overheid een product (Strattera) op de markt voor onder meer gebruik bij kinderen, een product waarvan bekend is dat het zelfmoorden kan uitlokken. Het langdurig testen van die stof moest voortijdig afgebroken worden precies omwille van de zelfmoorden die ermee werden gepleegd.

De redenering van het lange-termijn-beleid gaat als volgt: Sommige kinderen en depressieve volwassenen worden geboren met een genetische belasting: ze hebben stoffetjes tekort waardoor ze zich onmogelijk gedragen in onze maatschappij en waardoor ze in veel gevallen zich zo onbegrepen voelen dat ze uiteindelijk ook zelfmoord plegen. Als we nu al die genetisch misvormde gevallen een handje helpen door ze zelfmoordproducten toe te dienen, dan zal uiteindelijk die genetische "slechte" variant uit de genen van een ganse maatschappij gebannen kunnen worden. Het is nu precies daarom dat men begint om ook de kinderen aan te pakken. Ze moeten zich zelfmoorden voordat ze zich kunnen voortplanten, want dat is net de bedoeling van ons lange- termijn-beleid. Alle genen in de maatschappij, die zorgen voor tekorten aan stoffetjes en die voor chemische onevenwichten zorgen, moeten er zo vlug mogelijk uit.

De rituelen van de oude Spartanen vinden we een beetje barbaars, alsook de andere vormen van moorden. Vandaar dat men ervoor gekozen heeft om ze de hand aan zichzelf te laten slaan. Veel eleganter en zo krijgen we ook geen schuldgevoelens.

Uiteindelijk hebben we er ook voor gezorgd dat het etiket van zelfmoord dat die stoffen allang meedroegen, vakkundig door een mediastunt bij EMEA, de Europese instantie die een soort keuring doet van geneesmiddelen voordat ze op de Europese markten komen (op 7 juni 2006), werd gewist.

Wedden dat er binnenkort een periode aanbreekt waar men zelfs niet meer over zelfmoorden mag spreken? We moeten nu alleen maar heel even hard op de tanden bijten. Dit is absoluut noodzakelijk om een maatschappij en een ras te vrijwaren van de genen die zo slecht zijn dat ze zelfmoorden veroorzaken en waardoor men de slachtoffers wel verplicht moet behandelen met amfetamine en cocaïnestoffen. Immers, het uitroeien van de slechten, dat deden alleen maar de Duitsers veel vroeger, wij zijn veel beschaafder.

NPS: En nog een argument! Zelfmoorden kosten het RIZIV niets, jarenlange depressies en dergelijke toestanden wel.

Uit de roddelfabriek

Het Psychiatrisch Ziekenhuis - Psychiatrisch VerzorgingsTehuis St-Alexius Lovenjoel werd recentelijk als autonome entiteit opgedoekt. De bedden van de vzw blijven wel intact en zullen terechtkomen, zowel op papier als in werkelijkheid, in de inkomhal van Sint-Pieter, Brusselsestraat, Leuven. Dit OCMW-torengebouw (dat sinds 1980 leeg staat) is eigendom van de Universitaire Participatie en heeft een schuldenberg van ettelijke miljarden. De Bisschop (leider van ziekenhuis Gasthuisberg) wil zijn deel in de schuld niet betalen, maar Minister Vervotte zal op vraag van burgemeester Tobback de miljardenput op zich nemen.

Verder blijkt Lovenjoel nu gefusioneerd te zijn met het Universitair Centrum Sint-Jozef Kortenberg ("het laboratorium van de psychiatrie in Vlaanderen") geleid door professor Jozef Peuskens. En zeggen dat in 1946 de nonnen van Lovenjoel hun toen wereldvermaarde psychiater afdankten die dan hoofddokter werd bij de concurrentie in Kortenberg, ondanks het feit dat hij de mirakels van Beauraing "massahysterie" noemde. Dit alles is opmerkelijk omdat een 10-tal jaar geleden een eminent beheerder van Kortenberg, nl. Teutoons Ridder en Ridder van het H. Graf , professor Ziekenhuiswetenschappen André Prims persona non grata werd aan de Katholieke Universiteit Leuven. Tenzij de clou erin bestaat dat Prims, die in een 20-tal vzw's van TV-theoloog Rik Torfs zetelde in de plaats van oude nonnekes, op samenspraak enkele schandalen welwillig mee in zijn graf nam (b.v. het schandaal rond de Salvator kliniek in Hasselt waar de toenmalige aanklager Tony Heeren nu Voorzitter van de Rechtbank is).
 
Is het ook zo dat de pas afgestudeerde zoon van Peuskens (één van zijn vele nakomelingen) nu ook de minzame Dr. Stan Ansoms is opgevolgd als hoofd van de Psychiatrische Kliniek van de Broeders Alexianen Tienen?

Een element in het machtige spel is natuurlijk ook dat de oude vader René Peuskens (geboren Tongeren-Ketsingen in de Peuskensstraat) en ooit afgestudeerd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte) bekend was als directeur Buitenland van de Kredietbank (nu KBC) in de jaren dat het schandaal van de Banco Ambrosiano (1982-1990) deels werd witgewassen door de KB Lux.

pestbelasting afgeschaft omwille van geestelijke gezondheid

(Bron: De Standaard 31/10/2006)
Vanaf 1 januari 2007 moet geen fiscaal zegelrecht meer betaald worden bij het afhalen van bouw- en milieuvergunningen. Dat heeft de federale regering beslist, zo deelt staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging Vincent Van Quickenborne maandag mee. Ook het zegelrecht op een aantal vervoersdocumenten, zoals een vergunning op uitzonderlijk vervoer, verdwijnt. Elk jaar worden in ons land ongeveer 50.000 bouw- en 32.000 milieuvergunningen afgeleverd. Voor elk van die vergunningen moet nu bij het afhalen vijf euro aan fiscale zegels betaald worden. Die zegels worden bovendien enkel in het postkantoor verkocht.

Vanaf 1 januari 2007 moeten de fiscale zegels voor die vergunningen niet meer en dat zal ook niet meer moeten voor de 22.000 vergunningen voor uitzonderlijk vervoer en voor 6.500 andere vervoersdocumenten, zoals het stuurbrevet voor de pleziervaart. Volgens Van Quickenborne wordt in totaal voor 550.000 euro aan ''pestbelasting'' afgeschaft.

,,Het is absurd dat de mensen voor een bouw- en milieuvergunning apart naar het postkantoor moeten gaan om daar een fiscale zegel aan te schaffen. Die verplaatsing alleen al is slecht voor het milieu en voor de zenuwen van de mensen. Zeker als het gaat om een luttel bedrag van 5 euro'', zegt de VLD-staatssecretaris.

Beleidsnota GGZ minister Demotte

Spreek mét ons, niet over ons!

Bedenkingen bij de “Beleidsnota inzake Geestelijke Gezondheidszorg”
van minister Rudy Demotte
mei 2005

Netwerk Psychiatrie en Samenleving

“Spreek mét ons, niet over ons” is het jaarthema voor 2006 van de patiëntenvereniging Uilenspiegel. Dit komt onmiddellijk bij ons op wanneer we, met een jaar vertraging weliswaar, de eerste bladzijden lezen van minister Demotte’s Beleidsnota inzake Geestelijke Gezondheidszorg. In deze nota stelt de minister de krijtlijnen voor waarbinnen een beleid kan worden gerealiseerd binnen de geestelijke gezondheidszorg, dat het accent legt “in de eerste plaats op de uitbouw van zorgcircuits en netwerken via therapeutische projecten”.

1. De ontwikkeling van zorgcircuits en netwerken via therapeutische projecten   Minister Demotte zegt te ijveren voor een uitbreiding en betere organisatie van het zorgaanbod in de geestelijke gezondheidszorg. Dit zorgaanbod moet uitgaan van de noden van de patiënt. Daarbij wordt gewerkt rond drie leeftijdsgroepen (jongeren, volwassenen en bejaarden) en de daarmee samenhangende sociologische kenmerken. Voor elke doelgroep dient een specifiek aanbod of zorgcircuit te worden uitgetekend. Op organisatorisch vlak dient zich dit te vertalen in een netwerk tussen alle betrokken zorgaanbieders. Binnen elke doelgroep moet het gaan om patiënten met een chronische en complexe problematiek. Inderdaad moeten niet ten allen prijze zorgcircuits en –netwerken voor elke persoon met een psychische stoornis worden georganiseerd. Een persoon die éénmaal voor een specifiek probleem een centrum voor geestelijke gezondheidszorg of een psychiater consulteert, heeft niet noodzakelijk behoefte aan een volledig overlegproces. De waarschijnlijkheid dat een patiënt met verscheidene gezondheidsactoren in contact zal en moet komen zal zeker groter zijn voor patiënten met een chronische en ingewikkelde problematiek. Overleg tussen die actoren moet gestimuleerd worden om een goede zorgcontinuïteit te waarborgen.

Het bovenstaande lijkt allemaal heel logisch en vanzelfsprekend. Dat is het tot op grote hoogte ook. Toch zijn de premissen die hier worden vooropgesteld niet vanzelfsprekend en kunnen een aantal pertinente opmerkingen worden gemaakt.
1.     uitgegaan wordt van de ‘noden’ van de patiënt. Maar blijkbaar niet van zijn of haar wensen en verlangens. Wie bepaalt de ‘noden’ van de patiënt? Een deskundige die na een zogenaamd diagnostisch gesprek van een klein halfuurtje vindt dat je ‘nood’ hebt aan een antidepressivium of een antipsychoticum (zonder echt veel te wijzen op de vele bijwerkingen, zeker niet op die op lange termijn) of je op basis van je ‘noden’ doorstuurt naar een gedragstherapeut of een andere psychotherapeut? Al te zeer menen zorgaanbieders op basis van hun deskundigheid en een summiere diagnose te weten wat de ‘noden’ van de patiënt zijn zonder enige moeite te doen om de wensen en verlangens van de patiënt degelijk in te schatten. Heeft een angstpatiënt ‘nood’ aan Xanax of Seroxat of verlangt hij/zij b.v. eigenlijk naar relaties met een ander of met anderen waarin hij/zij zich veilig en beschermd voelt? Een psychische of mentale stoornis is niet zoiets als een griep of een longontsteking waarbij de zorgverstrekker redelijkerwijs kan besluiten dat de patiënt nood heeft aan een antiviraal medicijn of een antibioticum. De persoon met een psychische stoornis heeft IETS TE ZEGGEN over zijn klachten. Veel zorgverstrekkers vergeten dat en beperken zich tot een oppervlakkig gesprek over de klachten waarmee de patiënt zich letterlijk introduceert. Verder dan die introductie geraakt de patiënt dikwijls niet: de rest vertelt hij/zij dan b.v. tegen de medepatiënten op een PAAZ en de behandelende psychiater krijgt deze ‘details’ nooit te horen. Niet te verwonderen dat de behandeling van psychische stoornissen in veel gevallen faalt of slechts een beperkt succes heeft met het risico bovendien dat de patiënt ‘chronisch’ wordt. Een allereerste punt voor een beter beleid op het niveau van de geestelijke gezondheidszorg is dan ook dat de patiënt ernstig genomen wordt.
2.     het werken met doelgroepen lijkt ons zonder meer nefast. Eerst en vooral begrijpen we niet waarom precies de leeftijd de basis moet vormen voor het afbakenen van doelgroepen alsof leeftijdsgroepen homogene groepen zijn. De keuze voor de factor leeftijd lijkt ons dan ook puur arbitrair: waarom niet het geslacht? of de sociaal-economische klasse (fabrieksarbeiders hebben andere psychische problemen dan kantoorbedienden of kleine zelfstandigen)? Maar bovenal vrezen we, aansluitend bij het eerste punt, dat het individu ondergebracht zal worden in een bepaalde categorie of psychische problematiek zodat de individuele patiënt niet meer benaderd wordt vanuit zijn/haar eigenheid maar vanuit dat wat in het algemeen ‘geweten’ is over de categorie waarin hij/zij wordt ingedeeld. Iemand die zich b.v. aanbiedt met depressieve klachten, zal dan behandeld worden als een zoveelste geval van depressie met als gevolg het instellen van de standaardbehandeling voor depressie. Het werken met doelgroepen riskeert dus uit te monden in een medische praktijk waarbij geen mensen worden begeleid en behandeld maar veralgemeende categorieën. Kortom: de kans bestaat dat de zorgcircuits en –netwerken zullen praten en overleggen over diagnostische etiketten en gestandaardiseerde behandelingen eerder dan over concrete hulpvragende patiënten. Dat over een persoon X van 17 jaar zal gesproken worden als over een ‘jongere’, een ‘borderliner’ of wat dan ook zonder aandacht voor de biografische eigenheid van de betrokkene.
3.     de nota wil ons overtuigen met een extreme polarisatie tussen de patiënt met een acuut ‘eenvoudig’ probleem die aan één consultatie genoeg heeft en de chronische patiënt met een complexe problematiek waarbij gesteld wordt dat deze met meerdere zorgverstrekkers in contact zou komen. Deze polarisatie is absurd. Een acuut psychisch probleem is dikwijls heel complex met een verscheidenheid van psychische en somatische klachten en symptomen zodat de betrokkene zich moet wenden tot diverse zorgverstrekkers. Een chronisch probleem is dan weer in heel veel gevallen relatief eenvoudig en vraagt geen bijkomende tussenkomst van andere zorgverstrekkers. Triest is het zelfs vast te moeten stellen dat chronische patiënten soms andere zorgverstrekkers moeten raadplegen omwille van de bijwerkingen van de medicijnen die voorgeschreven werden door de behandelende psychiater (b.v. hart- en vaatproblemen). Een zorgcircuit bestaande uit een psychiater en de zorgverstrekkers die de iatrogene ziekten die die psychiater heeft veroorzaakt behandelen, lijkt ons maar een farce. Hoe dan ook de suggestie dat chroniciteit synoniem is van complexiteit is helemaal niet verantwoord. Het beperken van zorgcircuits tot chronische patiënten met een complexe problematiek kan zich op geen deugdelijke logica beroepen.

Meer fundamenteel vragen wij ons af of de patiënt behoefte heeft aan zorgcircuits waarin over hem overlegd wordt en of het herstel van zijn geestelijke gezondheid eigenlijk wel gediend is met zorgcircuits. Het is algemeen geweten dat de kwaliteit van een therapeutische relatie, en zeker van een psychotherapeutische relatie, bepaald wordt door de mate waarin de patiënt met de hulpverlener of zorgverstrekker een vertrouwensrelatie kan aangaan en uitbouwen zodat hij/zij zijn/haar problemen volledig en onbevangen uit de doeken kan doen. Het moet op één of andere manier ‘klikken’ tussen hulpvrager en hulpverlener, wat impliceert dat zich tussen beiden ook ‘conflicten’ kunnen voordoen. Doorgaans impliceert deze vertrouwensrelatie dat de patiënt van de hulpverlener absolute geheimhouding verlangt. Wat mijn huisarts over mij weet, hoeft mijn tandarts niet te weten. Het werken met zorgcircuits waarbij de hulpverlener overlegt met derden waarmee de patiënt geen of slechts een oppervlakkige relatie heeft, kan ertoe leiden dat de patiënt zich gereserveerder zal opstellen als blijkt dat zijn/haar geval circuleert in een netwerk van zorgverstrekkers, zelfs al geeft hij/zij aan zijn/haar vertrouwensarts of therapeut de toestemming de gegeven informatie met anderen te bespreken. Een tweede fundamentele bedenking is dat het ondoordacht onderbrengen van een patiënt in een zorgcircuit ertoe kan leiden dat de ‘kennis’ van die patiënt gefragmenteerd wordt en verdeeld over een veelvoud van zorgverstrekkers met het risico dat het gegeven dat de patiënt met zijn klachten en symptomen een geheel vormt, door geen enkel lid van het zorgcircuit meer wordt gerespecteerd. Het lijkt ons voor een kwaliteitsvolle geestelijke gezondheidszorg een absolute vereiste dat de patiënt met één geprivilegieerde zorgverstrekker een onbedreigde vertrouwensrelatie kan aangaan en dat hij/zij geholpen wordt bij het zoeken naar de voor hem of haar geschikte zorgverstrekker waarbij zo’n vertrouwen effectief kan worden gerealiseerd eerder dan dat vier of tien minder gemotiveerde of minder centraal staande zorgverstrekkers zich buigen over één en hetzelfde geval. Op het vlak van het bevorderen van de uitbouw van zo’n basistherapeutische relatie is nog zoveel beleidswerk mogelijk dat de optie voor zorgcircuits ons weliswaar niet overbodig lijkt maar in ieder geval niet prioritair.

Centraal in Demotte’s beleidsoptie staan de concepten ‘therapeutisch project’ en ‘transversaal overleg’. Als een eerste stap naar zorgcircuits en netwerken wordt het uitbouwen van een overlegfunctie voorgesteld. Aan de éne kant ziet minister Demotte dat overleg gebeuren tussen de zorgaanbieders op het niveau van een doelgroep (i.e. de patiënt): de minister spreekt hier van ‘het overleg rond de patiënt’. Aan de andere kant is er overleg op het niveau van het netwerk: de minister noemt dit ‘het transversaal overleg’. Om op langere termijn structurele vorm te geven aan het ‘overleg rond de patiënt’ stelt minister Demotte de creatie voor van ‘therapeutische projecten’. Deze organiseren en/of coördineren het overleg rond de patiënt binnen een patiëntendoelgroep, hetgeen moet leiden tot ‘verzorging op maat’. Op die manier hoopt de minister dat de patiënt vanuit een verblijfsstructuur in de geestelijke gezondheidszorg sneller en beter behandeld kan terugkeren naar de maatschappij of beter nog, dat een opname kan worden vermeden.

Er zal dus heel wat gepraat en overlegd worden ROND de patiënt en ROND de categorie/problematiek waartoe hij/zij geacht wordt te behoren. Nergens in de beleidsnota wordt echter voorzien dat er MET de patiënt wordt gepraat. Als we nu kunnen zien hoe weinig nu al in psychiatrische ziekenhuizen en in PAAZ’s met de patiënten gesproken wordt, dan vrezen we dat de tijd die de zorgverstrekkers moeten stoppen in al dat overleg erop neerkomt dat NOG MINDER MET DE PATIÊNTEN ZELF zal gesproken worden en dat er dus veel in het luchtledige zal overlegd worden over dingen die men van de patiënt niet weet vermits men vergeten is het hem of haar te vragen. Nogmaals: wij zijn helemaal geen tegenstander van overleg en gevalsbesprekingen. Zij zijn zeker essentieel voor de permanente vorming van de zorgverstrekker zoals bijvoorbeeld de supervisie die psychotherapeuten krijgen van oudere en meer ervaren collega’s (maar hierbij worden geen namen en dossiers doorgegeven). Overleg en zorgcoördinatie zal tot op zeker niveau wenselijk en noodzakelijk zijn wanneer de patiënt inderdaad op verschillende vlakken problemen heeft. En dat zorgverstrekkers via transversaal overleg communiceren over een bepaalde problematiek of een bepaalde doelgroep aan de hand van anonieme gevalsbesprekingen kan alleen maar toegejuicht worden. Maar het verheffen van het overleg tot hét speerpunt van een betere geestelijke gezondheidszorg gaat voorbij aan het feit dat de tijd die zorgverstrekkers besteden aan het overleg tijd is die ze niet kunnen besteden aan de eigenlijke therapeutische begeleiding van de patiënt. Karikaturaal gesteld: waarover gaan die circuits overleggen als ze geen tijd meer hebben om met hun patiënten te praten?

Zoals Uilenspiegel het stelt: ‘Spreek mét ons, niet over ons!’
De psychiaters zullen overleggen en de tijd die ze nemen voor een diagnose nog inkorten.
De psychotherapeuten zullen overleggen en in plaats van een patiënt éénmaal per week te zien zullen ze deze nog éénmaal om de twee weken zien.
Nee: dit lijkt ons geen beloftevol perspectief. De beleidsmiddelen zou de minister beter aanwenden voor de effectieve realisatie van meer en kwaliteitsvollere  diagnostische en therapeutische momenten in de centra voor geestelijke gezondheidszorg en de psychiatrische voorzieningen in plaats van overleg rond deze (nu bijzonder schaars aanwezige) therapie.

Dit overleg moet uitmonden in een functionele samenwerking met aandacht voor zowel de ‘raakvlakken’ als de ‘ontbrekende schakels’ tussen de acties van de zorgverleners. Zo kan een optimale continuïteit van verzorging bereikt worden die rekening houdt met de complementariteit van de reeds aanwezige actoren, ‘maar ook met de complementariteit van de actoren die in gevolge het overleg betrokken moeten worden in de verzorging van de patiënt’. Het therapeutisch project mag echter geen eigen leven. Het overleg rond de patiënt moet kaderen in een ruimer overleg om zo te komen tot een coherent beleid inzake de organisatie en/of coördinatie van zorgcircuits: ‘transversaal overleg’ dus. Op korte termijn moet een overleg tot stand komen tussen therapeutische projecten binnen éénzelfde doelgroep zodat op termijn een structuur van zorgcircuits en netwerken wordt gevormd.

Rond de patiënt zal blijkbaar een soort net gespannen worden van zorgverstrekkers waarvan hij of zij er blijkbaar sommige niet zelf zal gekozen hebben (de ‘ontbrekende schakels’). De leden van dit netwerk zullen hun energie blijkbaar in de eerste plaats stoppen in hun onderlinge relaties eerder dan in het uitbouwen van een therapeutische of zorgrelatie met de patiënt. Maatschappelijk worden o.i.  zo ‘gevallen’ gecreëerd die niet geleerd worden hun zelfstandigheid te herwinnen maar die langs alle kanten gecoördineerd ‘verzorgd’ en ‘omringd’ worden zonder dat daarover veel met de patiënt zelf overlegd wordt en zonder dat hij of zij toegang heeft tot de werkzaamheden van dat zorgcircuit, er vermoedelijk zelfs niet van op de hoogte zal zijn. Of is dit het soort zorg dat voorbehouden wordt voor mensen die eigenlijk al het slachtoffer zijn van een psychiatrisch systeem dat in hun geval zichtbaar gefaald heeft (‘chronische patiënten met een complexe problematiek’)?

De beleidsnota voorziet op geen enkele manier een toetsing van de effectiviteit van deze zorgcircuits: zal de patiënt daar beter van worden?
Misschien wel, misschien niet, maar het zou in ieder geval mogen getoetst worden. Immers: de minister breekt op het einde van zijn nota zelf een lans voor ‘evidence based handelen in de geestelijke gezondheidszorg’.

Het overleg binnen het zorgcircuit wordt dan blijkbaar opgenomen in een transversaal overleg tot op het niveau van het ‘coherent beleid’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? En wat is de meerwaarde voor de patiënt? Blijkbaar zullen alle instanties die rond geestelijke gezondheid bezig zijn, bij dat transversaal overleg betrokken worden. Maar die instanties vormen eigenlijk nu al netwerken. Er is op het niveau van de beroepsgroepen al heel wat transversaal overleg, het wemelt van de vormingsinitiatieven en informele contacten tussen zorgverstrekkers zijn zeer intens. Moet daarnaast nog eens een door de overheid gecontroleerde parallelle overlegstructuur worden opgezet waarvan de precieze doelstellingen in de nota nauwelijks zijn aangegeven?

Het lijkt ons dat hier allerlei zichzelf in stand houdende intermediaire structuren zullen worden gecreëerd waarvan de effectiviteit op geen enkele manier kan worden getoetst. De kans is dan ook 100% dat die therapeutische projecten een eigen leven zullen gaan leiden. Wordt hier niet met overheidsgeld gepoogd een ondoelmatige bureaucratische structuur uit te bouwen, dit terwijl de directe noden aan hulpverlening in de sector van de geestelijke gezondheidszorg toch in het oog springen? Als een eenvoudige berekening op basis van de verhouding tussen de omkadering en het aantal bedden laat zien dat een psychiater in een psychiatrisch ziekenhuis maximaal 12 minuten per week kan besteden aan een patiënt, dan lijkt het ons dat de minister zijn prioriteiten beter elders zou leggen.

Welke vorm nemen de voorgestelde ‘therapeutische projecten’ nu eigenlijk aan? Uit de beleidsnota kan afgeleid worden dat: -         een ambulante patiënt zal begeleid worden door een zorgcircuit waarvan de coördinatie berust bij de Geïntegreerde Dienst voor Thuiszorg (GDT) -         een residentieel patiënt zal begeleid worden door een zorgcircuit bestaande uit zorgverstrekkers van diverse psychiatrische inrichtingen gecoördineerd door een persoon uit de inrichting waar de patiënt verblijft De beleidsnota veronderstelt dat dergelijke zorgcircuits per definitie een meerwaarde betekenen voor de patiënt.

We nemen zonder meer aan dat een patiënt die vijf jaar in een psychiatrische inrichting heeft verbleven bij zijn overgang naar een zelfstandig leven nood zal helpen aan multidisciplinaire zorg (huisarts, psychiater, sociaal werker). Maar moeten daarom de relaties tussen deze hulpverleners en zorgverstrekkers omgevormd worden tot een geformaliseerd zorgcircuit dat blijkbaar over een ‘secretariaat’ beschikt en dus uitmondt in een weinig productief administratief beheer? En zo ja, is dit zo prioritair dat daarvoor bijzondere budgettaire middelen moeten vrijgemaakt worden (zie sub)?Neemt dit zorgcircuit niet de perverse vorm aan van een totale sociale controle op de patiënt (zijn vrijtijdsbesteding, zijn geldbesteding, etc.), controle die hij of zij voorheen  al gedurende al die jaren in de psychiatrische inrichting moest laten welgevallen en waar hem of haar elke autonomie was ontnomen? De meeste ambulante patiënten, ook zij die b.v. 66% invalide zijn verklaard, zijn zelfredzaam en slagen er doorgaans perfect in op een decente manier hun levensonderhoud te organiseren. Hebben zij behoefte aan een team dat hun doen en laten ‘coördineert’, dit terwijl elk initiatief dat ze willen nemen om op termijn uit de invaliditeit te kunnen stappen (vrijwilligerswerk, deeltijds werk, opnieuw gaan studeren) riskeert te niet gedaan te worden door een njet van de controlegeneesheer van hun mutualiteit en door de onverenigbaarheid van de schaarse invaliditeitsuitkering met een bescheiden bijkomend inkomen?Heeft de minister hier wel echt oren naar de ‘noden’ van de patiënt en legt hij hier weer niet de verkeerde prioriteiten?

En wat is de meerwaarde voor een residentieel patiënt dat hij of zij voorwerp wordt van een zorgcircuit waar zorgverstrekkers uit andere inrichtingen zich over zijn of haar ‘geval’ gaan buigen zonder die patiënt ook maar te kennen? Ons lijkt het dat dit die zorgverstrekkers veeleer toelaat eens een luchtje te gaan scheppen in een andere provincie dan dat de begeleiding en de behandeling van de patiënt hier substantieel mee vooruit geholpen zijn. In hoeverre zo’n zorgcircuits als prioritair kunnen worden aangemerkt, is ons een raadsel. Blijkbaar hebben we één en ander niet goed begrepen.

De minister voorziet 2.209.000 euro uit te trekken voor de realisatie van dergelijke therapeutische projecten in het kader van het overleg rond de patiënt. Die middelen gaan in de eerste plaats naar de kosten verbonden aan de coördinatie van het project. Die coördinatie omvat ‘organisatie, gegevensinzameling, secretariaat, …’.

Kortom: het geld gaat naar puur administratieve bezigheden die nauwelijks garantie bieden voor een betere kwaliteitsvolle omgang met de patiënt. Dit lijkt ons een verspilling van de al schaarse gemeenschapsgelden die voor deze sector kunnen worden vrijgemaakt. Het lijkt ons dat deze gelden beter aangewend worden voor het faciliteren van de uitbouw van een intense therapeutische relatie met één zo omnivalent mogelijke hulpverlener die als absolute vertrouwenspersoon fungeert, voor de vorming van hulpverleners (zoals het geven van subsidies aan therapeuten die een studiebezoek brengen aan een therapeutisch centrum in het buitenland) of voor andere doeleinden zoals het verhogen van de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg voor armen en allochtonen die verder in de beleidsnota als belangrijke aandachtspunten worden genoemd maar waarvoor geen enkele eurocent wordt vrijgemaakt.

Voor het transversaal overleg voorziet minister Demotte 2.795.000 euro. Dit moet dienen om de lopende en financieel ondersteunde therapeutische projecten in het kader van het overleg rond de patiënt onderling met elkaar te verbinden en deze verbindingen op te nemen in een structureel overleg rond de geestelijke gezondheidszorg. Deze middelen zijn in de eerste plaats bedoeld ter ondersteuning van de activiteiten van de Overlegplatforms GGZ.

O.i. mag al dat overleg best eens grondig geëvalueerd worden. In de overlegstructuren vinden we immers steeds dezelfde personen terug: met name de directeurs en de hoofdgeneesheren (of hun representanten) van de psychiatrische inrichtingen en de andere voorzieningen in de geestelijke gezondheidszorg. Nu wordt nog eens 2.795.000 euro extra gespendeerd aan de verdere verspreiding van deze manie van het overleggen, het registreren en het verzamelen van gegevens, dit terwijl de directe noden aan geestelijke gezondheidszorg bij de bevolking steeds maar blijken toe te nemen.

Wij stellen voor deze 2.795.000 euro integraal te besteden aan een radicaal project om de psychiatrische voorzieningen en inrichtingen om te vormen van semi-gevangenissen tot open vrije gemeenschappen. Psychiatrische patiënten hebben geen misdrijf of misdaad begaan en de historisch overgeërfde gewoonte om ze te behandelen als delinquenten is totaal contraproductief en er de oorzaak van dat heel wat patiënten met een acuut probleem chronisch worden, m.a.w. de gemeenschap enorm veel geld kosten. De PAAZ’s moeten ons inziens eveneens radicaal herdacht worden. Het gaat niet op dat patiënten met louter psychische of mentale stoornissen moeten opgenomen worden op de 3de étage van een Algemeen Ziekenhuis waar de patiënten meer tijd besteden aan het routinematig ondergaan van allerlei onderzoeken (elektrocardiogram, röntgenfoto van longen en hersenen, hersenscan, elektroencefalogram) waar geen specifieke indicatie voor is (en waar de patiënt verder ook niets meer over hoort) dan aan contacten met de behandelende psychiater. Zo’n 3de verdieping lijkt ons geen gepaste architecturale omgeving voor een patiënt die kampt met een alcoholprobleem of een depressie.

De ganse structuur waarin mensen met hardnekkige problemen in een eerste fase opgevangen worden in een residentiële setting met verregaande vormen van vrijheidsbeperking die op geen enkele manier therapeutisch kunnen  verantwoord worden (waarom zou een volwassene als een kind moeten gedwongen worden om klokslag 23 uur te gaan slapen?), moet volledig worden herdacht. De meeste psychiatrische patiënten zijn vrije burgers en hen als dusdanig behandelen lijkt ons een essentieel onderdeel van elke zinvolle behandeling en therapie.

2. Andere werkterreinen

Ter afronding van zijn beleidsnota somt de minister nog een aantal punten op waaraan het beleid aandacht zou moeten besteden, zoals:
-         de toegankelijkheid van de ggz voor armen en allochtonen
-         de uitbreiding van het aanbod, in het bijzonder voor geïnterneerden
-         problemen van financiering zoals het ondersteunen van de ‘psychologische functie’ in de algemene en psychiatrische ziekenhuizen, de betaalbaarheid van het verblijf in een PVT, e.d.
-         opleiding en vorming van het ggz-personeel
-         administratieve vereenvoudiging en registratie
-         evidence based handelen in de ggz

Bij al deze punten blijft het in wezen bij intentieverklaringen. Er worden geen specifieke maatregelen voorgesteld met een budgettaire weerslag. We gaan er dan ook verder niet op in.

Besluit

Deze beleidsnota lijkt ons in zijn geheel erg wereldvreemd. Ze getuigt in geen enkel opzicht van vertrouwdheid met de ‘noden’, wensen en de dagelijkse werkelijkheid van het leven als ambulante of residentieel opgenomen psychiatrische patiënt. Wij besluiten: vooraleer te overleggen moet er iets zijn waarover overlegd kan worden. Dat ‘iets’ is de patiënt. Wanneer niet mét hem gepraat kan worden, laat men het het best achterwege over of rond hem te praten.

De Vlaamse kwaliteitsdecreten m.b.t. de verzorgingsvoorzieningen

De Vlaamse decreten m.b.t. het kwaliteitsbeleid in de verzorgingsvoorzieningen vormen een reeks van documenten die uitblinken door vaag en vrijblijvend taalgebruik, intentieverklaringen waar je noch voor noch tegen kan zijn, leeg formalisme zonder de minste inhoud en vol oncontroleerbare maatregelen. Het lijken wel teksten overeengekomen tussen het VVI (Verbond der Verzorgingsinstellingen, i.e. Caritas Catholica) en de Vlaamse christen-democratische partij (CVP en CD&V), die bijna onafgebroken het Vlaamse Ministerie voor Welzijn en Volksgezondheid heeft beheerd (op de tussenstop onder Mieke Vogels 1999-2003 na). Twee handen op één buik dus. De minister Wivina Demeester, die het eerste decreet tekende, was overigens zelf beheerder van een paar verzorgingsvoorzieningen.

En zeggen dat het Vlaams Parlement daarover gedebatteerd zou hebben.


Decreet betreffende de integrale kwaliteitszorg in de verzorgingsvoorzieningen - 25 FEBRUARI 1997.

In deze tijd was het begrip 'integrale kwaliteitszorg' al jaren uit de mode en verworden tot een leeg begrip waar niemand nog iets concreets mee bedoelde. Dit blijkt ook uit de bepalingen van dit decreet. Let wel: dit decreet maakt geen onderscheid naar soorten instellingen, ze geldt dus ook voor psychiatrische ziekenhuizen.

Na de definities van 'verzorgingsvoorziening', 'kwaliteitsbeleid', etc. (opvallend: het begrip 'kwaliteit' wordt NIET gedefinieerd) bepaalt Hoofdstuk II van het decreet de Verplichtingen van de verzorgingsvoorzieningen. Die luiden:

'aan iedere patiënt of cliënt, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, van ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en zonder onderscheid van de vermogenstoestand van de betrokkene, verantwoorde zorg of bijstand te verstrekken en hem op een respectvolle manier te behandelen of te begeleiden.' (artikel 3).

Dit is wel het minste dat je mag verwachten. En zelfs dan nog: wat is een niet-verantwoorde zorg of een niet-respectvolle manier van behandelen? M.a.w. hoe kan je uitmaken of de instelling aan die verplichtingen voldoet?

Art. 4 bepaalt:  Ter uitvoering van de verplichting omschreven in artikel 3, is elke verzorgingsvoorziening ertoe gehouden een integraal kwaliteitsbeleid te ontwikkelen. Dit beleid is gericht op :
  1° verantwoorde zorg rekening houdend met doeltreffendheid, doelmatigheid, continuïteit, veiligheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid van de zorg;
  2° respectvolle omgang met en behandeling van de cliënt of patiënt, rekening houdend met zijn sociale context, met als elementen het persoonlijk onthaal, de passende verwijzing van de hulpvrager, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het zelfbeschikkingsrecht, de klachtenbemiddeling en -behandeling, de informatie en de inspraak van de patiënt of cliënt.

In feite nauwelijks meer dan een herhaling van artikel 3. En hoe gebeurt de klachtenbehandeling? En welke zijn de gevolgen of de sancties als een klacht als gegrond wordt verklaard? Waaruit bestaat de inspraak van de patiënt/cliënt?

'Dit kwaliteitsbeleid vereist minimaal overleg met alle betrokkenen, een voortdurende opvolging en bewaking, beheersing en verbetering van de processen, gericht op het realiseren van de onder 1° en 2° vermelde elementen.' En wie gaat daar allemaal voor zorgen? Geen woord daarover, maar het lijken wel Herculesopdrachten waarvoor veel personeel vereist is.

Art. 5. § 1. Het in artikel 4 omschreven kwaliteitsbeleid van de verzorgingsvoorziening dient gestalte te krijgen in de vorm van een kwaliteitshandboek en een kwaliteitsplan, bekrachtigd door de hoogste leiding.

Nu zal het komen denk je!

§ 2. Elke verzorgingsvoorziening werkt een kwaliteitshandboek uit. Het kwaliteitshandboek beschrijft de visie op en doelstellingen van het interne kwaliteitsbeleid. De Vlaamse regering bepaalt, na advies van de Vlaamse Gezondheidsraad, de thema's waarop het kwaliteitsbeleid zich kan (sic!) toespitsen. Zij hebben betrekking op beide elementen zoals bepaald in artikel 4, 1° en 2° en moeten representatief zijn voor de activiteit van de verzorgingsvoorziening. De Vlaamse regering bepaalt per soort verzorgingsvoorziening het aantal thema's dat in het kwaliteitsbeleid moet worden opgenomen, en somt bepaalde thema's op die voor een bepaald soort verzorgingsvoorziening verplicht deel uitmaken van het kwaliteitsbeleid. De andere thema's worden door de verzorgingsvoorziening vrij gekozen.

Kortom, op een paar thema's na, door de Regering nog te bepalen per sector, doen de instellingen dus gewoon hun zin. Ze kunnen zich beperken tot lippendienst en het decreet toepassen niet ter verbetering van de kwaliteit van de zorg, maar gebruiken als een instrument binnen de marketingstrategie van de instelling, want het gaat hier in Vlaanderen in grote meerderheid om privé-instellingen die dus klanten moeten lokken en aan klantenbinding doen.
We kunnen ons afvragen waarom nu precies een AANTAL thema's moeten worden vastgelegd. De kwaliteit wordt hier blijkbaar al van bij de aanvang in kwantiteiten uitgedrukt. Of was de minister bang dat zonder het opleggen van een aantal thema's er gewoon niets zou gebeuren op het niveau van de kwaliteitszorg? We mogen ook aannemen dat de thema's die de minister zelf zal opleggen, essentieel zullen zijn m.b.t. de kwaliteit van de zorg in de betrokken instellingen, m.a.w. dat ze betrekking zullen hebben op de kern van wat kwaliteit is en hoort te zijn.

§ 3. Het kwaliteitshandboek wordt geoperationaliseerd in een kwaliteitsplan. De verzorgingsvoorziening toont door middel van het kwaliteitsplan aan dat ze haar processen beheerst en voortdurend verbetert. Dit kwaliteitsplan omvat minimaal :
  a) de omschrijving van de bestaande situatie en van de door de verzorgingsvoorziening geformuleerde operationele doelstellingen binnen thema's die in het kwaliteitshandboek zijn vermeld;
  b) de termijnen waarbinnen de verzorgingsvoorziening haar doelstellingen inzake kwaliteitsverbetering wil bereiken, evenals de periodiciteit waarmee het kwaliteitsniveau wordt geëvalueerd;
  c) de adequate meetinstrumenten en procedures waarmee de vorderingen inzake kwaliteit zullen worden getoetst, alsmede de vorderingen en resultaten;
  d) de bepaling van de methodologie van het systematisch onderzoek naar de tevredenheid van patiënten/cliënten, van de resultaten van dit onderzoek en van de voorgestelde correctieve maatregelen.
De Vlaamse regering stelt, na advies van de Vlaamse Gezondheidsraad, een lijst op van de aanvaarde kwaliteitsindicatoren. Ze kan de minimale vereisten bepalen waaraan het kwaliteitshandboek en het kwaliteitsplan per soort van verzorgingsvoorziening moet voldoen.

bij a): het gaat hier om statistiek en beschrijving van doelstellingen die gezien de vaagheid van de opgelegde verplichtingen, bijzonder vaag kunnen gehouden worden. Elke instelling doet ermee wat hij wil.
bij b): hoe kunnen termijnen geplakt worden op doelstellingen zoals 'verbetering van de verantwoorde zorg' als deze doelstellingen op geen enkele manier moeten geconcretiseerd worden?
bij c): 'kwaliteit' is per definitie kwaliteit en dus niet zomaar in cijfers vast te leggen. Is b.v. de vermindering van de gemiddelde verblijfsduur in de instelling een verbetering van de kwaliteit van de zorg of een feit dat het economisch rendement van de instelling opgedreven is? We vinden hier geen woord over optimale omkadering, over verplichting van de psychiater om zijn patiënten daadwerkelijk te begeleiden (volgens onze berekeningen van de verhouding tussen het aantal bedden en de reële omkadering ziet een patiënt max. 10 min. per week zijn behandelend geneesheer), over kwaliteit van het onderzoek (b.v. naar de betekenis van hallucinaties en wanen, naar de genese van de 'ziekte', e.d.).
bij d): iedereen die ooit met meetinstrumenten over tevredenheid heeft gewerkt, weet dat gestandaardiseerde instrumenten zoals die in de praktijk worden gebruikt, meer een PR-functie hebben dan beogen de werkelijk beleefde kwaliteit te evalueren. Daarvoor is minstens een gesprek van een halfuur met de patiënt nodig en die evaluatie zou in de psychiatrische sector per definitie patiënt-specifiek moeten zijn, want elke 'geestesziekte' is een volkomen uniek gegeven. Overigens heb ik in mijn ervaringsdeskundigheid sinds 1997 nergens zo'n tevredenheidsmeting meegemaakt.
We zullen zien of de Vlaamse regering kwaliteitsindicatoren heeft vastgesteld alsmede de minimale vereisten waaraan kwaliteitshandboek en -plan moeten voldoen.

§ 4. Voor de uitvoering van het kwaliteitsbeleid dient de verzorgingsvoorziening een kwaliteitscoördinator aan te wijzen die over voldoende ervaring en deskundigheid beschikt en die door de hoogste leiding binnen de verzorgingsvoorziening wordt geautoriseerd. De Vlaamse regering kan per soort verzorgingsvoorziening bepalen wat onder de nodige ervaring en deskundigheid wordt verstaan. Ook hier zullen we zien wat ervan geworden is.

In Hoofdstuk III - Toezicht bepaalt artikel 6 dat de Regering erop toeziet dat 'het kwaliteitsbeleid voldoet aan de verplichtingen vermeld in de artikelen 4 en 5, en verleent in voorkomend geval haar goedkeuring aan het kwaliteitshandboek en het kwaliteitsplan van de verzorgingsvoorziening. De Vlaamse regering bepaalt de procedure die daarbij wordt gevolgd. Bij gebrek aan beslissing binnen een door de Vlaamse regering vastgestelde termijn, wordt de in voorgaand lid bedoelde goedkeuring geacht stilzwijgend te zijn verleend. Als het kwaliteitshandboek of het kwaliteitsplan onvoldoende wordt geacht, dient de verzorgingsvoorziening een gewijzigd kwaliteitshandboek of kwaliteitsplan in te dienen binnen een termijn van drie maanden. De goedkeuring van het kwaliteitshandboek of kwaliteitsplan wordt gedurende deze termijn opgeschort. Deze opschorting kan slechts eenmaal worden toegekend. Art. 7. Onverminderd de toepassing van de geldende erkenningsnormen, kan een erkenning van een verzorgingsvoorziening enkel worden verleend, behouden of verlengd, als voldaan wordt aan de bepalingen van dit decreet. Voldoet een verzorgingsvoorziening niet aan de in dit decreet gestelde verplichtingen, dan kan de erkenning worden verleend of verlengd gedurende maximum een jaar, op voorwaarde dat de verzorgingsvoorziening zich ertoe verbindt om binnen deze termijn de nodige maatregelen te nemen om aan de in dit decreet gestelde verplichtingen te voldoen. Als deze verbintenis niet wordt nageleefd, dan wordt de erkenning niet verlengd. Tegen de beslissing waarbij de erkenning niet wordt verlengd, kan de verzorgingsvoorziening beroep aantekenen op de wijze bepaald door de Vlaamse regering.

Art. 9 § 1. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren aan die toezicht uitoefenen op de toepassing van de bepalingen van dit decreet en van de krachtens dit decreet genomen besluiten. § 2. In het kader van het toezicht kan de Vlaamse regering ook andere openbare of private instanties aanwijzen of erkennen en machtigen om het kwaliteitsbeleid van de verzorgingsvoorziening te toetsen.


Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1997 houdende uitvoering van het decreet van 25 februari 1997 betreffende de integrale kwaliteitszorg in de verzorgingsvoorzieningen

Via dit besluit, ter uitvoering van artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet, stelt de Vlaamse minister, na advies van de Vlaamse Gezondheidsraad, een lijst op van thema's inzake het kwaliteitsbeleid, eventueel gedifferentieerd, rekening houdend met de verschillende soorten voorzieningen en met de voor deze voorzieningen geldende erkenningsnormen. Na advies van de Vlaamse Gezondheidsraad duidt de Vlaamse minister de thema's aan die verplicht ontwikkeld dienen te worden, conform artikel 5, § 2, vierde lid, van het decreet en de geldende erkenningsnormen. Voor elk thema bepaalt de Vlaamse minister tevens, na advies van de Vlaamse Gezondheidsraad, de lijst van aanvaarde kwaliteitsindicatoren, conform artikel 5, § 3, tweede lid, van het decreet.

Het totaal aantal te ontwikkelen thema's bedraagt minimum:
-voor de ziekenhuissector: 5, waarvan 3 aangeduid door de Vlaamse minister
- voor de andere sectoren: 3, waarvan 2 aangeduid door de Vlaamse minister

We kunnen ons (nogmaals) afvragen waar die obsessie met het AANTAL thema's vandaan komt, eerder dan met de inhoudelijke gewichtigheid van de thema's. En waarom 5 en niet 7 of 3?

Artikel 4 van het Besluit bepaalt dat ter uitvoering van artikel 6, eerste lid van het decreet, elke erkende voorziening binnen een termijn van 6 maanden, die begint te lopen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de lijst van thema's, van de aanvaarde indicatoren voor elk thema en van de thema's die verplicht moeten worden opgenomen, haar kwaliteitsplan en kwaliteitshandboek ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse minister.

Verder bepaalt het ministerieel besluit dat het kwaliteitsplan en kwaliteitshandboek moeten worden opgesteld overeenkomstig de modellen, opgemaakt door de administratie.
Het kwaliteitshandboek omvat minimaal:
1° een opdrachtsverklaring van de voorziening;
2° de doelstellingen en de omschrijving van het kwaliteitsbeleid en de gekozen thema's;
3° de structuur van de voorziening, met inbegrip van een organigram dat de verantwoordelijkheden en onderlinge verhoudingen duidelijk weergeeft, vooral op het vlak van het kwaliteitsbeleid;
4° naargelang het kwaliteitsbeleid wordt ontwikkeld, op progressieve wijze, de procedures en instructies van het kwaliteitssysteem met betrekking tot de gekozen thema's;
5° een beschrijving van de verantwoordelijkheden inzake het beheer, de beoordeling en de actualisering van het handboek.

Leest u op de websites maar eens de missies (opdrachtverklaring) van onze psychiatrische ziekenhuizen. U zal verschieten van de verhevenheid van deze missies: badend in de mooist mogelijke formuleringen van de 'christelijke basiswaarden' en dus nietszeggend, door hun eigen verhevenheid zo wereldvreemd overkomend als mogelijk. Nietzsche lachte zich een bult. U weet natuurlijk dat op twee na alle Vlaamse psychiatrische ziekenhuizen gerund worden door congregaties en religieuze ordes.
Behalve punt 4 (zeer ingewikkeld geformuleerd en nauwelijks interpreteerbaar voor wie niet tot het kabinet van de minister behoort) slaat geen enkele van deze punten eigenlijk op wat de integrale kwaliteitszorg eigenlijk inhoudt. En inderdaad, wat kwaliteit is en wat gebrek aan kwaliteit is, blijft nog altijd totaal duister.

Art. 5 zegt: Het ingezonden dossier bevat (...) ook de naam en kwalificatie van de kwaliteitscoördinator die door de leiding van de voorziening is aangesteld, alsmede de namen en kwalificaties van de eventuele andere verantwoordelijke personen voor de kwaliteitszorg. [De kwaliteitscoördinator beschikt minstens over een diploma van het niveau hoger onderwijs buiten de universiteit van het korte type of van hoger onderwijs van een basisopleiding van één cyclus. De persoon die kan aantonen dat hij de functie van kwaliteitscoördinator in een verzorgingsvoorziening reeds minstens drie jaar voor de inwerkingtreding van het decreet vervulde, dient niet aan bovenstaande diplomavereisten te voldoen. De kwaliteitscoördinator moet aantonen dat hij de kenmerken, bepalingen, methoden en beginselen van kwaliteitszorg in de betrokken sector kan toepassen, hetzij op basis van een opleiding, hetzij uit een aangetoonde en door de Vlaamse minister aanvaarde ervaring.] Deze kwaliteitscoördinator moet een voldoende interne betrokkenheid hebben.

Hier worden zeer hoge eisen gesteld aan de kwaliteitscördinator. En plots blijken ook al andere personen buiten de kwaliteitscoördinatoren verantwoordelijk te zijn voor de kwaliteitszorg. Natuurlijk is ieder personeeslid op één of andere manier verantwoordelijk voor kwaliteitszorg, zeker in de filosofie van wat toen in bedrijven onder 'integrale kwaliteitszorg' werd verstaan (een begrip waar heden ten dage niemand nog over spreekt). Maar blijkbaar zijn er ook al kwaliteitscoördinatoren operationeel geweest vóór de invoering van het decreet. Kortom, op de meeste plaatsen zullen dezelfde personen die het petje reeds hadden opgezet, gewoon in hun functie bevestigd zijn geweest. De verzorgingsvoorzieningen wisten immers reeds jaren dat het decreet op komst was. Dus: wat heeft het decreet nu eigenlijk veranderd?

En wat moet verstaan worden onder 'voldoende interne betrokkenheid'? Dat ze af en toe op hun bureau of in het ziekenhuis aanwezig moeten zijn?

Art. 7 tenslotte bepaalt: De ambtenaren van de administratie Gezondheidszorg die belast zijn met inspectieopdrachten betreffende de erkenning van de voorzieningen, zijn belast met het toezicht op de toepassing van de bepalingen van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
M.a.w. ambtenaren die niets horen te kennen van kwaliteitszorg, moeten toezien op de uitvoering van het decreet.


Ministerieel besluit van 15 februari 1999 betreffende de uitvoering van het kwaliteitsdecreet in psychiatrische ziekenhuizen

Dit besluit legt de drie thema's i.v.m. het kwaliteitsbeleid vast die de Regering blijkens de voorgaande aan de verzorgingsvoorzieningen kan opleggen. Artikel 2 bepaalt hieromtrent:
§ 4. Voor de psychiatrische ziekenhuizen zijn de thema's:
onthaal: dit is de verbetering van de begeleiding en bejegening van de patiënt vanaf het eerste contact met de voorziening tot de eerste interventie door een zorgverstrekker;
geneesmiddelendistributie: dit is het voorkomen van fouten in de geneesmiddelendistributie, die bestaat uit de bevoorrading, het voorschrijven, het verstrekken van duidelijke informatie aan de patiënt, de voorbereiding, het klaarzetten, het toedienen, en de registratie;
zorgcommunicatie: dit is het verbeteren van de intra- en interdisciplinaire communicatie met betrekking tot de patiëntenzorg binnen een voorziening en bij het ontslag van de patiënt, onder andere door de uitbouw van een interdisciplinair patiëntendossier en behandelplan, met het oog op het optimaliseren van de efficiëntie en continuïteit van de zorg.

Onze bedenkingen:
onthaal: blijkbaar is de bejegening van de patiënt bij de zorgverstrekking zelf minder belangrijk. Nochtans valt daar nogal één en ander op aan te merken: patiënten die dikwijls geenszins weten wanneer ze de behandelende psychiater of psycholoog kunnen spreken; het is dagelijks gebruik in veel psychiatrische voorzieningen dat psychiaters beloofde afspraken niet nakomen of uren of halve dagen na het voorziene spreekuur aankomen; dikwijls quasi-onmogelijkheid om afspraken te maken met psychologen (als die er al zijn); totaal gebrek aan systematiek in het onderzoek van de patiënt; dikwijls wordt de patiënt slechts ernstig genomen als een derde (familielid, partner) tussenkomt; soms wordt info van die derden ernstiger genomen dan info verstrekt door de patiënt zelf; veelal wordt alleen aandacht besteed aan de aanleiding tot de opname en nauwelijks aan de onderliggende soms verborgen problematiek; veel gesprekken tussen patiënt en psychiater beperken zich tot de reactie op de gegeven medicatie; enzovoort.
geneesmiddelendistributie: het lijkt ons evident dat een ziekenhuis secuur is wat betreft de verstrekking van medicijnen. Hier wordt meer NIET gezegd dan wel gezegd: nl. dat de Regering alleen oog heeft voor de medicamenteuze behandeling en helemaal niet voor de psychotherapeutische omgang met de patiënt (cf. hierboven).
zorgcommunicatie: deze betreft uitsluitend de communicatie tussen de zorgverstrekkers. De communicatie met de patiënt (b.v. uitleg over de aandoening; deze blijft in heel veel gevallen uiterst summier, ook ten overstaan van hooggeschoolden laat staan ten overstaan van patiënten met een 'beperkt begripsvermogen' zoals men dat noemt) is voor de minister blijkbaar secundair en van onwezenlijk belang.

Verder bepaalt §4 van artikel 2:
De aanvaarde indicator die gekoppeld wordt aan het verplichte thema onthaal is de satisfactie van de patiënt over de bejegeningsaspecten tijdens het onthaal.
De aanvaarde indicatoren die gekoppeld worden aan het verplichte thema geneesmiddelendistributie zijn:1° percentage onvolledige medicatieschema's; 2° percentage medicatie die is klaargezet en die niet overeenstemt met de gegevens op het medicatieschema.
De aanvaarde indicatoren die gekoppeld worden aan het verplichte thema zorgcommunicatie zijn: 1° percentage van de interdisciplinaire dossiers die ingevuld zijn volgens het systematisch handelen; 2° percentage van de voorlopige ontslagbrieven die verstuurd zijn binnen de twee dagen na ontslag.

Nogmaals drukken we er onze verwondering over uit dat dit thema zo expliciet moet benadrukt worden. Vriendelijke opvang is toch vanzelfsprekend. Het lijkt er wel op dat alle zeilen moeten bijgezet worden opdat de patiënt die zich aanmeldt het niet weer op een lopen zet wanneer hij/zij geconfronteerd wordt met de realiteit van een psychiatrische voorziening (gesloten deuren, uren wachten op de eerste zorgverstrekking, geen of minimale zorg bij aankomst in het WE, e.d.).
Voor wat betreft het correct naleven van de medicatieschema's: ook dit lijkt zo vanzelfsprekend dat het verwondering wekt dat dit vanuit de Regering moet benadrukt worden: wordt er in de praktijk dan zo slordig met deze medicatieschema's omgesprongen? Het kan bijna niet anders, al hebben we in onze eigen ervaring daaromtrent nooit veel klachten opgevangen.
Tenslotte: het benadrukken van het systematisch bijhouden van interdisciplinaire dossiers zal vermoedelijk eerder aanleiding geven tot veel administratieve rompslomp maar niet noodzakelijk tot betere inhoudelijke interdisciplinaire coördinatie en zeker niet tot een betere systematische aanpak van de begeleiding van de patiënt. Nu reeds is het zo dat het verpleegkundig personeel haar omgang met de patiënten moet inperken omwille van het vele overbodige administratieve werk.
Het overmaken van de ontslagbrief aan de arts die instaat voor de nazorg, lijkt ons niet zo prioritair: of dit nu binnen twee dagen of vijf dagen gebeurt lijkt ons het punt niet. Wel belangrijk is: dat de patiënt ingelicht wordt over de inhoud van de nazorg en welke adviezen de behandelende psychiater overmaakt aan de arts die instaat voor de nazorg.

§ 5 van artikel 2 bepaalt: De nadere regels inzake de thema's en aanvaarde indicatoren vermeld in de [§ 4] worden meegedeeld via omzendbrief van de Vlaamse minister. De registratie, desgevallend eveneens de te gebruiken vragenlijst, en rapportage met betrekking tot de aanvaarde indicatoren vermeld in de [§ 4]10, dient te gebeuren overeenkomstig de richtlijnen van de administratie.
Deze omzendbrief wordt hieronder besproken.

Art. 3 stelt: De interne betrokkenheid van de kwaliteitscoördinator in […] psychiatrisch ziekenhuis, zoals bepaald in artikel 5, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse regering, wordt als voldoende beschouwd indien deze persoon minimaal halftijds is verbonden aan het ziekenhuis. De kwaliteitscoördinator kan binnen deze minimaal halftijdse tewerkstellingsverbintenis nog andere taken dan deze van kwaliteitscoördinator uitoefenen in functie van de noden van het ziekenhuis.

Na al het tralala over kwaliteit blijkt de inbreng van de kwaliteitscoördinator in psychiatrische ziekenhuizen dus beperkt te mogen blijven vergeleken met andere ziekenhuizen. Kortom, zijn aanwezigheid is blijkbaar eerder overbodig dan gewenst.


Omzendbrief van 20 april 1999 betreffende de uitvoering van het kwaliteitsdecreet in algemene, universitaire, categorale en psychiatrische ziekenhuizen

Deze omzendbrief bepaalt voor de algemene en universitaire ziekenhuizen, de categorale ziekenhuizen en de psychiatrische ziekenhuizen de nadere regels inzake de thema's en aanvaarde indicatoren vermeld in artikel 2, §§2 tot en met 4, van het ministerieel besluit van 15 februari 1999 betreffende de uitvoering van het kwaliteitsdecreet in algemene, universitaire, categorale en psychiatrische ziekenhuizen.

Deze zijn voor de psychiatrische ziekenhuizen:
A. Indicator voor het verplichte thema 'onthaal':
Satisfactie van de patiënt over de bejegeningsaspecten tijdens het onthaal. Een satisfactiemeting is een enquête die beoogt de tevredenheid van personen te meten. Binnen het kwaliteitsthema 'onthaal' beperkt deze meting zich tot de tevredenheid van de patiënten over de bejegeningsaspecten rond het onthaal in het ziekenhuis. Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen:
- Satisfactie van de vrijwillig opgenomen patiënt over de bejegeningsaspecten tijdens het onthaal
- Satisfactie van de gedwongen opgenomen patiënt over de bejegeningsaspecten tijdens het onthaal
- Satisfactie van de heropgenomen patiënt over de bejegeningsaspecten tijdens het onthaal

We hebben er reeds onze verwondering over uitgesproken dat blijkbaar alleen het ONTHAAL aan een zekere kwaliteit moet voldoen. De omzendbrief van de minister vraagt dat de tevredenheid met het ‘onthaal’ ‘gemeten’ wordt via een enquête, d.i. een bijzonder oppervlakkige techniek, zonder enige kwalitatieve informatie. Die meting wordt zoals iedereen kan vaststellen door de patiënt doorgaans ondergaan als een onderdeel van de administratieve procedures en niet als een eigenlijke satisfactie-evaluatie. Overigens kan de bekomen informatie niet worden benut omdat ze alleen 'cijfertjes' op meetschalen bevat (van het genre ‘helemaal tevreden = 5’, ‘eerder tevreden dan ontevreden = 4’ tot ‘helemaal ontevreden = 1’). Op dergelijke gegevens kunnen moeilijk inhoudelijke correcties op het onthaal vanwege het (verpleegkundig) personeel worden doorgevoerd.

B. Indicatoren voor het verplichte thema 'geneesmiddelendistributie': de nadere regels en de registratie- en rapportagemethoden voor deze indicatoren zijn identiek aan deze beschreven voor de algemene en universitaire ziekenhuizen.

C. Indicatoren voor het verplichte thema 'zorgcommunicatie':

1) Percentage van de interdisciplinaire dossiers die ingevuld zijn volgens het systematisch handelen. Het werken met interdisciplinaire dossiers is een basisvoorwaarde voor een goede communicatie tussen interdisciplinaire teamleden. Daarom moet het interdisciplinaire dossier (volgens de omzendbrief) op een systematische manier opgebouwd zijn waarin de volgende elementen herkenbaar zijn:
1. Gegevens verzameling van de verschillende disciplines
2. Probleem formulering/definiëring
3. Formulering van doelstellingen
4. Beschrijving van de uit te voeren actieplannen en vermelding van de verantwoordelijken
5. Evaluatie van de resultaten van de uitgevoerde acties en terugkoppeling ervan
Het werken met interdisciplinaire dossiers is een basisvoorwaarde voor een goede communicatie tussen teamleden. Het is nuttig bij overdrachtsmomenten (bijvoorbeeld tussen de teamleden van de nachtdienst en die van de vroegdienst) en zeker bij gevalsbesprekingen. Om het gebruik van dit dossier zo effectief mogelijk te maken, is het natuurlijk ook noodzakelijk dat de medewerkers de juiste houding hebben, overtuigd zijn van het belang van het dossier en daarom bereid zijn om met het dossier op een systematische manier te werken. Deze positieve attitude wordt in de hand gewerkt wanneer het dossier een vlot hanteerbaar instrument is met duidelijke instructies voor de correcte invulling ervan. Om het gebruik van het dossier verder te stimuleren, is het dan ook nuttig dat een leidinggevend persoon opvolgt of en hoe het dossier gebruikt wordt.

Tot daar de omzendbrief m.b.t. deze indicator. Uiteraard is interdisciplinaire communicatie essentieel. In de praktijk kan het aanleggen van zo'n omslachtig dossier zoals de minister oplegt, echter alleen leiden tot een overbodige administratieve rompslomp zonder enige therapeutische waarde. Kortom, tot een enorme verspilling van tijd en energie die niet besteed kan worden aan de omgang met de patiënten of aan de interdisciplinaire communicatie zelf.
Nergens is voorzien dat de communicatie met de patiënt aan enige kwaliteitscriteria moet voldoen en zeker niet dat de patiënt betrokken zou worden bij deze interdisciplinaire communicatie.
De minister zou beter opleggen dat gevalsbesprekingen hoe dan ook gehouden worden (wat geenszins overal het geval is), vastleggen hoeveel tijd minimaal aan een gevalsbespreking moet worden gewijd en voorzien dat de betrokkene, indien hij/zij dat vraagt of verzoekt, bij deze gevalsbespreking aanwezig kan zijn.

2) Percentage van de voorlopige ontslagbrieven die verstuurd zijn binnen de 2 dagen na het ontslag. De voorlopige ontslagbrief moet voldoen aan een minimale structuur met de volgende rubrieken:
1. Identificatie van de patiënt
2. Startdiagnose of probleem bij opname
3. Verblijfsduur
4. Toestandsbeeld bij ontslag
5. Medicatie
6. Afspraken in verband met de opvolging
7. Dagtekening
De zorgcommunicatie bij het ontslag wordt vergemakkelijkt wanneer de psychiater een voorlopige ontslagbrief invult met de meest essentiële informatie en of deze snel verstuurt naar de huisarts of de zorgverstrekker naar wie de patiënt wordt doorverwezen of meegeeft aan de patiënt. Dit verbetert de continuïteit van de zorg gezien deze persoon dan snel een overzicht krijgt van de basisinformatie over de opname van de patiënt. Bij problemen kan zij of hij dan een concreter beeld vormen van de problematiek van de patiënt, gerichte zorg bieden en eventueel contact opnemen met de behandelende geneesheer in de voorziening.
Patiënten kunnen evenwel weigeren dat een ontslagbrief wordt gestuurd naar hun huisarts. In dit geval moet de behandelende psychiater dit in het dossier melden.
Er kan geopteerd worden voor de responsabilisering van de patiënt, wat onder andere inhoudt dat de patiënt betrokken wordt bij het gehele ontslagproces en dat de ontslagbrief aan de patiënt meegegeven wordt als die het ziekenhuis verlaat. Ook communicatie naar de familie, die de patiënt zal opvangen is een essentieel element naar continuïteit van zorg toe, doch werd niet opgenomen in deze indicator. Voorzieningen die hun zorgcommunicatie willen optimaliseren kunnen een gelijkaardige indicator ontwikkelen rond communicatie met de familie.
Voorlopige ontslagbrieven die aan de patiënt worden meegegeven, worden als verstuurd beschouwd. Een voorlopige ontslagbrief wordt als verstuurd geacht op de dag van de dagtekening van deze brief. De dagtekening wordt in dagen uitgedrukt. De voorlopige ontslagbrief beslaat ideaal één pagina en wordt door de behandelende geneesheer ingevuld.

Tot zover de omzendbrief m.b.t. deze indicator. Ook hier overheerst het formalisme. Waarom 2 dagen na het ontslag en niet 3 of 4?
De responsabilisering, die nu genoemd wordt maar niet geëxpliciteerd, zou er kunnen in bestaan dat er minstens een exit-interview is of ontslaggesprek van bijvoorbeeld een halfuur (waar dat zich nu dikwijls beperkt tot een 'veel succes en tot ziens'), dat de patiënt de ontslagbrief mag lezen en om verduidelijking mag vragen in begrijpbare taal.


Decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg

De accentverschuivingen doorheen de jaren 1990 naar meer centra voor geestelijke gezondheidszorg (in plaats van psychiatrische ziekenhuizen) met de stelselmatige afbouw van het aantal psychiatrische bedden, de uitbouw van voorzieningen zoals beschut wonen, e.d. verklaren de totstandkoming van onderhavig decreet dat de werking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg regelt.

Het decreet (artikel 2) verstaat onder een centrum voor geestelijke gezondheidszorg: de erkende verzorgingsvoorziening die op multidisciplinaire wijze ambulante geestelijke gezondheidszorg verleent in een extramuraal kader aan personen wiens geestelijke gezondheid verstoord is.

We blijven hier haken aan het principe van de multidisciplinariteit. In veel gevallen hebben geestesstoornissen inderdaad een multidimensioneel karakter: de psychische problemen gaan soms gepaard met lichamelijke klachten, met sociale problemen van allerlei aard (werkloosheid, armoede en financiële ontoegankelijkheid van sommige voorzieningen b.v. psychoanalyse of orthomoleculaire psychiatrie à la Dr. Michael Maes). Toch gaan wij ervan uit dat doeltreffende psychische hulpverlening steunt op een diepe en zich uitdiepende vertrouwensrelatie van de patiënt met één hulpverlener. De wetenschap dat door de patiënt (ook een kind) verstrekte gegevens gedeeld worden door een multidisciplinair team van mensen waarvan men het merendeel nauwelijks kent, verkleint de kans dat de hulpvragende zich bloot zal geven en verkleint dus de kans op emotionele doorbraken in de begeleiding. Een diepgaande psychische reorganisatie bij de hulpverlener is slechts mogelijk in de context van intense vertrouwensrelaties zoals die bereikt worden in de relatie met een hulpverlener waarmee het 'klikt' of in een goed omkaderde groepstherapie waar de deelnemer de relaties met alle anderen (mededeelnemers, begeleiders) getoetst heeft op hun vertrouwensdimensie. Tegenover een multidisciplinair team van deskundigen en experts kan die vertrouwensrelatie nooit tot stand komen. We vrezen dus dat multidisciplinariteit in veel gevallen zal uitmonden in oppervlakkige hulpverleningsrelaties, m.a.w. in zorgrelaties die gemakkelijk worden afgebroken. Precies dat, wat zo zal blijken (zie sub), het regeringsbeleid wil vermijden.

Art. 3 stelt:  Een centrum voor geestelijke gezondheidszorg is overeenkomstig de opdrachtverklaring, verplicht aan iedere patiënt, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, van ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en zonder onderscheid van de vermogenstoestand van de betrokkene, verantwoorde zorg zoals bedoeld in artikel 4 te verstrekken en hem op een respectvolle manier te behandelen.

We hebben deze opdracht reeds ontmoet bij het decreet over de integrale kwaliteitszorg in de psychiatrische ziekenhuizen. We komen hier niet op onze bespreking van deze opdracht terug.

Art. 4. § 1. Een centrum voor geestelijke gezondheidszorg verstrekt verantwoorde zorg als deze zorg voldoet aan de vereisten van doelmatigheid, doeltreffendheid, continuïteit, veiligheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid, en bestaat uit onder meer volgende elementen: intake, diagnose en indicatiestelling, sociaal-psychiatrische en psychotherapeutische behandeling en begeleiding, informatie en adviesverstrekking aan verwijzers met betrekking tot haar opdracht, werkingsbeginselen en doelgroepen.

Het eerste deel van dit artikel is eveneens overgenomen van het reeds besproken decreet voor de psychiatrische ziekenhuizen.
De sequentie intake -> diagnose -> 'behandeling' lijkt ons niet te getuigen van kennis van de wijze waarop een psychotherapeutisch proces verloopt. Die drie elementen zijn zomaar niet van elkaar af te zonderen: een 'behandeling' moet steeds getoetst worden en eventueel moet de 'diagnose' voortdurend worden bijgesteld. Belangrijker is een intersubjectieve vertrouwensrelatie op te bouwen waarbinnen 'iets kan gebeuren'. Het stellen van een 'diagnose' en het opmaken van een 'behandeling' herleidt de hulpvrager tot een 'object', iets als een kapotte auto die hersteld moet worden. Zo gaat alleen de cognitieve gedragstherapie te werk en deze is niet alleen zaligmakend, verre van.

Ook § 2 'Onverminderd de bepalingen van § 1 en na overleg met de patiënt, overlegt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg met de verwijzer en in voorkomend geval met andere betrokken hulpverleners en/of personen uit de leefomgeving van de patiënt. Dit overleg leidt tot afspraken over de bijdrage tot de zorg van elk van deze samenwerkende betrokkenen': dit is in het licht van het voorgaande niet zo evident. Alleen al omdat de hulpvrager op zijn privacy kan zijn gesteld en het overleg met derden precies een hinderpaal kan zijn voor efficiënte begeleiding en het ontwikkelen van de zo nodige vertrouwensrelatie tussen hulpvrager en hulpverlener. De autonomie van de hulpverlener wordt hier duidelijk miskend. In veel gevallen is de belofte tot geheimhouding vanwege de hulpverlener voor de patiënt/cliënt heilig en voorwaarde om zijn problemen open en bloot voor te leggen, m.a.w. voorwaarde voor een werkelijk therapeutisch proces.

Hoofdstuk II betreft de OPDRACHTVERKLARING EN WERKINGSBEGINSELEN.
Art. 7. § 1. De geestelijke gezondheidszorg heeft als opdracht de verantwoorde zorg aan te bieden met het oog op het herstel van het psychisch evenwicht of het draaglijk maken van psychische stoornissen voor patiënten en hun leefomgeving, opdat aldus patiënten competenties verwerven of ontwikkelen die de basis vormen voor hun emancipatie en hun maatschappelijk geïntegreerd functioneren.
Wij zijn het fundamenteel oneens met deze opdrachtverklaring, zoals we reeds uitvoerig belicht hebben in onze kritische bespreking van de beleidsnota minister Vervotte (zie de hierna volgende 'chronologisch oudere' log:
'Uit de beleidsnota van minister inge vervotte'). We betreuren het accent op de leefomgeving van de hulpverlener: de hulpverlener moet werken in het belang van de hulpvrager, niet in het belang van derden (al is het de partner). Dit ligt eventueel moeilijker in het geval ouders met een probleemkind komen: wie is hier de hulpvrager, wie is het 'probleem'? Geen psychotherapeutische begeleiding is mogelijk als de hulpverlener niet solidair  is met de hulpvrager. Hier wordt psychotherapie verward met het uitoefenen van sociale controle ten behoeve van derden die dikwijls zelf het probleem zijn.
Verder is de scheiding tussen emancipatie (die hier als 'egoïsme' klinkt) en maatschappelijk functioneren bijzonder ongelukkig.
We verwijzen naar onze kritiek op inge's beleidsnota. Het behoort tot de existentïële vrijheid van de persoon en elke burger (dus ook de hulpvrager) zelf uit te maken hoe hij zijn emancipatie vertaalt in een welbepaalde door hem gekozen maatschappelijke participatie. Het is niet aan de centra voor 'politieagent' te spelen.

§ 2. De centra voor geestelijke gezondheidszorg dragen bij tot de verwezenlijking van de opdracht zoals bepaald in § 1.

De WERKINGSBEGINSELEN lijken ons dan ook in tegenspraak met de opdrachtverklaring. Art. 8 stelt: 'Onverminderd de bepalingen van het decreet van 25 februari 1997 betreffende de integrale kwaliteitszorg in de verzorgingsvoorzieningen is de aangeboden zorgverlening gebaseerd op respect voor de persoonlijke levenssfeer van de patiënt. Daarnaast zal zij maximaal een beroep doen op de medeverantwoordelijkheid en de zelfredzaamheid van de patiënt en zo gebruik maken van de minst ingrijpende behandeling om ten aanzien van de vastgestelde problematiek het gewenste effect zo maximaal mogelijk te bereiken.'
De formulering is inherent contradictorisch. 'Respect voor de persoonlijke levenssfeer' impliceert volledige verantwoordelijkheid, geen mede-verantwoordelijkheid. Het is trouwens helemaal niet duidelijk wat hier met '(mede)verantwoordelijkheid' wordt bedoeld. De zelfredzaamheid moet middel én doel zijn, niet iets waar men even beroep op doet. De spanning tussen het psychotherapeutische doel van de emancipatie en maatschappelijke onderdrukkende machtsrelaties moet onderkend worden en niet weggemoffeld worden.

In de opdrachtverklaring en werkingsbeginselen schuilen tegenstrijdige mensfilosofieën. Die moeten niet in decreet gegoten worden maar onderhandeld worden tussen hulpvrager en hulpverlener. Ook hier loert het gevaar van tegenstrijdige mensopvattingen binnen een multidisciplinair team wat de hulpverlening zal verlammen.

Art. 9. § 1. Teneinde bij te dragen tot de vervulling van de opdracht zoals bepaald in artikel 7:
1° profileert het centrum voor geestelijke gezondheidszorg zich als tweedelijnsgezondheidsvoorziening; (waarom zou het geen eerstelijnsvoorziening mogen zijn? waarom moet het probleem eerst gemedicaliseerd zijn?)
2° stelt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg het belang van de patiënt centraal; (wisten we maar wat deze zin uit de tijd van de oude CVP wilde zeggen!!)
3° schenkt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg uitdrukkelijk aandacht aan kinderen, ouderen en aan sociaal en financieel zwakkere personen; (deze positieve discriminatie is betwistbaar en je weet niet waar je aan begint: wat met de ouderen die rijk zijn?; allen gelijk voor de wet! zouden we zeggen)
4° werkt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg interdisciplinair en benadert de patiënten vanuit psychiatrische, psychologische, agogische en sociale disciplines. Het centrum voorziet daartoe in logistieke ondersteuning; (we hebben onze bezwaren tegen deze interdisciplinariteit reeds belicht)
5° functioneert het centrum voor geestelijke gezondheidszorg binnen één of meer psychiatrische netwerken waarin samenwerkingsafspraken en procedures zijn overeengekomen teneinde een voldoende, gedifferentieerd en doelgroepgericht geestelijk gezondheidszorgaanbod te realiseren, zodat patiënten er terecht kunnen voor passende zorg op maat; (zorg op maat gaat juist verloren als er psychiatrische netwerken aan te pas komen! en waarom 'psychiatrische'? en wat wordt hier eigenlijk bedoeld: dat de hulpverlener kan KIEZEN tussen verschillende deskundigheden of dat hij onderwerpen wordt aan een interdisciplinair inquisitie-orgaan?)
6° duidt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg multidisciplinaire teams aan die aan kinderen en aan ouderen, bedoeld in 3°, geestelijke gezondheidszorg verlenen; (zoals reeds aangehaald: niet zo vanzelfsprekend als het lijkt en mogelijk therapeutisch contraproductief)
7° maakt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg afspraken met zijn verwijzers en werkt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg samen met eerstelijnsgezondheids- en welzijnsvoorzieningen binnen zijn werkgebied;(volgens ons alleen als de hulpverlener daarom verzoekt!!)
8° ontwikkelt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg een deontologische code en respecteren de medewerkers van het centrum voor geestelijke gezondheidszorg het beroepsgeheim; (beroepsgeheim: blijkbaar niet tussen collega's en experts van andere disciplines!)
9° verleent het centrum voor geestelijke gezondheidszorg zijn medewerking aan preventieve acties die kaderen in het verlengde van zijn opdracht en die gericht zijn op specifieke risicogroepen in de bevolking en sluit daartoe samenwerkingsakkoorden met de LOGO's die actief zijn binnen het werkgebied van het centrum voor geestelijke gezondheidszorg.

Deze 9 punten lijken op het eerst zicht zo vanzelfsprekend maar ze vormen binnen de opdrachtverklaring en de werkingsbeginselen een resem van interne contradicties.

§ 2. De regering kan bijkomende taken opdragen aan de centra voor geestelijke gezondheidszorg ten behoeve van specifieke doelgroepen, problematieken of regionale behoeften of in geval van acute crisissituaties. No Problem!

§ 3. Teneinde de effectiviteit, uniformiteit en professionaliteit van de aanpak van de drugproblematiek te vrijwaren, doen de centra voor geestelijke gezondheidszorg een beroep op de ondersteuning en begeleiding van de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) of haar rechtsopvolger.
Ongeacht ons respect voor het werk van de VAD zien wij deze opgelegde inschakeling van de VAD als een niet te verantwoorden beperking van de vrijheid van de hulpverlener en een contraproductieve bezwaring van de relatie hulpvrager-hulpverlener.

Art. 10. § 1. Ter uitvoering van de bepaling omschreven in artikel 4 stelt het centrum voor geestelijke gezondheidszorg een handelingsplan op voor elke patiënt. § 2. De opstelling, de voortgangsbewaking en de eindevaluatie van elk handelingsplan gebeurt door een multidisciplinair team onder leiding van een psychiater. Het is volkomen onduidelijk wat met een handelingsplan wordt bedoeld en al evenzeer waarom dit zou moeten vallen onder de supervisie van een multidisciplinair team (cf. onze vorige bemerkingen op dit punt) geleid door een psychiater (waarom per se een psychiater?).

De volgende bepalingen en hoofdstukken van het decreet zijn eerder technisch en betreffen de erkenning van het centrum, de subsidiëring, de programmatie, de wetenschappelijke ondersteuning vanuit de overheid, de leiding van de centra en het toezicht en de visitatie van de centra.


Ministerieel besluit van 3 juni 1999 betreffende de uitvoering van het kwaliteitsdecreet in de centra voor geestelijke gezondheidszorg

Dit besluit regelt de thema's en indicatoren inzake het kwaliteitsbeleid in de centra voor geestelijke gezondheidszorg die verplicht dienen ontwikkeld te worden. Deze thema's zijn:
onthaal: dit is de verbetering van de begeleiding en bejegening van de patiënt vanaf het eerste contact met de voorziening tot aan de eerste interventie door een zorgverstrekker;
problematische afsluiting: dit is het verbeteren van de benadering van de patiënt bij het niet in onderling overleg afbreken van de behandeling door de patiënt of door de
zorgverlener.

Alleen onthaal en afsluiting vormen blijkbaar een zorg voor de minister. Wat er tijdens de begeleiding gebeurt, moet blijkbaar niet aan kwaliteit voldoen. HIER KOMEN WE DAN OOK BIJ EEN FRUSTREREND DILEMMA. Aan de éne kant zijn er heel wat psychiaters die maar wat aanmodderen met hun cliënten en zijn er therapeuten die therapie verwarren met een gesprekje over 'hoe is het de afgelopen week geweest?'. Hier verwachten we dat de cliënt beschermd wordt tegen kwaliteitsloze maar dikwijls niet goedkope begeleiding en voor deze bescherming kan alleen de overheid zorgen. De Orde van Geneesheren bijvoorbeeld heeft als corporatistische groep bewezen klachten nauwelijks ook au sérieux te nemen: ze geeft zelfs een Koninklijk Besluit kunnen fiksen dat haar 'verbiedt' de klachtenindiener in te lichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven. De zelfregulering door de beroepsgemeenschappen functioneert niet.
Aan de andere kant ZOU REGELGEVING M.B.T. KWALITEIT DE THERAPEUTISCHE VRIJHEID VAN COMPETENTE THERAPEUTEN ERNSTIG KUNNEN BEKNOTTEN EN DE AUTONOMIE VAN THERAPEUT EN CLIËNT OM SAMEN AFSPRAKEN TE MAKEN OVER DE INHOUD EN VORM VAN DE BEGELEIDING DANIG KUNNEN UITHOLLEN. Dat is met name in Nederland het geval. Ziet u maar op www.devrijepsych.nl : in Nederland dwingen de zorgverzekeraars de therapeuten het aantal sessies drastisch in te krimpen. TEVEEL INMENGING VAN DE OVERHEID LEIDT MISSCHIEN WEL TOT TRANSPARANTIE MAAR OOK TOT THERAPIE ALS EENHEIDSWORST: DERGELIJKE UNIFORME, BUREAUCRATISCHE EN GESTANDAARDISEERDE 'STAATS'THERAPIE STAAT VOLLEDIG HAAKS OP HET WEZEN VAN PSYCHOTHERAPIE.
Hoe geraken we hier uit?

Discussie omtrent de indicatoren die de minister aanbrengt met betrekking tot het thema 'onthaal', verliest dan ook elk gewicht in het licht van het hierboven geschetst dilemma. Welke zijn die indicatoren?

"De aanvaarde indicatoren die gekoppeld worden aan het verplichte thema onthaal zijn:
1° satisfactie van de patiënt omtrent de kwaliteit van verschillende deelaspecten van het onthaal; 2° percentage van de telefonische oproepen die binnen de kantooruren persoonlijk worden beantwoord; 3° tijdsverschil tussen de eerste hulpvraag door de patiënt en de eerste interventie door
de hulpverlener."
We hebben het over 1° reeds gehad. 2° en 3° hebben te maken met goed management en in se niets met de kwaliteit van de hulpverlening of begeleiding. Ons lijkt het dat er geen ministerieel besluit voor nodig is opdat centra zouden inzien dat ze punten2° en 3° moeten optimaliseren.

"
De aanvaarde indicator die gekoppeld wordt aan het verplichte thema problematische afsluiting is het percentage van de problematische afsluitingen waarbij de procedure aangaande problematische afsluiting gevolgd werd en in het dossier genoteerd staat." Dat lijkt ons kafkaiaans!

Het Besluit bepaalt verder in art. 2 §3: "De nadere regels inzake de thema's en aanvaarde indicatoren vermeld in § 2 worden meegedeeld via omzendbrief van de Vlaamse minister. De registratie, desgevallend eveneens de te gebruiken vragenlijst, en rapportage met betrekking tot de aanvaarde indicatoren vermeld in de § 2, dient te gebeuren overeenkomstig de richtlijnen van de administratie." Hier zien we reeds dat gevaar van een staatstherapie opduiken.

Art. 3 bepaalt: "De interne betrokkenheid van de kwaliteitscoördinator in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg (...) wordt als voldoende beschouwd indien deze persoon minimaal halftijds is verbonden aan het centrum voor geestelijke gezondheidszorg. De kwaliteitscoördinator kan binnen deze minimaal halftijdse tewerkstellingsverbintenis
nog andere taken dan deze van kwaliteitscoördinator uitoefenen in functie van de noden van het centrum voor geestelijke gezondheidszorg." We hebben het over de kwaliteitscoördinator reeds voldoende gehad n.a.v. eerder besproken Besluiten. We komen er niet op terug.

!!! DRUK OP 'lees verder' VOOR DE DECRETEN EN BESLUITEN UITGEVAARDIGD NA HET JAAR 2000 !!!

Lees verder...

uit de beleidsnota van minister inge vervotte

Inge Vervotte, Vlaams minister van welzijn, volksgezondheid en gezin, vat hoofdstuk 8 'Geestelijke Gezondheidszorg' van haar Beleidsnota 2004-2009 aan met de volgende inleiding:

 

'Geestelijke gezondheid bevorderen is bijdragen tot het psychisch evenwicht van mensen en het draaglijk maken van psychische stoornissen voor patiënten en hun leefomgeving. Geestelijke gezondheidszorg beoogt dat mensen competenties verwerven of ontwikkelen, die de basis vormen voor hun emancipatie en hun maatschappelijk (geïntegreerd) functioneren.'

 

Bij deze inleiding kunnen heel wat wenkbrauwen worden gefronst. Is 'psychisch evenwicht' wel echt een teken van gezondheid of is evenwicht in een bepaald opzicht ook niet eerder van vorm van verstarring, van vast geroest zitten? Een gezond persoon vertoont o.i. steeds een dynamiek, hij of zij is steeds in wording, is voortdurend bezig te evolueren in een continu voortgaand proces dat pas eindigt met zijn dood. Dit geldt zowel op cognitief als op affectief vlak. Niet alleen onze kennis maar ook onze gevoelens tegenover anderen en tegenover ons zelf zijn voortdurend in beweging. We zouden dus met evenveel stelligheid kunnen beweren dat de gezonde persoon fundamenteel in ONEVENWICHT is, hij of zij is steeds op weg en dus in zekere mate wankel en kwetsbaar.

 

Verder valt in Inge's inleiding op dat het belang van de leefomgeving (de familie, de nabestaanden) even hoog wordt ingeschat als het belang van het psychisch gestoorde individu zelf. We merken hier enerzijds de officiële filosofie van de christen-democratie, het personalisme dat een mens ziet in zijn 'relaties', in zijn 'integratie' in ruimere gehelen en dat zo openlijk geneigd is het begrip autonomie van de persoon uit te hollen. Zo vindt bvb. prof. Alex Liegeois, eenheid pastoraaltheologie van de Katholieke Universiteit Leuven, dat de wet betreffende de patiëntenrechten (zie elders op deze site) te zeer uitgaat van de autonomie van de patiënt: hij vindt dat er meer overleg moet zijn, met de familie met name. Nu krijgt de patiënt eens een paar rechten en daar gaat men van conservatieve kant onder het mom van het mooie woord personalisme gaan zeuren dat de patiënt de uitoefening van die rechten beter zou delen, afstaan dus aan zijn o zo heilige familie. Dit terwijl de geest van de Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke er bijvoorbeeld precies in bestaat om de persoon te beschermen tegen het feit dat zijn of haar familie hem of haar als een last beschouwt.

 

Inge's inleiding met die nadruk op het comfort van de leefomgeving (i.e. de familie) verraadt ongetwijfeld ook het enorme gewicht van de vzw Similes, de uiterst goed georganiseerde vereniging van gezinsleden en nabij-betrokkenen van personen met psychiatrische problemen. Similes geeft in se niet om de belangen van de patiënt, wel om die van de familieleden. Dat is haar goed recht, maar de invloed van deze familiefilosofie op het beleid wordt wel buitensporig groot. Want iedereen weet dat veel personen met psychiatrische problemen overhoop liggen met hun gezinsleden en dat zich tussen beiden dikwijls een mini-burgeroorlogje afspeelt. In menig geval vormt de familie (i.h.b. ouders bij jongere psychisch gestoorden) een element in het ontstaan van de stoornis: ik heb in mijn ervaringsdeskundigheid als psychiatrisch patiënt genoeg gevallen gezien die door de tegenstrijdige 'eisen' van hun familie serieus gek werden. Similes gaat de realiteit over de dikwijls gestoorde relatie tussen patiënt en familie steeds uit de weg, zoals het een goed christen beaamt: zo weigert ze te antwoorden op onze vraag hoe ze zich als vereniging opstelt t.o.v. conflicten tussen familieleden. Similes doet alsof die conflicten een gevolg zijn van de psychiatrische stoornis van de patiënt, waar het dikwijls andersom is. Verenigingen van familieleden bevatten onder hun leden een ruim aantal mensen die één of ander psychisch belang hebben bij de stoornis van hun gezinsgenoot en in die zin hoort het o.i. dat Similes een wat meer bescheiden plaats zou toebedeeld krijgen. Wat wie staat zwak en is nauwelijks georganiseerd: dat is de patiënt, de psychisch gestoorde zelf natuurlijk.

 

Similes heeft ook een enorme invloed binnen de Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheidszorg (VVGG) die op haar website wellicht niet toevallig spreekt van 'de rechten van de patiënt en zijn omgeving'. In dit Vlaanderen dat bloeide tijdens de Renaissance, heeft de Verlichtingsgedachte nooit veel armslag gekregen en we mogen vermoeden dat nog decennialang de bevoegdheid voor welzijn en gezondheid onder de vleugels van een of andere gezinsfilosofisch geschoolde zal vallen. Het is opvallend dat op federaal niveau deze gezinsfilosofie die de autonomie van het individu aan banden wil leggen, veel minder aan zijn trekken komt. Similes staat binnen de VVGG op gelijke hoogte als de patiënten zelf, in de praktijk op een veel grotere hoogte want de slagkracht van de patiëntenverenigingen (waarvan één dan nog gesponsored wordt door vijf psychofarmaca-firma's) is uiterst gering. Similes is ook uiterst goeie maatjes met de verzorgingsinstellingen, de psychiaters én de farmaceutische firma's. Alleen de eigen familieleden met psychiatrische problemen (een drugverslaafde zoon of dochter, een gek geworden partner), daarmee vlot het blijkbaar niet altijd zo best.

 

De familieleden hebben 'last' van de psychiatrisch gestoorde: 'hij eet niet, hij plakt de vensters af'. Waar het de 'familieleden' om gaat is niet dat de betrokkene 'geneest', maar wel dat hij geen 'overlast' berokkent. Zo laat Similes-juriste Marianne De Boodt in het Similes-tijdschrift april 2001 (nr.96) een vrederechter zeggen dat de mogelijkheden tot gedwongen opname moeten verruimd worden: deze zijn nu zeer limitatief (de betrokkene moet psychisch ziek zijn, hij of zij moet een gevaar vormen voor zichzelf of de omgeving én er mag geen alternatieve behandelingsvorm voor handen zijn). Veel 'lastige personen met psychiatrische problemen' voldoen niet aan de criteria voor gedwongen opname. Als er geen 'gevaar' is, zal de wetsgetrouwe vrederechter de persoon niet gedwongen laten opnemen. Dus laat Similes de vrederechter zeggen dat er ook een mogelijkheid moet zijn voor een kortdurende opname in een crisisinterventiecentrum: als de patiënt thuis maar de vensters niet meer afplakt. Diezelfde vrederechter breekt ook nog een lans voor een subtiel onderscheid tussen 'dwangbehandeling' en 'verzorging zonder vraag'. Ja, we leven in Vlaanderen. 

 

De tweede zin van de inleiding van minister Vervotte heeft het over het verwerven en ontwikkelen door psychiatrisch gestoorden van competenties 'die de basis vormen voor hun emancipatie en hun maatschappelijk (geïntegreerd) functioneren'. Dit verwijst in het bijzonder naar de activiteiten in dagcentra waar de semi-residentiële patiënt wat sport doet, in groep kookt, leert internetten, e.d. Hoe interessant deze activiteiten ook zijn en hoe zeer ze helpen bepaalde mensen uit hun isolement te halen, het blijven bezigheidstherapieën die niet direct aansluiten bij waar de mensen 'in hun hoofd' mee bezig zijn en waar ze mee worstelen, bijvoorbeeld in een soort 'paranoïde' relatie tot de buitenwereld. Veel psychiatrische patiënten vertonen nog een teken van intens leven en zijn nogal obsessief met iets of iemand bezig. Die 'obsessie' vormt een vitaal element van hun bestaan: een patiënt is bijvoorbeeld intens met een bepaald soort dieren bezig, een ander volgt met een bijzondere op de radio het nieuws en de politiek, een derde wil vooral overal zijn of haar handtekening onder plaatsen (onder tekeningen, teksten op de computer, e.d.). In de dagcentra is nauwelijks ruimte om in die obsessie enige doorbraak te bereiken: individuele aandacht is er eigenlijk niet en alles wordt bedolven onder het bezig zijn in groep. De kans die zou kunnen geboden worden aan de psychisch gestoorde om in zijn of haar vitale obsessie een vorm van 'groei' te ontwikkelen, wordt verkeken omdat van de semi-residentiële patiënten verwacht wordt dat ze zich schikken naar het rooster van de groepsactiviteiten. De dagcentra blijken dan vooral nuttig te zijn voor de patiënten die lethargisch zijn door het langdurig gebruik van antipsychotica en andere psychofarmaca en waar 'geen leven meer in zit'. De eerste maatregel zou hier natuurlijk moeten zijn om de psychofarmaca af te bouwen. In hun voorgaande behandelingen hebben deze patiënten dikwijls onnodig antipsychotica gekregen: antipsychotica zijn o.i. alleen aangewezen als de persoon een gevaar vormt voor zijn omgeving (m.a.w. fysiek agressief is) of enorm lijdt onder bepaalde angsten. Roepen en tieren, misbaar maken, opstandigheid e.d. zijn o.i. geen indicaties voor het geven van hoge dosissen antipsychotica. Het geven van antipsychotica beoogt hier in wezen alleen de stress van het verplegend personeel te verlichten, maar deze mensen weten in principe wat hun bij hun beroepskeuze te wachten stond. 

 

In se is er dus geen enkele garantie dat de competenties die ontwikkeld worden in de psychiatrische centra, de persoon helpen bij het doorleven van zijn of haar psychische problematiek en in zijn worsteling met zichzelf en de buitenwereld. Hiervoor zijn o.i. persoonsspecifieke interventies vereist: de activiteiten in de psychiatrische centra zorgen er enkel voor dat de persoon niet verloren loopt in zijn of haar verveling.

 

Verder maakt de minister een onderscheid tussen emancipatie en maatschappelijk (geïntegreerd) functioneren. Dit lijkt te insinueren dat de emancipatie een soort 'egocentrische' solitaire bezigheid is die staat tegenover een maatschappelijk bezig zijn, de 'integratie'. Dit is een zeer gevaarlijk onderscheid, want uiteraard verloopt de emancipatie altijd doorheen een betrokkenheid op een maatschappelijk kader en het vorm geven aan verhoudingen met anderen en met 'dingen' (b.v. het interieur van de woning, om maar iets te noemen). Het onderscheid dat minister Vervotte maakt verhult de optie voor een 'heractivering' van psychisch gestoorden waarbij de psychisch gestoorde maatschappelijk weer kan 'ingepast' worden ('integratie') en beschikbaar wordt voor tewerkstelling in onderbetaalde jobs of voor vrijwilligersarbeid, ver beneden het niveau dat de persoon zou kunnen halen indien wezenlijk aan zijn of haar psychische problematiek wordt gewerkt of zou kunnen gehaald hebben indien er van bij de aanvang van de 'stoornis' aandacht was geweest voor de persoonsspecifieke aspecten van zijn of haar problematiek. 

 

Website statistieken